Door rechter ontdekt witwasopzetje, kamervragen over de betrokken advocaten

Vorige maand berichtte het Advocatenblad over het mislukken van witwassen via een gerechtelijke procedure met dank aan een oplettende rechter. Naar aanleiding van dit bericht alsook de betreffende uitspraak van de voorzieningenrechter te Haarlem zijn door Recourt (PvdA) kamervragen gesteld aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over toezicht op advocaten:

Vraag 1

Kent u het bericht «Doortastende rechter en de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 maart 2013 in kort geding»?

Vraag 2

Deelt u de mening dat het er alle schijn van heeft dat dankzij deze «doortastende rechter» inderdaad «een crimineel opzetje» is voorkomen? Zo nee, waarom niet?

Vraag 3

Deelt u de mening dat als de rechter nog tijdens de rechtszaak door het stellen van vragen op de hoogte raakt van het genoemde strafvonnis, dat het waarschijnlijk is dat een of twee van de advocaten in het genoemde kort geding daar mogelijk al eerder van op de hoogte zijn geweest? Zo nee, waarom acht u dit onwaarschijnlijk?

Vraag 4

Deelt u de mening dat als uit een rechterlijk vonnis de indruk ontstaat dat een of twee advocaten betrokken zijn bij een zaak die ogenschijnlijk een oneigenlijk doel diende of mogelijk zelfs een criminele opzet herbergde, dat de rol van betrokken advocaten een onderwerp van onderzoek kan zijn? Zo ja, over welke mogelijkheden beschikt het tuchtrecht de rol van dergelijke advocaten te onderzoeken en desnoods tot de orde te roepen? Zo nee, waarom niet?

Vraag 5

Hoe en door wie kan een deken «buiten het geval van een klacht» op de hoogte worden gebracht van «bezwaren tegen een advocaat» zoals bedoeld in artikel 46f van de Advocatenwet? Kan een rechter, een journalist, een politicus of enige andere burger de deken hiervan op de hoogte brengen en welke formaliteiten zijn daarvoor nodig?

Vraag 6

Hoe vaak komt het voor dat de deken die «buiten het geval van een klacht op de hoogte is gebracht van bezwaren tegen een advocaat, [...] deze ter kennis van de raad van discipline» brengt ex artikel 46f van de Advocatenwet?

Vraag 7

Deelt u de mening dat het zelfreinigend vermogen van de advocatuur ook vereist dat er vanuit de advocatuur proactief wordt opgetreden tegen advocaten die zich niet aan de regels houden of waartegen andere bezwaren gemaakt kunnen worden? Zo ja, is het zelfreinigend vermogen van de advocatuur daarop ingesteld en waaruit blijkt dat? Zo nee, waarom niet?

Vraag 8

Is of wordt de rol van de twee advocaten in het genoemde kort geding onderzocht? Zo ja, wat is de stand van zaken? Zo nee, waarom niet?

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF