Uitleg van de in art. 408.1.c. Sv neergelegde eis dat de verdachte “tevoren bekend was met de dag van de (nadere) terechtzitting”

Hoge Raad 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2316

De stukken van het geding houden, voor zover van belang, het volgende in:

a) Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om op 24 juni 2015 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter te Maastricht, welke akte inhoudt dat die dagvaarding, na vergeefse aanbieding op het GBA-adres van de verdachte op 22 mei 2015, op 3 juni 2015 is teruggestuurd naar het openbaar ministerie.

b) Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om op 24 juni 2015 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter te Maastricht, welke akte inhoudt dat een afschrift van die dagvaarding op 12 juni 2015 is verzonden aan de griffier van de Rechtbank te Maastricht en op dezelfde dag als gewone brief naar het GBA-adres van de verdachte is verzonden.

c) De aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter van 24 juni 2015, waarbij de verdachte bij verstek is veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 8 lid 2 onder a van de WVW 1994 tot een geldboete van € 550,00, subsidiair elf dagen hechtenis.

d) Een akte instellen hoger beroep, welke inhoudt dat op 14 juli 2015 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voormeld vonnis.

De verdachte is op de terechtzitting van de Politierechter van 24 juni 2015 te 9.30 uur niet verschenen en hij is aldaar bij verstek veroordeeld ter zake van overtreding van art. 8, tweede lid onder a, WVW 1994 tot een geldboete van € 550,00, subsidiair elf dagen hechtenis. Op 14 juli 2015 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis van de Politierechter.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

"Op de vraag van de voorzitter waarom de verdachte niet is verschenen bij de eerste rechter, deelt de verdachte mede dat hij op de dag van de terechtzitting pas kennis heeft genomen van de dagvaarding om te verschijnen bij de politierechter.

De advocaat-generaal deelt hierop mede:

Gelet op hetgeen de verdachte heeft verklaard is hij niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Verdachte heeft pas op 14 juli 2015 hoger beroep ingesteld. Hij had binnen 14 dagen na de uitspraak hoger beroep moeten instellen nu hij op de hoogte was van de behandeling van zijn strafzaak bij de eerste rechter.

De raadsman van verdachte verzoekt het hof de zitting voor een ogenblik te onderbreken voor overleg met zijn cliënt.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek.

De voorzitter zet de onderbroken terechtzitting voort.

De raadsman van verdachte deelt, zakelijk weergegeven, mede:

De dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen is niet in persoon uitgereikt.

Cliënt heeft op de dag van de terechtzitting de dagvaarding onder ogen gekregen. Ik ben van mening dat cliënt ontvankelijk is. Niet is gebleken dat cliënt tevoren op de hoogte was van de zitting. (...)"

De aantekening van het mondeling arrest houdt onder meer in:

"De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte kon volgens de wet hoger beroep instellen binnen veertien dagen na de einduitspraak wanneer de verdachte tevoren op de hoogte was van de zitting waarop zijn strafzaak wordt behandeld.

Verdachte heeft -naar eigen zeggen- op de dag van de terechtzitting kennis genomen van de rechtsdag. Verdachte had, nu hij kennis droeg van de zittingsdatum, tijdig kunnen informeren naar de uitspraak en hoger beroep kunnen instellen.

Nu het hoger beroep eerst op 14 juli 2015 is ingesteld, dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep. (...)"

Middel

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv, althans onvoldoende is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat slechts sprake is van een geval als bedoeld in art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv, indien de verdachte de wetenschap omtrent de dag van de terechtzitting uiterlijk de dag daaraan voorafgaand heeft gehad.

In de conclusie van de Advocaat-Generaal is de wetsgeschiedenis met betrekking tot een wijziging van art. 408 Sv weergegeven. Bij die wetswijziging is aan art. 408 een zinsnede toegevoegd die gelijkluidend is aan het huidige art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv. Blijkens de memorie van toelichting is die wetswijziging ingegeven door de wens de beroepstermijn van veertien dagen te laten aanvangen indien de verdachte "redelijkerwijs in staat geacht kan worden het verloop van het strafproces, eindigend met een einduitspraak, te volgen". Doet zich, aldus de memorie van toelichting, een omstandigheid voor waaruit voortvloeit dat de verdachte op een bepaald moment tevoren bekend was met de (nadere) zittingsdatum, dan brengt de strekking van de in art. 408 Sv vervatte voorschriften mede dat ook in die situatie de beperkte beroepstermijn dient te gelden.

In het licht van de geschiedenis van deze bepaling brengt een redelijke wetsuitleg mee dat art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv inhoudt dat indien zich een omstandigheid voordoet waaruit blijkt dat de dag van de terechtzitting of de nadere terechtzitting de verdachte voorafgaand aan (de aanvang van) die terechtzitting of die nadere terechtzitting bekend was, de beroepstermijn van veertien dagen na de einduitspraak geldt. Die bepaling strekt immers niet ertoe te bewerkstelligen dat de verdachte na het bekend raken met de dag van de terechtzitting nog de mogelijkheid heeft te verschijnen op die terechtzitting, maar betreft de omstandigheid of van de verdachte in redelijkheid kan worden verwacht dat hij naar aanleiding van deze wetenschap het nodige zal doen om zich op de hoogte te stellen van het verdere verloop van zijn strafzaak.

Daarop stuit dit klachtonderdeel van het middel af.

Voorts klaagt het middel dat het oordeel van het Hof, dat niet binnen veertien dagen na de einduitspraak hoger beroep is ingesteld omdat de verdachte kennis droeg van de zittingsdatum, niet behoorlijk is gemotiveerd.

De klacht slaagt. Het Hof heeft weliswaar overwogen dat de verdachte - naar eigen zeggen - op de dag van de terechtzitting van de Politierechter heeft kennisgenomen van de rechtsdag, maar heeft niet vastgesteld dat die kennisname plaatsvond voorafgaand aan (de aanvang van) die terechtzitting, terwijl het Hof evenmin heeft vastgesteld dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortlvoeit dat de einduitspraak de verdachte bekend was.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF