Uitkeringsfraude: Slagende motiveringsklacht

Hoge Raad 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2585

Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 25.000 ter zake van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift. 

Het Hof heeft deze strafoplegging - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - als volgt gemotiveerd:

"Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft als werkgever gedurende een periode van bijna vijf jaren uitzendovereenkomsten en aanvraagformulieren voor uitkeringen opgemaakt, die waren gebaseerd op valse loongegevens. Op basis daarvan zijn door de betreffende (zogenaamde) werknemers uitkeringen aangevraagd en ontvangen, waar zij geen recht op hadden. De verdachte heeft hiermee het vertrouwen beschaamd dat de uitkeringsinstanties in de echtheid en juistheid van documenten van werkgevers moeten kunnen stellen. Het hof acht voorts aannemelijk dat het handelen van de verdachte - dat haar in staat heeft gesteld om op naam van de betrokken (fictieve) werknemers onbekenden te laten werken - ook voor haar zelf profijtelijk is geweest en dat dat voor haar het doorslaggevende motief voor haar handelen was. Het hof rekent de verdachte het bewezen verklaarde ernstig aan. Feiten als de onderhavige ondermijnen het sociale verzekeringsstelsel."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de strafoplegging onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, nu het Hof heeft overwogen dat het handelen van de verdachte ook voor haar zelf profijtelijk is geweest, terwijl niet blijkt waaraan het Hof die omstandigheid heeft ontleend.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft blijkens zijn strafmotivering - klaarblijkelijk ten bezware van de verdachte - in aanmerking genomen "dat het handelen van de verdachte (...) ook voor haar zelf profijtelijk is geweest en dat dat voor haar het doorslaggevende motief voor haar handelen was". Noch de processen-verbaal van de terechtzittingen, noch de stukken waarvan aldaar de korte inhoud is medegedeeld, houden evenwel iets in waaruit zulks kan worden afgeleid.

Het middel is terecht voorgesteld.


Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly and PDF