Te laat verbaliseren bevindingen levert geen schending beginselen van een behoorlijke procesorde op. Laten versturen van sms door aangever op aanwijzing van de politie valt onder art. 2 Politiewet.

Rechtbank Midden-Nederland 4 juli 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:2927

Verdachte heeft meerdere malen geprobeerd het slachtoffer af te persen en heeft hem meerdere malen bedreigd. Daarnaast heeft verdachte het slachtoffer mishandeld.

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vervolging. Daartoe heeft hij aan de hand van het Zwolsman criterium gesteld dat de opsporingsambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor er doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. De raadsman heeft onder meer gesteld dat de opspo- ringsambtenaren:

  • de verbaliseringsplicht hebben geschonden;
  • geen bevoegdheid hebben gehad voor het laten versturen van een sms-bericht door de aangever:
  • onderling tegenstrijdig hebben verklaard en dat de verklaring van aangever hier ook van afwijkt.

Standpunt OvJ

De officier van justitie heeft gesteld dat er geen sprake is van sturing en instrueren door de opsporingsambtenaren. Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat van grove veronachtzaming door de opsporings- ambtenaren geen sprake is. Weliswaar is er sprake van slordigheden met betrekking tot het opmaken van de processen-verbaal maar dit dient niet te leiden tot consequenties.

Oordeel rechtbank

De Hoge Raad heeft in haar arrest van 30 maart 2004 bepaald dat de sanctie van de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is. Daarvoor is volgens de Hoge Raad alleen plaats ingeval er sprake is van een vormverzuim dat er in bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De door deze normen te beschermen waarborgen voor een eerlijk proces, en de integriteit van overheidshandelen, weerspiegeld in de artikelen 6 en 13 EVRM, dwingen de zittingsrechter tot een strikte toetsing van de rechtmatigheid van het handelen en nalaten van de met de opsporing en vervolging belaste autoriteiten in deze zaak. De mogelijkheid daartoe is evenwel in hoge mate afhankelijk van de controleerbaarheid van de aangewende opsporingsmethoden en -bevoegdheden.

Daarbij dient wel steeds rekening te worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

De rechtbank is van oordeel dat de opsporingsambtenaren in deze zaak op grond van de algemene bevoegdheid genoemd in artikel 2 van de Politiewet bevoegd waren om slachtoffer te vragen een sms-bericht te sturen naar verdachte. De rechtbank merkt hierbij op dat het versturen van dit sms-bericht niet heeft geleid tot de aanhouding van verdachte en dat daarom ook niet valt in te zien dat door de verzending van het bericht hij in zijn belangen is geschonden.

Met betrekking tot de verbaliseringsplicht genoemd in artikel 152 Sv overweegt de rechtbank dat dit artikel voorschrijft dat de in de artikelen 141 en 142 Sv genoemde opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. In dit geval is er sprake van het niet verbaliseren van het ophalen van goederen bij aangever. De rechtbank is van oordeel dat dit wel geverbaliseerd had moeten worden. Dit betreft een verzuim in het voorbereidend onderzoek. De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet een dusdanig verzuim is dat hier consequenties uit voort dienen te vloeien, te meer nu de rechtbank thans vast kan stellen dat het niet geverbaliseerde niet relevant is voor de bewijsoverweging. De rechtbank volstaat dus met de constatering van het verzuim.

Tevens is er sprake van het pas op een laat tijdstip verbaliseren van het door de opsporingsambtenaren laten sturen van een sms-bericht door aangever aan verdachte. Weliswaar had dit zo spoedig mogelijk geverbaliseerd moeten worden, maar uit een aanvullend proces-verbaal blijkt dat dit, door het uitblijven van enige reactie van de zijde van de verdachte, niet rechtens relevant is geweest.

Met betrekking tot de ter terechtzitting van 20 juni 2014 afgelegde getuigenverklaringen van de opsporingsambtenaren overweegt de rechtbank dat de daarin door de raadsman geconstateerde tegenstrijdigheden niet van dien aard zijn dat dit een schending van enig vormvoorschrift oplevert. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om de betrouwbaarheid van die verklaringen in twijfel te trekken. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF