Strafrechtelijke forumkeuze en de kenbaarheid van rechtsmacht | Over de positie van de Unieburger in de Europese rechtsruimte

In dit artikel richt de auteur, Michiel Luchtman, zich op de vraag in hoeverre de verschuiving van bevoegdheden van het nationale naar het Europese niveau gevolgen moet hebben voor de interpretatie van fundamentele rechten. Meer in het bijzonder richt hij zich op de vraag in hoeverre die rechten ook gelden in de horizontale relaties tussen de lidstaten van de Europese Unie, die op basis van gelijkwaardigheid met elkaar samenwerken, daarbij aangestuurd door het Unierecht. Die vraag wordt vooralsnog alleen besproken in relatie tot het ne bis in idem-beginsel, dat is neergelegd in de artikelen 54-58 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst/SUO en in artikel 50 van het EU Grondrechtenhandvest.

Het onderwerp wordt uitgediept aan de hand van de wijze waarop momenteel in de Europese rechtsruimte door de nationale autoriteiten wordt beslist welke lidstaat of lidstaten grensoverschrijdende criminaliteit zullen opsporen, vervolgen en berechten. Bij herhaling komt bij dergelijke beslissingen de vraag op in hoeverre de onderliggende jurisdictieclaim van een staat voorzienbaar is (beter: zou moeten zijn) voor het betrokken individu, vooral als het gaat om de uitoefening van extraterritoriale rechtsmacht.

Lees verder:

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF