Schending art. 38 Sv en art. 6 EVRM nu verdachte voorafgaand aan zijn verhoor bij de politie zijn voorkeursadvocaat niet heeft kunnen consulteren?

Hoge Raad 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:78

De verdachte is bij arrest van 28 december 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van het voorarrest.

Het Hof heeft de door de raadsman van de verdachte gevoerde verweren, voor zover in cassatie van belang, als volgt samengevat en verworpen:

"Verweren

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de volgende verweren gevoerd:

1. Er sprake is van een schending van artikel 38 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, nu de verdachte voorafgaande aan zijn verhoor bij de politie geen consult heeft gehad met zijn voorkeursadvocaat. Deze schending en het nadeel dat de verdachte daarvan heeft ondervonden dient verdisconteerd te worden in de straf(maat);

(...)

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ad 1.

Voor zover de raadsman met zijn betoog een beroep heeft willen doen op de zogenaamde "Salduz-jurisprudentie" stelt het hof vast dat het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte (pag. 13) blijkt dat de verdachte voorafgaande aan zijn verhoor bij de politie overleg heeft gevoerd met een advocaat en dat er derhalve geen sprake is van een schending van het consultatierecht van de verdachte. Dat deze advocaat niet zijn voorkeursadvocaat was, maakt dat niet anders en leidt in elk geval niet tot de conclusie dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het hof verwerpt het verweer."

Middel

Het eerste middel klaagt dat het hof bij de verwerping van een in hoger beroep gevoerd verweer, dat er sprake is geweest van schending van art. 38 Sv en art. 6 EVRM, omdat de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor bij de politie zijn voorkeursadvocaat niet heeft kunnen consulteren, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting c.q. deze verwerping onvoldoende dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Hierbij wordt een beroep gedaan op de uitspraak van het EHRM (Grote Kamer) 25 oktober 2015, Dvorski v. Kroatië, no. 25703/11, waarin het EHRM een schending van art. 6 lid 1 en 3 onder c EVRM heeft aangenomen vanwege – kort gezegd – de omstandigheid dat de politie Dvorski niet in de gelegenheid had gesteld zijn eigen advocaat te kiezen.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de overwegingen van het Hof, hield het in het middel bedoelde verweer in dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv en dat zulks tot strafvermindering dient te leiden. Reeds omdat uit niets blijkt dat bij de behandeling van de zaak door of namens de verdachte iets is aangevoerd over het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel, had het Hof het verweer slechts kunnen verwerpen.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF