Toetsingskader: Beschikking n.a.v. vordering van de officier van justitie tot het onderzoeken van een inbeslaggenomen smartphone

Rechtbank Limburg 21 april 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:4487

De Hoge Raad heeft op 4 april 2017 uitspraak gedaan over het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken.

In het arrest wordt door de Hoge Raad uiteengezet in welke gevallen het onderzoek aan een in beslag genomen elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk door de politie zelf kan plaatsvinden en wanneer daarvoor toestemming van de officier van justitie of de rechter-commissaris nodig is. Het arrest gaat alleen over onderzoek aan voorwerpen die door opsporingsambtenaren zelfstandig in beslag zijn genomen.

In het arrest worden door de Hoge Raad drie situatie onderscheiden:

  1. Er wordt een niet meer dan beperkte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van degene onder wie de gegevensdrager in beslag is genomen. In dat geval is de opsporingsambtenaar op grond van het bepaalde in de artikelen 95 of 96 Sv zelfstandig bevoegd. Hiervan kan sprake is als het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde opgeslagen of beschikbare gegevens.
     
  2. Er wordt een meer dan beperkte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. In dat geval is een bevel van de officier van justitie vereist, ingevolge het bepaalde in de artikelen 141 jo 148 jo 95 of 96 Sv.
     
  3. Er is sprake van een voorzienbare zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. In dat geval dient een onderzoekshandeling door de rechter-commissaris gevorderd te worden, conform het bepaalde in de artikelen 181 jo 104 jo 177 Sv.

De Hoge Raad gebruikt dit criterium hier als een zwaardere variant van de ‘meer dan een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer’. Een handvat voor de invulling van dat criterium wordt in het arrest niet gegeven. Wel is duidelijk dat het om een zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de gegevensdrager moet gaan.

Daarbij wordt kennelijk niet gedoeld op de enkele omstandigheid dat met daartoe bestemde apparatuur en/of software alle op een smartphone en/of de bijbehorende SIM-kaart opgeslagen of beschikbare gegevens worden uitgelezen waardoor (volledig) inzicht wordt verkregen in contacten, oproepgeschiedenis, berichten en foto's. Dat levert in beginsel alleen een meer-dan-beperkte-inbreuk op (zie r.o. 2.7.2. van het arrest), die onder het regime van de officier van justitie valt. Er moet dus kennelijk méér bij komen. Denkbaar is dat hierbij de aard van de gegevens van belang is. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de gevallen waarin uit het voorafgaand onderzoek is gebleken dat de gebruiker van het apparaat veelvuldig spreekt over zijn medische situatie en via het apparaat gegevens uitwisselt over zijn medische toestand met derden (medische uitslagen e.d.)

Van de officier van justitie kan in een dergelijk geval verwacht worden dat hij/zij in de vordering uiteenzet welke meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt voorzien.

Indien er geen sprake lijkt van een voorzienbare, meer dan beperkte inbreuk, zal de rechter-commissaris zich onbevoegd verklaren om over de vordering te beslissen, omdat de bevoegdheid in dat geval bij de officier van justitie zelf ligt.

De vordering

In het onderhavige geval is niet in de vordering vermeld welke meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte wordt voorzien bij het onderzoek van zijn smartphone. De rechter-commissaris is dan ook van oordeel dat kan worden volstaan met een bevel door de officier van justitie en dat geen onderzoekshandeling door de rechter-commissaris nodig is.

De rechter-commissaris zal zichzelf dan ook onbevoegd verklaren om op de vordering te beslissen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF