Uit het pv en de daarbij gevoegde “VerkeersOngevallenAnalyse” blijkt niet dat verdachte op de voor hem verkeerde weghelft reed

Rechtbank Overijssel 6 november 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:2668

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • primair: als bestuurder van een auto zodanig onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden dat hij op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer terechtkwam. Hierdoor ontstond er een ongeluk waarbij iemand zwaar gewond raakte, of
  • subsidiair: als bestuurder van een auto zodanig onoplettend heeft gereden dat hij tegen tegemoetkomende auto’s aanreed.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Volgens de officier van justitie is niet bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig of onoplettend reed, aangezien onduidelijk is gebleven door welke oorzaak verdachte (gedeeltelijk) op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weghelft is gaan rijden. Dat hij echter op die weghelft heeft gereden staat wel vast, gelet op wat de bestuurder van de auto met caravan en de daarachter rijdende bestuurder van een personenauto hebben verklaard over de oorzaak van de aanrijding. Deze verklaringen worden ondersteund door de “VerkeersOngevallenAnalyse” die de politie heeft uitgevoerd. Dit leidt tot de conclusie dat verdachte zijn zorgplicht als deelnemer aan het verkeer niet is nagekomen, zodat het subsidiair tenlastegelegde bewezen is.

Verdachte stelt dat hij zich niets kan herinneren van de aanleiding voor het ongeluk. Hij keek voor de aanrijding opzij naar zijn dochtertje die op de bijrijdersstoel op een verhoging lag te slapen en vervolgens in de binnenspiegel waarin hij zijn echtgenote en andere dochter op de achterbank zag slapen. Volgens verdachte kan het ongeluk een eind verderop hebben plaatsgevonden, maar zeker weet hij dat niet. Het volgende wat verdachte zich herinnert, is dat hij met zijn auto stilstond en dat deze flink beschadigd was en dat links van hem een auto stond die nog zwaarder beschadigd was.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte een Skoda bestuurde en dat hij een Nissan met caravan tegemoet reed. De Nissan had een (uitstekende) caravanspiegel.

Er zijn geen bewijsmiddelen die de telastelegging ondersteunen dat verdachte plotseling naar links heeft gestuurd.

Voor wat betreft het telastegelegde gedeeltelijk op de linker weghelft gaan rijden door verdachte overweegt de rechtbank dat de bewijsmiddelen daarover het volgende bevatten.

Uit het proces-verbaal van politie blijkt dat twee aangevers tegenover de politie over de toedracht van het ongeval hebben verklaard.

Getuige/slachtoffer, die achter de Nissan met de caravan reed, verklaarde onder meer dat hij weliswaar zag dat een tegemoetkomende auto tegen de voor aangever rijdende auto met caravan botste en dat die vervolgens zijn auto ramde, maar dat hij de tegenligger vooraf zelf niet heeft gezien. Daaruit kan dus niets worden afgeleid over de vraag wie er op de eigen weghelft reed en wie, eventueel alleen met de (caravan)spiegel, over de dubbele streep tussen de weghelften heen over de andere weghelft reed (of reden).

De bestuurder van de auto (Nissan) met caravan, getuige, verklaarde dat hij zag dat een hem tegemoetkomende auto naar links de dubbele middenstrepen overschreed, waarop zijn naast hem gezeten echtgenote nog schreeuwde dat deze tegenligger inhaalde. Vervolgens raakte deze tegenligger, aldus aangever, zijn auto aan de linkerzijde: eerst werd de linker buitenspiegel geraakt, daarna hoorde hij een harde klap en voelde hij een hevige schok aan zijn auto. De echtgenote van getuige is niet door de politie ondervraagd.

Bij het proces-verbaal van politie is een zogenaamde “VerkeersOngevallenAnalyse” gevoegd.

Onder het kopje 1.2 Beknopte ongevalsbeschrijving staat onder meer vermeld: “Gekomen ter hoogte van hectometerpaal 76.4 kwam de Skoda, door onbekende oorzaak, op de linker weghelft terecht en botste de Skoda met de linker zijde tegen de linker caravanspiegel van de Nissan”.

Onder het kopje 5.2 Oorzaak, toedracht en gevolg wordt onder meer het volgende opgemerkt: “De Skodabestuurder kwam door onbekende oorzaak met de linkerzijde op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer. (…)”.

De rechtbank heeft in het VOA-rapport geen enkele bevinding aangetroffen die de lezing ondersteunt van het op de linker weghelft terechtgekomen van de Skoda voordat hij de caravanspiegel van de Nissan raakte. Het rapport verschaft antwoord op de vraag waarom niet even goed de caravanspiegel boven de weghelft van de Skoda was gekomen voordat tussen de Skoda en de caravanspiegel van de Nissan een botsing ontstond. Of dat zelfs ook de Nissan op de voor hem verkeerde weghelft reed.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat onder het kopje 2.3 Aangetroffen Sporen, wordt verwezen naar een foto 3 met daarop een beeld van de botsomgeving. Te zien is op die foto, gemarkeerd met label 1, “de, vermoedelijke, botsplaats tussen de Skoda en de caravan, welke achter de Nissan was gekoppeld”. De rechtbank overweegt dat dit niets zegt over de plaats waar eerder de caravanspiegel is geraakt waarmee de serie van botsingen is begonnen, en dat uit foto 3 en het genoemde vermoeden dus ook niets kan worden afgeleid over de plaats waar de Nissan en de Skoda aanvankelijk reden.

Overigens verklaart verbalisant nog dat op het moment van het onderzoek de betrokken voertuigen waren verplaatst.

De rechtbank overweegt tenslotte dat, als niet onaannemelijk is dat de Nissan met zijn caravanspiegel over de weghelft van de Skoda reed, aan verdachte ook geen verwijt meer kan worden gemaakt van de telastegelegde gedragingen na de botsing met de spiegel.

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het onder primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF