Snorder: daadwerkelijke betaling van de ritprijs is niet vereist

Gerechtshof Amsterdam 8 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3319

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 28 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een auto taxivervoer heeft verricht zonder een daartoe door Onze Minister verleende vergunning.

Bespreking van de gevoerde verweren

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte de Nederlandse taal niet machtig is. Derhalve is het onvoorstelbaar dat de verbalisanten hebben geverbaliseerd dat de verdachte hen om geld heeft gevraagd voor het door hem verrichte vervoer. Daarnaast heeft de raadsman een beroep gedaan op de uitzonderingsbepaling van artikel 2, vijfde lid, van de Wet Personenvervoer 2000. In dit artikel is bepaald dat de wet niet van toepassing is op vervoer van personen per auto, anders dan openbaar vervoer, indien de som van de betalingen voor dat vervoer de kosten van de auto en eventuele bijkomende kosten voor dat vervoer niet te boven gaat, tenzij dit wordt verricht in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De raadsman concludeert dat er geen ritprijs is betaald en dat de verdachte ten onrechte is veroordeeld.

Het hof constateert dat in het dossier onder andere is opgenomen een proces-verbaal van bevindingen van 28 mei 2015 opgemaakt door de verbalisanten die door de verdachte zijn vervoerd en een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 28 mei 2015. In beide gevallen is met de verdachte gecommuniceerd zonder bijstand van een tolk. Uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verdachte aan de verbalisanten heeft gevraagd “waarheen?” en dat hij na het bereiken van de bestemming en nadat de verbalisanten waren uitgestapt aan hen vroeg: “krijg ik niets van jullie?”. Op de vraag van de verbalisanten wat hij wilde hebben antwoordde de verdachte “ik wil geld hebben van jullie, vijf euro”. Uit niets kan worden afgeleid dat de verdachte de Nederlandse taal niet voldoende machtig was. Op het politiebureau is de verdachte vervolgens zonder bijstand van een tolk gehoord. Uit dit proces-verbaal blijkt evenmin dat de verdachte de in het Nederlands gestelde vragen niet heeft begrepen. Integendeel, hij geeft concrete op de vraag toegespitste antwoorden en licht zijn antwoorden adequaat toe waar nodig. Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de bij ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Het hof gaat derhalve uit van de feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit het proces-verbaal van bevindingen van 28 mei 2015.

Voor zover de raadsman het verweer heeft willen voeren dat de Wet personenvervoer 2000 niet van toepassing is omdat er geen ritprijs is betaald, overweegt het hof het volgende. Voor de toepasselijkheid van artikel 76 Wet personenvervoer 2000 is van belang of de opzet van de vervoerder van tevoren was gericht op het tegen betaling verrichten van personenvervoer, niet zijnde het openbaar vervoer, terwijl hij hier geen vergunning voor had. De vraag of al dan niet daadwerkelijk is betaald voor het vervoer, is bij de beoordeling of artikel 76 Wet personenvervoer 2000 is overtreden niet relevant. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 28 mei 2015 blijkt dat de verdachte door het afgeven van duidelijke signalen het initiatief heeft genomen om verbalisanten tegen betaling met zijn auto te vervoeren. Dat de verbalisanten niet op het betalingsvoorstel van de verdachte zijn ingegaan, laat onverlet dat het oogmerk van de verdachte was gericht op het verkrijgen van vijf euro voor de verrichte rit.

Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat de uitzonderingsbepaling van artikel 2, vijfde lid, van de Wet Personenvervoer 2000 van toepassing is, overweegt het hof als volgt. Uit de memorie van toelichting bij deze wet volgt dat het huidige vijfde lid van voornoemd artikel is bedoeld om het zogenaamde carpoolen, met vrienden of collega's van het werk, niet onder de werking van de wet te brengen. Nu het handelen van de verdachte was gericht op het tegen betaling vervoeren van onbekenden met zijn personenauto – en dus geenszins sprake was van een ‘vriendendienst/carpoolen’ – is geen sprake van toepasselijkheid van de bedoelde uitzonderingsbepaling.

De verweren van de raadsman worden verworpen.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000. 

Strafoplegging

Geldboete van € 1.500 waarvan € 750 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF