Redelijk vermoeden van schuld kan niet worden gebaseerd op enkel (concept)rapport Hoffmann Bedrijfsrecherche

Rechtbank Noord-Nederland 31 januari 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:463

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Het Openbaar Ministerie is vervolgingsdaden gaan verrichten op basis van een rapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche. Dit rapport staat bol van de aannames die het Openbaar Ministerie, naar mening van de verdediging, eerst had moeten onderzoeken alvorens er vervolgonderzoek zou plaatsvinden. Dit is niet gebeurd.

De verdenking van Hoffmann Bedrijfsrecherche is erop gebaseerd dat bedrijf 2, althans journalist, zou hebben geweten van een levering van 18 bakken met medische dossiers halverwege november aan bedrijf 1, een voorval op de werkvloer waarbij commotie ontstond over een röntgenfoto met hagelletsel, en het feit dat verdachte contacten had met bedrijf 2. Voornoemde omstandigheden zijn echter onvoldoende voor een redelijke verdenking tegen verdachte. Vanwege dit gebrek aan een redelijke verdenking tegen verdachte had op 4 maart 2015 geen vordering verstrekking gebruikersgegevens ex artikel 126na, lid 1 Sv mogen uitgaan en op 6 maart 2015 geen aanvraag vordering verstrekking verkeersgegevens vaste en mobiele telefonie ex artikel 126n Sv. De verkregen gegevens dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten. Alle daarop volgende onderzoeksresultaten dienen te worden aangemerkt als zogenaamde fruits of the poisonous tree. Alle onderzoeksresultaten die zijn gebaseerd op of verkregen naar aanleiding van deze onrechtmatig verkregen gegevens dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten. Zonder deze gegevens is er evident te weinig bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Reeds om deze reden wordt verzocht om vrijspraak.

Mocht de rechtbank niet reeds op basis van het voorgaande tot vrijspraak komen, dan is nog van belang dat verdachte geen toestemming heeft gegeven voor het onderzoeken van zijn mobiele telefoon. De verdachte komt ten aanzien van de inhoud van zijn smartphone een beroep op artikel 8 van het EVRM (en artikel 10 van de Grondwet) toe. De inbeslagname, het onderzoek aan de smartphone en het lichten van gegevens van die smartphone door de politie op grond van artikel 94 Sv vormen een inbreuk op de door artikel 8 EVRM verleende bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Er is daarmee sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Ook hier geldt dat bewijsuitsluiting het enige juiste gevolg is dat verbonden kan worden aan dit onrechtmatige handelen door de politie.

Met betrekking tot de uitlating van verdachte gedaan ten tijde van het terugbrengen van zijn computer, geldt dat hem voorafgaande aan deze uitlatingen niet de cautie was gegeven. Ook hiermee is een strafvorderlijk voorschrift geschonden en ook hierop kan volgens vaste rechtspraak geen andere consequentie volgen dan dat deze mededelingen van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Mocht de rechtbank de verdediging hierin niet volgen dan verzoekt de verdediging de rechtbank deze verbalisanten nader als getuigen te mogen horen.

Samenvattend concludeert de verdediging tot een vrijspraak als gevolg van bewijsuitsluitingen of het gat in het bewijs waar het gaat om de herkomst van de dossiers, die in samenhang of afzonderlijk beschouwt steeds tot datzelfde resultaat zouden leiden.
 

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Op 14 januari 2015 is door aangever namens bedrijf 1 aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking. Uit deze aangifte blijkt onder meer dat bedrijf 1 op 17 november 2014 een levering dossiers had ontvangen van bedrijf 3. bedrijf 3 had bedrijf 1 een opdracht gegeven om dossiers te sorteren. De dossiers waren afkomstig van het ziekenhuis en bestonden uit enveloppen met röntgenfoto's. De foto's moesten gescheiden worden van het papier. Op 13 januari 2015 werd aangever benaderd door getuige 2 van bedrijf 3. Deze was op zijn beurt benaderd door journalist, een verslaggever van bedrijf 2. journalist had een iPad bij zich en toonde getuige 2 foto's van een aantal dossiers. bedrijf 2 heeft op 13 januari 2015 een uitzending gewijd aan de dossiers. Uit de aangifte volgt dat er vanuit bedrijf 1 kennelijk vertrouwelijke dossiers gelekt zijn naar bedrijf 2.

Naar aanleiding van de aangifte is op 14 januari 2015 getuige 2, commercieel directeur bij bedrijf 3 door de politie als getuige gehoord. Getuige 2 heeft verklaard dat een journalist van bedrijf 2, journalist, op 13 januari 2015 contact met hem heeft gezocht. journalist vertelde dat hij in het bezit was van dossiers en röntgenfoto’s afkomstig van bedrijf 1. De verslaggever wilde zijn bron niet noemen.

Uit het conceptrapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche d.d. 18 februari 2015 blijkt dat Hoffmann in de periode 16 januari 2015 tot en met 11 februari 2015 in opdracht van bedrijf 1 onderzoek heeft gedaan naar diefstal of verduistering van medische dossiers.

In het onderzoek van Hoffman kwam onder meer aan de orde dat bedrijf 2 beschikte over specifieke informatie met betrekking tot 1) de levering half november door bedrijf 3 aan bedrijf 1 van 18 karren met medische dossiers, 2) een voorval waarbij op de werkvloer commotie ontstond over een röntgenfoto met het hagelletsel en 3) het fysiek beschikken over (in ieder geval) twee medische dossiers.

Uit het onderzoek van Hoffman blijkt dat de 18 karren met medische dossiers bij bedrijf 1 in ontvangst zijn genomen door verdachte in zijn functie als voorman van het magazijn. Voor zover bekend waren geen andere medewerkers van bedrijf 1 op de hoogte van deze specifieke informatie over de aflevering van het aantal van 18 karren.

Bij de verwerking van de dossiers bij bedrijf 1, in de tweede helft van november 2014, ontstond commotie op de inpakafdeling over de röntgenfoto met hagelletsel. Een en ander is als een ‘lopend vuurtje’ op de werkvloer rondgegaan. De kwestie werd dus bij een ruime kring van personen bekend.

Uit het onderzoek van Hoffman blijkt voorts dat de heer verdachte contacten had met personen binnen bedrijf 2, onder meer als gevolg van het organiseren van krachtsportevenementen en zijn medewerking aan een nieuwsitem over een verzamelhobby. Er kwamen geen andere personen naar voren die directe contacten hadden met bedrijf 2.

Hoffmann schetst vervolgens het scenario dat verdachte de informatie kan hebben doorgespeeld naar bedrijf 2 omdat verdachte op de hoogte was van het feit dat er half november 18 karren met medische dossiers waren geleverd, wetenschap had van de wijze van verwerking van de medische dossiers en wist van de commotie die over de röntgenfoto met hagelletsel was ontstaan. Bovendien, zo schetst Hoffman, had verdachte connecties binnen bedrijf 2 en kon hij als voorman van het magazijn eenvoudig over de dossiers beschikken.

Door Hoffmann is uitvoerig met verdachte gesproken. In dat gesprek ontkende verdachte dat hij de persoon was die de informatie had doorgespeeld naar bedrijf 2.

De conclusie van Hoffmann is dat tijdens het onderzoek niet bekend is geworden wie de informatie heeft doorgespeeld naar bedrijf 2.

Bovengenoemde onderzoeksresultaten, neergelegd in een niet ondertekend conceptrapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche, waren voor het Openbaar Ministerie aanleiding om verdachte als verdachte aan te merken. Op grond van deze verdenking zijn op 6 maart 2015 bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet door de officier van justitie en is verdachte op grond van de aldus verkregen onderzoeksresultaten op 24 maart 2015 buiten heterdaad aangehouden en diezelfde dag in verzekering gesteld. Op diezelfde dag zijn de telefoon en de computer van verdachte in beslag genomen en onderzocht.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 27 Sv volgt dat, voordat de vervolging is aangevangen, als 'verdachte' kan worden aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een 'redelijk vermoeden van schuld' aan een strafbaar feit voortvloeit. De rechtbank dient thans te beoordelen of in casu ten aanzien van verdachte sprake kon zijn geweest van een 'redelijk vermoeden van schuld' aan een strafbaar feit.

Uit de geschetste gang van zaken blijkt dat de politie het redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte, zonder enige toetsing of nader onderzoek naar de betrouwbaarheid, heeft gebaseerd op voornoemd conceptrapport van Hoffmann. De officier van justitie heeft ter terechtzitting in dit verband desgevraagd nog verklaard dat er tijdens het door Hoffmann uitgevoerde onderzoek door politie en/of justitie geen onderzoekshandelingen zijn gepleegd Hoewel de vraag of opsporingsfunctionarissen een 'redelijk vermoeden' mochten koesteren door de rechter slechts marginaal kan worden getoetst, kan naar het oordeel van de rechtbank hetgeen in de onderhavige zaak ten grondslag heeft gelegen aan de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 126n Sv, die toets niet doorstaan. Dit leidt ertoe dat al hetgeen naar aanleiding hiervan is verkregen van het bewijs dient te worden uitgesloten. Hetgeen resteert is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF