Uitkeringsfraude: voeren van een gezamenlijke huishouding ex art. 3 Wet werk en bijstand

Rechtbank Amsterdam 29 oktober 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:10242

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan bijstandsfraude door de uitkerende instantie gedurende een periode van ruim twee jaren onjuist in te lichten. Verdachte heeft dit opzettelijk gedaan nu hij wist dat verdachte een bijstandsuitkering ontving en hij op de hoogte was van de inlichtingenplicht, aangezien hij zelf eerder ook tijdelijk een bijstandsuitkering heeft ontvangen. Verdachte heeft niets ondernomen om deze situatie te beëindigen. De uitkerende instantie is daardoor niet in staat geweest op juiste wijze te bepalen of en, zo ja, in hoeverre de mededader van verdachte recht had op een uitkering, en heeft ten onrechte gelden uitgekeerd. 

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde bewezen moet worden verklaard. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De ouders van medeverdachte hebben in eerste instantie verklaard dat zij het grootste deel van de tijd bij verdachte woonde. Die verklaringen waren volstrekt in lijn met de verklaring van naam medeverdachte, die verklaarde dat ze vier of vijf dagen per week bij verdachte verbleef. Ook waren die verklaringen in lijn met de waarnemingen van de sociale recherche en verklaringen van buurtbewoners. Er is geen reden om aan deze verklaringen te twijfelen. Bij de rechter-commissaris hebben de ouders van naam medeverdachte hun verklaring weliswaar ingetrokken, maar hebben ze ook tegenstrijdig verklaard over het woonadres van naam medeverdachte. Bovendien zou je uit hun verklaringen kunnen opmaken dat met naam medeverdachte is besproken wat wel en niet verklaard moest worden. De ontkennende verklaringen die de ouders van naam medeverdachte bij de rechter-commissaris en verdachte hebben afgelegd, moeten dus terzijde worden geschoven.

Uit het dossier blijkt dat verdachte wist dat naam medeverdachte een uitkering ontving. Dat heeft hij zelf ook verklaard. Bovendien heeft hij verklaard dat hij niet wilde dat naam medeverdachte zich bij hem inschreef. Gelet daarop kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met naam medeverdachte heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Uit de verklaring van verdachte blijkt niet dat hij tijdens de ten laste gelegde periode wist dat naam medeverdachte een uitkering ontving, noch dat zij tijdens de ten laste gelegde periode haar hoofdverblijf bij hem had of dat zij een gezamenlijke huishouding voerden.

De verklaringen die naam medeverdachte bij de Dienst Werk en Inkomen heeft afgelegd moeten van het bewijs worden uitgesloten. Zij heeft namelijk niet uitdrukkelijk afstand gedaan van het recht op een advocaat. Subsidiair moet die omstandigheid meewegen in de weging van die verklaringen. Uit de verklaringen van naam medeverdachte blijkt dat er hevige ruzies bij haar ouders waren en dat ze daarom soms bij verdachte was. Zij voerden echter geen gezamenlijke huishouding.

De moeder van naam medeverdachte heeft verklaard dat naam medeverdachte bij verdachte verbleef als er thuis ruzie was, maar dat ze verder wel thuis woonde. De kern van de verklaringen van de ouders van naam medeverdachte is dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen verdachte en naam medeverdachte. Ook uit de verklaringen van de buurtbewoners en de constateringen van de Nuon kan dat niet worden opgemaakt.

Subsidiair kan niet worden bewezen dat er sprake was van medeplegen en moet verdachte daarom worden vrijgesproken. Daarvoor moet sprake zijn van een intellectuele en materiële bijdrage die van voldoende gewicht is. Een dergelijke bijdrage van verdachte blijkt niet uit het dossier.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en medeverdachte in de ten laste gelegde periode hebben samengewoond en een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, hetgeen zij opzettelijk niet hebben gemeld. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.

Voor de vraag of vanaf de start van de ten laste gelegde periode sprake was van samenwonen en het voeren van een gezamenlijke huishouding is artikel 3 van de Wet werk en bijstand van belang. Dit artikel bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Blijkens lid 4 van dit artikel wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in de dezelfde woning en

a.    zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;

b.   uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

c.    zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of

d.   zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.

Nu uit de relatie van verdachte en naam medeverdachte meerdere kinderen zijn geboren, dient alleen nog te worden onderzocht of verdachte vanaf 1 januari 2010 tot en met 1 maart 2012 samen met naam medeverdachte zijn hoofdverblijf had op het adres 1 De rechtbank is van oordeel dat het dossier hiervoor voldoende bewijs bevat. Immers hebben zowel naam medeverdachte – zowel bij haar eerste verhoor in 2012 als naderhand bij haar tweede verhoor in 2014 – alsmede haar vader en moeder verklaard dat zij bij verdachte woonde en is gedurende twee periodes waargenomen dat naam medeverdachte – elke dag dat werd waargenomen – ‘s ochtends uit de woning van verdachte kwam, kennelijk om haar kind(eren) naar school te brengen. Naam medeverdachte heeft in haar verhoor uit 2012 bovendien als motief hiervoor gegeven dat dat zij niet heeft gemeld dat zij haar hoofdverblijf op het adres 1 had, omdat de woonsituatie in haar ouderlijk huis slecht was, zodat zij wel weg moest en zij niet wilde dat haar uitkering stop werd gezet. Deze verklaring van naam medeverdachte is bruikbaar voor het bewijs, nu zij aan het begin van het verhoor telkens expliciet heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan bijstand van een advocaat. Er is dus geen sprake van een Salduz-schending. De rechtbank onderkent dat naam medeverdachte en haar ouders deze belastende verklaringen later hebben ingetrokken, maar schuift deze latere ontkennende verklaringen terzijde nu er geen enkele reden is om aan te nemen dat de eerder afgelegde verklaringen tot stand zijn gekomen als gevolg van ongeoorloofde druk, noch dat de verklaringen van naam medeverdachte en haar ouders onjuist zijn weergegeven. Bovendien sluiten deze verklaringen aan bij de hiervoor genoemde waarnemingen. Dit oordeel brengt mee dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte en naam medeverdachte in de ten laste gelegde perioden samenwoonden en een gezamenlijke huishouding voerden, maar dat naam medeverdachte dit opzettelijk niet heeft gemeld.

De rechtbank acht voorts bewezen dat verdachte en naam medeverdachte dit feit tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte gedurende de ten laste gelegde perioden op de hoogte was van het feit dat naam medeverdachte een uitkering ontving. Bovendien kan uit de verklaring van naam medeverdachte ook worden opgemaakt dat verdachte wist dat naam medeverdachte het niet aan de DWI meldde dat zij haar hoofdverblijf bij hem had. Verdachte heeft zelf ook een uitkering gehad en kende dus de verplichtingen die daaraan zijn verbonden, zoals het verstrekken van inlichtingen die van invloed kunnen zijn op de toekenning of hoogte van de uitkering. Hij wilde ook niet dat naam medeverdachte zich bij hem zou inschrijven, waardoor hij het mogelijk heeft gemaakt dat naam medeverdachte kon nalaten de nodige gegevens te verstrekken terwijl dat tot voordeel strekte of kon strekken.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF