Verdachte veroordeeld tot jaar gevangenisstraf voor vrijheidsberoving, bedreiging en mishandeling van een Zwitserse bankier

Gerechtshof Den Haag 26 september 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3641

Essentie

De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer op 1 april 2004 onder valse voorwendselen naar een kantoor in Den Haag gelokt in verband met een zakelijk geschil. In dit kantoor is het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd, mishandeld, bedreigd en gedwongen tot het tekenen van stukken in verband met het zakelijk geschil.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

Gebruik van de verklaringen van aangever

Door de raadslieden is betoogd dat de verklaringen van aangever zonder nader verhoor niet voor het bewijs mogen worden gebezigd nu de verdediging niet ten volle haar ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen. Er is sprake geweest van significante en op niet valide redenen gebaseerde ongecompenseerde beperkingen van het ondervragingsrecht welke onverenigbaar zijn met de waarborgen van artikel 6 van het EVRM. Zonder de verklaringen van aangever is een veroordeling van de verdachte niet mogelijk en daarom dient de verdachte te worden vrijgesproken. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangever over de gebeurtenissen op 1 april 2004 onbetrouwbaar zijn, nu aangever daarover wisselend heeft verklaard; ook over de bancaire voorgeschiedenis van het zakelijke geschil tussen de verdachte en aangever.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Aangever is in eerste aanleg zowel bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag als ter terechtzitting in eerste aanleg in het bijzijn van de verdediging als getuige gehoord. De verdediging is dan ook ruimschoots in de gelegenheid geweest om vragen aan de getuige te stellen over de gebeurtenissen vermeld in de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. De verdediging is daarmee naar het oordeel van het hof voldoende in de gelegenheid geweest om de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever te toetsen. Het enkele feit dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de getuige te ondervragen over een bancaire kwestie waarbij de verdachte en de getuige betrokken zouden zijn geweest, maakt dat onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof niet anders. In dit verband is van belang dat op basis van de zich in het dossier van de verdachte bevindende bewijsmiddelen naar het oordeel van het hof wel vast staat dat er sprake is geweest van een zakelijk geschil tussen beiden. Er is naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden geen sprake van een schending van artikel 6 van het EVRM als door de verdediging bepleit en het verweer wordt mitsdien verworpen.

Op vragen met betrekking tot de dragende onderdelen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten, is door aangever steeds - ook bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg - naar het oordeel van het hof consistent verklaard. Nu verklaringen van aangever op belangrijke onderdelen steun vinden in andere gebezigde bewijsmiddelen, zijn bedoelde verklaringen naar het oordeel van het hof betrouwbaar en zal het hof die verklaringen van aangever voor het bewijs bezigen. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Tapgesprekken uit dossiers onderzoek 1/onderzoek 2

De raadslieden hebben bepleit – verkort en zakelijk weergegeven- dat de zich in het onderhavige dossier Saur bevindende verslagen van afgeluisterde telefoongesprekken die afkomstig zijn uit de voornoemde onderzoeken onderzoek 1 en onderzoek 2 van het bewijs dienen te worden uitgesloten, nu de verdediging onvoldoende gelegenheid heeft gehad deze gesprekken op waarde te schatten. Hierdoor is het beginsel van de ‘equality of arms’ ernstig geschonden.

Op grond van de genoemde verslagen kunnen overigens diverse alternatieve scenario’s – zoals nader omschreven in de pleitnotities - in het voordeel van de verdachte worden geschetst.

Het hof overweegt te dien aanzien dat naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep een schending van het beginsel van de ‘equality of arms’ in de zaak van de verdachte niet aannemelijk is geworden. De verdediging heeft de gelegenheid gekregen om de genoemde stukken in te zien en heeft op basis daarvan een alternatief scenario bepleit. Naar het oordeel van het hof is de verdachte onder de gegeven omstandigheden dan ook niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad en wordt het verweer mitsdien verworpen.

Naar het oordeel van het hof zijn de door de raadslieden geschetste alternatieve scenario’s - gelet op de inhoud van de gebezigde wettige bewijsmiddelen – niet aannemelijk geworden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Zie ook:

Bob Sijthoff krijgt jaar cel in hoger beroep, Quote

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF