Slagende middelen over afwijzing getuigenverzoeken

Hoge Raad 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2783

Verdachte is bij arrest van 3 mei 2013 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van 240 uren wegens medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Verdachte heeft ontkend dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De verdediging wenste in dat kader betrokkenen 1-17 als getuigen te horen.

De raadsvrouw voegt ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2013 hieraan toe:

"Het vonnis is niet begrijpelijk. De rechtbank heeft de eis van de officier van justitie overgenomen, ondanks mijn pleidooi. Mijn cliënte heeft jarenlang haar salaris voor haar werkzaamheden bij [A] contant ontvangen. Dit is keurig bijgehouden door de boekhouder en opgegeven bij de belastingdienst.

Ik vind het voor de overtuiging van belang dat alle getuigen worden gehoord. De rechtbank heeft mijn cliënte niet geloofd. Mijn cliënte heeft verklaard dat zij er niet van op de hoogte was dat [betrokkene 1] zich bezig hield met hennephandel. Ze dacht dat hij in de autobranche zat. [betrokkene 1] stortte geld op haar rekening en nu wordt het mijn cliënte verweten dat zij het geld heeft witgewassen. Ten onrechte mijns inziens. Het verzoek onder de punten 4, 6, 9 en 17 handhaaf ik niet."

Het hof trekt zich terug voor beraad.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

  • dat de verzoeken tot het horen van de in de pleitnota onder punten 1 tot en met 17 genoemde getuigen van de raadsvrouw tijdig zijn ingediend bij appelschriftuur, zodat de verzoeken in beginsel dienen te worden getoetst aan het verdedigingsbelang. Dit is anders ten aanzien van de verzoeken tot het horen van de in de pleitnota onder punt 18, 19 en 20 genoemde getuigen. Het horen van deze getuigen is niet bij appelschriftuur gevraagd. Voor de beslissing op deze verzoeken wordt het noodzakelijkheidscriterium gehanteerd;
  • dat met inachtneming van het voorgaande de beslissing van het hof als volgt is: ten aanzien van de verzoeken tot het horen van de in de pleitnota onder de punten 1 tot en met 16 - met uitzondering van de verzoeken onder de nummers 4, 6 en 9 - is het belang van de verdediging bij het horen van de getuigen onvoldoende duidelijk gemaakt. De raadsvrouw heeft ook niet voldoende onderbouwd wat het verband is tussen verzoeken en de tenlastegelegde feiten. De verzoeken worden afgewezen; de verzoeken tot het horen van de in de pleitnota onder punt 18, 19 en 20 genoemde getuigen worden afgewezen. Het hof acht het horen van deze getuigen niet noodzakelijk en door de raadsvrouw is onvoldoende onderbouwd wat de noodzaak zou kunnen zijn.

Het naar aanleiding van de terechtzitting van 19 april 2013 gewezen arrest van het Hof houdt omtrent die verzoeken het volgende in: "De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep terzake diverse elementen en bestanddelen van de tenlastelegging, een groot aantal (voorwaardelijke) verzoeken gedaan tot het horen van getuige, met betrekking tot welke getuigen het hof reeds eerder heeft beslist.

Het hof wijst al deze verzoeken af, nu het -op al die onderdelen- geen noodzaak ziet tot het horen van deze getuigen."

Mr. M.L. Plas, advocaat te Bunnik, heeft namens verdachte acht middelen van cassatie voorgesteld.

Eerste en tweede middel

De middelen klagen over de afwijzing van de op de terechtzittingen in hoger beroep van 1 februari 2013 en 19 april 2013 door de verdediging gedane verzoeken tot het horen van getuigen.

Beoordeling Hoge Raad

Het arrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, houdt omtrent de beoordeling van cassatieklachten over de motivering van de beslissing inzake een verzoek tot het oproepen en horen van getuigen onder meer het volgende in:

"2.76. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (...) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan (...)"

Deze afwijzing van de verzoeken tot het horen van getuigen door het Hof ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2013 en in de bestreden uitspraak - bij welke beslissingen het Hof steeds de juiste maatstaf heeft toegepast - is, gelet op hetgeen aan die verzoeken ten grondslag is gelegd en de stadia waarin ze zijn gedaan, zonder nadere, doch ontbrekende motivering niet begrijpelijk. De middelen slagen.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF