Slagende bewijsklacht medeplegen. HR herhaalt relevante overwegingen.

Hoge Raad 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2860 Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, heeft bij vonnis van 24 juni 2014 het vonnis van het Gerecht in eerst aanleg onder aanvulling van de bewijsmiddelen bevestigd waarbij verdachte onder meer wegens feit 1 onder parketnummer 500.00737/13 diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijker te maken, is veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen van het Gerecht in eerste aanleg, die het hof heeft overgenomen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte (pagina 31), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 4 juni 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 1], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende, als verklaring van [slachtoffer 1] e/v [slachtoffer 2]. - zakelijk weergegeven-:

Op maandag 3 juni 2013 omstreeks 2:30 uur hoorde ik, verbalisant, aangeefster. Hierna verklaarde de aangeefster:

Ik lag te slapen en voelde dat mijn man opstond. Ik hoorde een stem die zei: blijf stil. Dader 1 eiste van mij om hem geld en goud te geven. Ik antwoordde hem dat ik niks had. Op dat moment werd ik door hun met de kabel van de iPad vastgebonden. Door mijn angst zou ik niet kunnen vertellen door wie ik werd vastgebonden. Dader 1 eiste van mij om mijn trouwring te geven. Ik gaf de dader aan dat ik alleen met water en zeep de trouwring kon verwijderen. Op dat moment trok de dader mijn hand en draaide de ring eruit. Ik schreeuwde en begon te huilen doordat het pijn deed. Ik kon horen dat zij bezig waren mijn hele huis te doorzoeken. Het duurde ongeveer 15 a 20 minuten voordat het weer stil in huis was.

2. Een proces-verbaal van aangifte (pagina 34), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 4 juni 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 1], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende, als verklaring van [slachtoffer 2]. -zakelijk weergegeven-:

Op maandag 3 juni 2013 omstreeks 3:30 uur hoorde ik, verbalisant, aangever.

Hierna verklaarde de aangever:

Ik lag te slapen toen ik hoorde dat het huisalarm afging. Voordat ik de kans kreeg om de slaapkamerdeur te openen hoorde ik een harde klap en de slaapkamerdeur ging open. In de deuropening zag ik een onbekende man met een vuurwapen in zijn hand. Ik hoorde dat deze man met luide stem zei: blijf rustig en niets zal gebeuren. Wij hebben geen werk en wij hebben kinderen om te alimenteren. Op dat moment zag ik dader 2 en die zei schiet hem schiet hem. Dader 1 antwoordde hoeft niet doe wat je moet doen. Dader 1 nam mij beet terwijl hij het vuurwapen tegen mijn hoofd duwde en vorderde van mij om het alarm uit te schakelen. Daarna werd ik onder bedreiging weer naar de slaapkamer gebracht. Hier binnen eiste dader 1 van mij om op het bed te gaan liggen met mijn hoofd naar beneden zodat ik niets kon zien. Ik voelde op dat moment dat ik met iets werd vastgebonden. Ik kon horen dat er met spullen werd gegooid. Terwijl de daders bezig waren zeiden ze met luide stem we willen goud en geld. Het duurde ongeveer 15 a 20 minuten voordat het stil in huis werd.

Omschrijving weggenomen: Flatscreen “32”, Mini iPad Apple, twee ringvingers, armband, halsketting, manchetknoppen, dasspeld, twee ringvingers en een portemonnee inhoudende bankpas, SVB kaart, ponsplaat, Fun Miles kaart, identiteitsbewijs, rijbewijs en ongeveer 95,- gulden.

3. Een proces-verbaal (pagina 247) van aanvullende aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 6 juni 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 1], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende, als verklaring van [slachtoffer 1] e/v [slachtoffer 2]. -zakelijk weergegeven-:

De daders hebben ook een glazen pot bevattende internationale muntstukken ontvreemd. Verder lag ook in bedoelde pot diverse internationale bankbiljetten. Het waren onder ander bankbiljetten van Aruba, Costa Rica en andere bankbiljetten van Zuid-Amerikaanse landen.

4. Een proces-verbaal van bevinding (pagina 232), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 8 juni 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 6], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende, als relaas van die verbalisant, -zakelijk weergegeven-:

Op 3 juni 2013 werd de vluchtauto, zijnde een grijze Nissan Sunny in beslag genomen.

5. Een proces-verbaal (pagina 447), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 15 augustus 2013 gesloten en getekend door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende, als relaas van die verbalisanten, -zakelijk weergegeven-:

Tijdens het forensisch sporenonderzoek aan de vluchtauto van het merk Nissan Sunny werd onder andere het navolgende aangetroffen en veiliggesteld:

  • Een lichtblauw T-shirt aangetroffen op de vloermat voor de zitplaats van de mede inzittende en werd voorzien van SIN-nummer AAAG9288NL.
  • Op het onderste gedeelte van de rechter deuropening van de vluchtauto werd naast de zitplaats van de mede inzittende ter hoogte van de regeling stand van de leuning was een bloedspoor waarneembaar. Dit bloedspoor werd bemonsterd en verzegeld met SIN-nummer AAAG9295NL.

6. Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Nederland, op 30 december 2013 opgemaakt en ondertekend door ir. H.J.T. Jansen, voor zover inhoudende, als bevindingen van genoemde deskundige, -zakelijk weergegeven-:

In deze zaak zijn een onderzoek naar biologische sporen en een DNA-onderzoek uitgevoerd. SIN AAAG9288NL#01, #02 en 03 (dragersporen respectievelijk bloedsporen T-shirt) kan afkomstig zijn van [verdachte], matchkans DNA-profiel kleiner dan één op één miljard. SIN AAAG9295NL#01 (bemonstering met bloed) kan afkomstig zijn van [verdachte], matchkans DNA-profiel kleiner dan één op één miljard.”

 

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 500.00737/13 onder 1 tenlastegelegde "medeplegen" niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Beoordeling Hoge Raad

In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte het feit "tezamen en in vereniging met anderen" heeft gepleegd, kan niet zonder meer worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen. De bestreden uitspraak is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel klaagt daarover terecht.

In zijn arrest van 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960, NJ 2013/383, heeft de Hoge Raad overwogen dat in gevallen waarin niet alle onderdelen van de bewezenverklaring kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, het verhandelde ter terechtzitting - waaronder begrepen de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht - onder omstandigheden aanleiding kan zijn voor het oordeel dat een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering, en dat in dergelijke gevallen zo een klacht met toepassing van art. 81, eerste lid, RO kan worden afgedaan of, indien het beroep in cassatie uitsluitend deze klacht bevat, met toepassing van art. 80a RO.

De Hoge Raad is van oordeel dat zo een geval zich hier niet voordoet. Voor een onderzoek naar de bewijsbaarheid van het tenlastegelegde - met inbegrip van de daarmee samenhangende waarderingen van feitelijke aard - als door de Advocaat-Generaal blijkens haar conclusie onder 9 en 10 is verricht, is in cassatie geen plaats.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF