Uitspraak onderzoek Cézanne (skimming)

Rechtbank Rotterdam 10 april 2013, LJN BZ6791

Feiten

De verdachte heeft een geplastificeerde afdekhoes van een betaalautomaat beschadigd met het kennelijke doel voorbereidingen te treffen voor het plaatsen van skimapparatuur. De verdachte heeft ook een deel van een geldautomaat (zogenoemde ‘greenlips’) afgehaald, dit met het kennelijke doel voorbereidingen te treffen voor het maken van skimapparatuur. De verdachte heeft door zijn handelen schade en overlast veroorzaakt.

De verdachte heeft voorts deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich op professionele en geraffineerde wijze bezig heeft gehouden met skimactiviteiten. De verdachte en zijn medeverdachten hebben gegevens gekopieerd waarmee valse betaalpassen kunnen worden gemaakt. Die gegevens blijken ook daadwerkelijk te zijn gebruikt voor het opnemen van geldbedragen.

Geldigheid dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 nietig is, omdat niet is voldaan aan de eisen van artikel 261 Sv. De tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig, omdat identiek omschreven feitelijke gedragingen en als voltooid delict, en als poging daartoe ten laste zijn gelegd, terwijl niet duidelijk wordt welk onderscheid het openbaar ministerie daarbij heeft bedoeld te maken; een verweten gedraging kan voorts niet tegelijkertijd een poging en een voltooid delict opleveren.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Krachtens artikel 261 Sv dient de tenlastelegging een zodanige opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd en de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan in te houden, dat het de verdachte duidelijk is waartegen hij zich moet verdedigen. Als de tenlastelegging hieraan niet voldoet, kan zij niet fungeren als grondslag van het onderzoek op de terechtzitting en moet de dagvaarding (in zoverre) nietig worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging onder 1 aan die eis van voldoende duidelijke feitelijke omschrijving voldoet. Hoewel de omschreven feitelijke gedragingen mogelijk niet toereikend zijn voor een bewezenverklaring en de kwalificatie van het strafbare feit waarop de steller van de tenlastelegging kennelijk het oog heeft gehad, zijn deze niet onverenigbaar met de delictsomschrijving waarop kennelijk is gedoeld. Het verweer miskent voorts dat de tenlastelegging telkens bij bewezenverklaring van elk van de feitelijk ten laste gelegde gedragingen kennelijk beoogt een keuze open te laten tussen het voltooide delict en de poging daartoe. Van een innerlijke tegenstrijdigheid in de wijze van tenlastelegging van elk van die feiten is dan ook geen sprake.

Met de wijze waarop hetgeen onder 2 en 3 aan de verdachte ten laste is gelegd is verwoord, is niet voldaan aan de hiervoor bedoelde eis van duidelijkheid. De tekst van de tenlastelegging verwijt de verdachte slechts in algemene bewoordingen het (mede)plegen van - kort gezegd - het voorhanden hebben van skimapparatuur, respectievelijk het voorhanden hebben van vervalste betaalpassen gedurende een periode van 8 maanden op een aantal plaatsen in Nederland. Tegen de achtergrond van de inhoud van het politiedossier dat 24 afzonderlijke, deels gelijksoortige, zaaksdossiers omvat, is daarmee onvoldoende concreet duidelijk gemaakt welke feitelijke gedragingen de verdachte worden verweten en voldoet de tenlastelegging dus niet aan de eisen van artikel 261 Sv. Dat gebrek in de tenlastelegging als grondslag voor het onderzoek op de terechtzitting wordt, anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd, niet geheeld door een door haar overlegde overzichtslijst van een parketsecretaris met daarin een opsomming van namen van verdachten per zaaksdossier.

De rechtbank zal dan ook de dagvaarding nietig verklaren voor de feiten 2 en 3.

Vrijspraak feit 1 en feit 4

Feit 1

Aan verdachte is ten laste gelegd het tezamen en in vereniging valselijk opmaken of vervalsen van betaalkaarten of creditcards en/of de poging daartoe. Als enige concrete uitvoeringshandelingen van dat feit is in de tenlastelegging omschreven het (telkens) plaatsen van skimapparatuur op betaalautomaten, waardoor gegevens en pincodes konden worden gekopieerd.

Deze in de tenlastelegging vermelde uitvoeringshandelingen rechtvaardigen bij een bewezenverklaring daarvan nog niet de conclusie dat verdachte en/of zijn mededader(s) zich ook bezig hielden met het zelf vervalsen van betaalkaarten of creditcards. Ook ten aanzien van de voorts ten laste gelegde poging tot het tezamen en in vereniging valselijk opmaken of vervalsen van betaalkaarten of creditcards, geldt dat uit de in de tenlastelegging opgenomen uitvoeringshandelingen niet het opzet van verdachte en/of zijn mededaders op dat tezamen en in vereniging valselijk opmaken of vervalsen van kaarten kan worden afgeleid, terwijl op basis van het dossier evenmin kan worden vastgesteld dat het opzet van verdachte en zijn mededaders bij deze handelingen verder reikte dan tot het vergaren van gegevens.

De conclusie van het vorenstaande is dat noch het als voltooid delict ten laste gelegde, noch het als poging ten laste gelegde tot een bewezenverklaring kan leiden, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Feit 4

De officier van justitie heeft kort gezegd betoogd dat deelname aan een van de deelactiviteiten die samen skimmen opleveren (plaatsen van apparatuur, verwerken van gegevens, maken van passen waarmee geld kan worden gepind en het pinnen zelf), deelname oplevert aan al die deelactiviteiten.

Dit betoog wordt verworpen. De enkele omstandigheid dat de door de officier van justitie genoemde strafbare handelingen verband met elkaar houden, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat tussen alle plegers van elk van die handelingen de voor het aannemen van medeplegen noodzakelijke bewuste en nauwe samenwerking bestaat. De enkele betrokkenheid bij het plaatsen van skimapparatuur is dan ook onvoldoende om als medepleger te worden aangemerkt van diefstal van geld door het pinnen met door skimming verkregen gegevens.

Nu uit andere omstandigheden evenmin is komen vast te staan dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de hem onder feit 4 ten laste gelegde gekwalificeerde diefstallen, moet hij daarvan worden vrijgesproken.

Besteen en Deelname aan criminele organisatie (feit 7)

Vastgesteld wordt dat de verdachten verdachte, medeverdachte 1., medeverdachte 2., medeverdachte 3. en medeverdachte 4. gedurende een langere periode hebben samengewerkt om skimapparatuur te maken en te plaatsen. Deze apparatuur bestond uit voorzetmonden en camera-units. De voorzetmonden werden geplaatst op de plek waar betaalpassen in automaten worden ingevoerd en de daarin verwerkte apparatuur las de gegevens op de magneetstrip van de ingevoerde betaalpassen. Via een camera-unit een onopvallend voorwerp met daarin een camera, gericht op het toetsenbord van de betaalautomaat konden de bij de passen behorende pincodes worden achterhaald.

De apparatuur werd door verdachte gefabriceerd in Rotterdam, waar ook medeverdachte 1., medeverdachte 2. en medeverdachte 3. verbleven. In die woning werden door de politie ook allerhande voorwerpen gevonden pasmonden, leesapparatuur, USB-sticks met bijbehorende software en gegevens van uitgelezen betaalpassen, enkele tientallen passen die niet op naam van een van de aanwezigen stonden die kenmerkend zijn voor skimactiviteiten. In de woning van medeverdachte 4. werden onder andere aantekeningen gevonden die betrekking hebben op de bruikbaarheid van bepaalde betaalautomaten. Uit afgetapte telefoongesprekken blijkt dat verdachte en medeverdachte 4. op de hoogte werden gehouden van de werkzaamheden ‘in het veld’ en dat zij op hun beurt instructies gaven. Het bestaan van de samenwerking kan voorts worden afgeleid uit telefoongesprekken waarin wordt gesproken van ‘teams’.

De verdachte wist waar hij mee bezig was. Hij was op de hoogte van de doelstelling van de organisatie. Hij kende haar wijze van opereren en hij heeft welbewust zijn bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van de doelstelling van de organisatie.

Een en ander overziend wordt bewezen geacht dat in dit geval sprake is geweest van een criminele organisatie en dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen.

Bewezenverklaring

Feit 5: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

Feit 6: de eendaadse samenloop van diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen en onbruikbaar maken;

Feit 7: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Zie ook:

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF