Spanning en Frustratie: Immateriële Schadevergoeding in Strafzaken

Door Anke Feenstra(Hertoghs advocaten-belastingkundigen)

Mijn meer fiscaal georiënteerde kantoorgenoten zijn al enige tijd druk bezig met het maken van rekensommen voor een immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken. Dat lijkt de omgekeerde wereld, aangezien een compensatie voor een overschrijding van de redelijke termijn afkomstig is uit de strafpraktijk.  Deze compensatie vloeit voort uit artikel 6 EVRM, waarin is opgenomen dat een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, en komt in strafzaken in de regel tot uitdrukking door middel van strafvermindering.

Deze fiscale rekenmania is aangevangen na een baanbrekende uitspraak van de Belastingkamer van de Hoge Raad (HR 10 juni 2011, BNB 2011/232). In fiscale zaken werd (eerder) strikt de hand gehouden aan het uitgangspunt dat artikel 6 EVRM niet van toepassing is, tenzij sprake is van een fiscale boete. Er lijkt inmiddels enige ruimte voor (analogische) toepassing van artikel 6 EVRM in belastingzaken. Volgens de Hoge Raad kan in het midden blijven of het belastinggeschil de ´determination of civil rights and obligations´ in de zin van artikel 6 EVRM betreft. De Hoge Raad zoekt aansluiting bij het rechtszekerheidsbeginsel als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 EVRM mede ten grondslag ligt. Dat beginsel geldt evenzeer binnen de nationale rechtsorde, los van de verdragsbepaling en noopt ertoe dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht. De Hoge Raad zoekt wel aansluiting bij de jurisprudentie over artikel 6 EVRM, waaruit volgt dat bij een overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie wordt verondersteld. Bij de vraag of de redelijke termijn is overschreden wordt aansluiting gezocht bij het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (BNB 2005/337). De Hoge Raad gaat vervolgens uit van een bedrag van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Om de toekenning van deze schadevergoeding in belastingzaken mogelijk te maken, oordeelt de Hoge Raad dat artikel 8:73 Awb van overeenkomstige toepassing is. Bovendien heeft de Hoge Raad bepaald dat het recht op een vergoeding niet alleen van toepassing is op een gegrond (hoger) beroep, maar ook indien het beroep van de belastingplichtige ongegrond wordt verklaard (HR 30 november 2012, NTFR 2012-2802).

Over de finesses van de berekening van een immateriële schadevergoeding in het belastingrecht is het laatste woord nog niet gezegd. Bij mij heeft deze uitspraak echter ook de vraag opgeroepen of niet eenzelfde vergoeding zou moeten worden toegekend in strafzaken. Als spanning en frustratie in een fiscale procedure worden verondersteld, geldt dat eens te meer in strafzaken.

Indien een verdachte in een strafzaak wordt veroordeeld, kan de strafrechter de op te leggen straf matigen bij een overschrijding van de redelijke termijn. Ook daarbij kunnen vraagtekens worden gezet (zie conclusie AG Vellinga bij HR 19 april 2011, LJN BP5361), maar die gaan het bereik van deze column te buiten. Als een strafzaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, of bij een vrijspraak of een sepot is er evenwel geen compensatiemogelijkheid. Dit heeft tot gevolg dat een gewezen verdachte de spanning en frustratie van een (te) lang strafrechtelijk onderzoek maar voor lief moet nemen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.

In een strafprocedure zelf zie ik zo op het eerste gezicht geen wettelijke aanknopingspunten om een schadevergoeding te vragen, maar ik laat me graag overtuigen van het tegendeel. Die mogelijkheid is ernaar mijn idee wel indien een verzoekschrift tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand (artikel 591a Sv) of een schadevergoeding in verband met voorlopige hechtenis wordt ingediend (artikel 89 Sv). Op deze verzoekschriftprocedure is artikel 6 EVRM niet van toepassing, net zomin als in een fiscale zaak. Wel bieden deze bepalingen, net zoals artikel 8:73 Awb, de rechtsingang om een (schade)vergoeding te vragen. Ik zou menen dat het door de Hoge Raad omschreven rechtszekerheidbeginsel ook in deze procedures kan worden ingeroepen om een immateriële schadevergoeding te vragen voor de overschrijding van de redelijke termijn in een strafrechtelijk onderzoek.

Een meer concrete rechtsingang kan in de toekomst wellicht worden verwacht. Er is een voorontwerp van de Wet Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over schadevergoeding wegens termijnoverschrijding door bestuur en rechter (Wet schadevergoeding bij overschrijding redelijke termijn) (persbericht van 13 april 2010 van de Minister van Justitie). Dit wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid aan de bestuursrechter te verzoeken de Staat te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter. Dit vormt een aanknopingspunt om deze regeling van overeenkomstige toepassing te verklaren op strafzaken of de incorporeren in de huidige artikelen 89 en/of 591a Sv, waardoor ook de verdachte de wettelijke mogelijkheid krijgt vergoeding te vragen voor in een strafprocedure door overschrijding van de redelijke termijn geleden immateriële schade.

Kortom, als de lijn van de Belastingkamer van de Hoge Raad wordt doorgetrokken naar het strafrecht, vormt het rechtszekerheidsbeginsel mijns inziens ook het aanknopingspunt om een immateriële schadevergoeding te verzoeken in een procedure ex artikel 89 en/of 591(a) Sv.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF