Salduz-verweer gehonoreerd: Geen bijzondere omstandigheden die maken dat het enkele niet tijdig op het politiebureau verschijnen van raadsman mag leiden tot beperking van consultatierecht

Gerechtshof Den Haag 6 mei 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1537

Verdenking

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 5 februari 2013 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, een computer heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die computer, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Consultatierecht

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de eerste verklaring die de verdachte op 5 februari 2013 te 16.10 uur bij de politie heeft afgelegd van het bewijs dient te worden uitgesloten, omdat de politie met het verhoor is aangevangen voordat de verdachte een advocaat had kunnen consulteren. Het hof heeft zich over een dergelijke situatie al eerder uitgesproken in een arrest van 18 maart 2013 (LJN BZ4352). Uitgaande van dat arrest kan alleen onder bijzondere omstandigheden een aanvang worden genomen met het verhoor zonder dat de consultatie heeft plaatsgevonden. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Aan het consultatierecht is door het OM met ingang van april 2010 invulling gegeven in de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor van het College van procureurs-generaal. Blijkens het proces-verbaal van aanhouding heeft de politie de zaak van de verdachte aangemerkt als een in de Aanwijzing gecategoriseerde B-zaak.

De Aanwijzing bevat voor zover relevant de volgende voorschriften.

“De komst van de raadsman

Bij A- en B-zaken zorgen, onder verantwoordelijkheid van de Raad voor Rechtsbijstand, de piketcentrales ervoor dat raadslieden worden opgeroepen om consultatiebijstand te verlenen. Indien de komst van een raadsman voor het verlenen van consultatiebijstand gewenst is, meldt de politie dit dan ook zo spoedig mogelijk na de aanhouding van de verdachte aan de piketcentrale. De politie legt het tijdstip van de melding aan de piketcentrale vast in een proces-verbaal. De raadsman dient vervolgens binnen twee uur nadat de melding aan de piketcentrale heeft plaatsgevonden, op het politiebureau aanwezig te zijn om de verdachte consultatiebijstand te verlenen. (…)

Als de verdachte in A- en B-zaken consultatiebijstand wil ontvangen van een gekozen en door hemzelf betaalde raadsman, meldt de politie dat aan die raadsman. De politie kan dat slechts doen als de verdachte over voldoende gegevens beschikt om die raadsman te kunnen bereiken. Als de gekozen raadsman niet direct bereikt kan worden of deze aangeeft niet binnen twee uur op het politiebureau te kunnen zijn, doet de politie vervolgens direct een melding aan de piketcentrale. Vanaf die melding geldt de termijn van twee uur voor de komst van de raadsman. (…)

Gedurende de periode van twee uur na de melding wordt de komst van de raadsman op het politiebureau afgewacht en zal, behoudens in noodgevallen (…), niet worden aangevangen met het verhoor van de verdachte.”

Ten behoeve van de praktische uitwerking van de Aanwijzing is de zogeheten piketregeling voor het ressort Den Haag in 2010 aangepast.

Voorop staat dat de verdachte, mede in relatie tot de Aanwijzing, na haar aanhouding recht had op consultatie van een raadsman voordat zij door de politie werd verhoord.

De volgende gang van zaken blijkt uit het dossier en is niet betwist. In het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte staat vermeld dat zij na haar aanhouding op 5 februari 2013 heeft opgegeven een gekozen advocaat te willen consulteren, te weten [naam advocaat] uit Utrecht. Vervolgens is om 13.16 uur de piketcentrale hierover ingelicht. In het Meldingsformulier consultatiebijstand staat vermeld dat het een voorkeursadvocaat betreft. In het proces-verbaal van verhoor staat vermeld dat er binnen twee uur na de genoemde melding geen advocaat op het politiebureau is verschenen en dat de hulpofficier van justitie opdracht heeft gegeven om op 16.10 uur met het verhoor aan te vangen. Voorafgaand aan het verhoor is door de politie aan de verdachte meegedeeld dat haar advocaat er al had moeten zijn en dat de verbalisanten, ook al had de verdachte geen advocaat gesproken, toch een verhoor gingen afnemen. Voorts staat in het proces-verbaal vermeld: “U zult op een later tijdstip moeten praten met de advocaat.” De verdachte heeft vervolgens – nadat zij op haar zwijgrecht was gewezen - de door de raadsman gewraakte verklaring afgelegd.

Gelet op het voorgaande, is het tijdig kunnen consulteren door de verdachte van een raadsman niet gerealiseerd.

Evenals in het door de raadsman geciteerde arrest ziet het hof zich thans gesteld voor de vraag of het enkele niet tijdig op het politiebureau verschijnen van een raadsman kan leiden tot een beperking van het consultatierecht van de aangehouden verdachte.

In deze zaak werd de verdachte, zoals blijkt uit het gewraakte proces-verbaal, door de politie geconfronteerd met het voldongen feit dat de raadsman er al had moeten zijn en dat het verhoor daarom gewoon door ging zonder raadsman. In het dossier staat voorts niet vermeld of de politie contact heeft gehad met de gekozen dan wel voorkeursadvocaat en/of de piketcentrale over het wegblijven van de advocaat. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van het hof is in opdracht van de hulpofficier van justitie een verhoor afgenomen terwijl dat in strijd was met het consultatierecht zoals nader uitgewerkt in de Aanwijzing en de piketregeling. De omstandigheid dat zich niet tijdig een raadsman meldt doet in beginsel geen afbreuk aan het recht van een aangehouden verdachte om voorafgaande aan het eerste politieverhoor een raadsman te consulteren.

Genoemd beginsel zou wellicht uitzondering kunnen leiden als er sprake is van bijzondere, ook aan de verdachte toe te rekenen, omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Dat de verdachte alvorens met het gewraakte verhoor te beginnen (nogmaals) is gewezen op haar zwijgrecht beschouwt het hof niet als zo’n omstandigheid.

Voorts wordt overwogen dat de piketregeling het volgende voorschrift bevat. “Als de verdachte vraagt om een voorkeursadvocaat belt de piketcentrale de voorkeursadvocaat, namelijk degene die is aangegeven in het meldbericht vanuit de politie. Reageert deze niet binnen 20 minuten, dan wordt de dienstdoende piketadvocaat benaderd.

In het midden kan blijven – omdat in het proces-verbaal daarover niets staat vermeld – of de raadsman in het geheel niet heeft gereageerd of vervolgens om enige reden niet (tijdig) is op komen dagen. Nu de raadsman zelfs na drie uur wachten niet was verschenen, lag het, mede in het licht van de Aanwijzing en het geciteerde voorschrift uit de piketregeling, in de rede dat aan de verdachte tenminste de gelegenheid werd geboden om gebruik te maken van een piketadvocaat. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat aan de verdachte die gelegenheid is geboden of dat er bijzondere omstandigheden waren om een dergelijk aanbod niet te doen.

Eén en ander leidt tot het oordeel dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Gelet op het fundamentele karakter van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, dient dit vormverzuim op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering tot gevolg te hebben dat de door de verdachte op 5 februari 2013 om 16.10 bij de politie afgelegde verklaring uitgesloten dient te worden van het bewijs.

Nu het gebruik van deze verklaring naar het oordeel van het hof onmisbaar is bij het samenstellen van een eventuele bewijsconstructie zal het hof de verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs vrijspreken van het tenlastegelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF