Rb veroordeelt verdachte wegens fraude met belastingaangiftes door als belastingadviseur onjuiste/ onvolledige aangiftes te doen voor zichzelf en cliënten

Rechtbank Overijssel 17 februari 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:735

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het doen van een onjuiste aangifte voor de inkomstenbelasting en meerdere onjuiste aangiften omzetbelasting, alle betrekking hebbend op hemzelf en zijn eenmanszaak [bedrijf verdachte]. Ook heeft verdachte niet voldaan aan de op hem rustende administratieplicht. Daarnaast heeft verdachte voor anderen meerdere onjuiste aangiften omzetbelasting ingediend. Met de bewezenverklaarde feiten is een belastingnadeel gemoeid bij ongeveer € 180.000.

Verdenking

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een onjuiste of onvolledige aangifte voor de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2007 heeft gedaan;

feit 2: de vennootschap onder firma [bedrijf verdachte] onjuiste of onvolledige aangiften voor de omzetbelasting over de maanden januari 2007 t/m september 2007 en over het vierde kwartaal van 2007 heeft gedaan, terwijl verdachte leiding heeft gegeven aan die gedraging;

feit 3: onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting over het vierde kwartaal 2007 en het eerste t/m vierde kwartaal 2008, ten name van de eenmanszaak [bedrijf verdachte], heeft gedaan;

feit 4: voor de eenmanszaak [bedrijf verdachte] over 2007 en 2008 geen administratie heeft gevoerd overeenkomstig de bij de Belastingwet gestelde eisen;

feit 5: aangiften omzetbelasting over de maanden maart 2007 t/m september 2007, ten name van [betrokkene 1], valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst;

feit 6: al dan niet samen met een ander onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting over het tweede t/m het vierde kwartaal 2008 en het eerste kwartaal 2009, ten name van [betrokkene 2] ([bedrijf betrokkene 2]), heeft gedaan;

feit 7: onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting over de maanden februari 2007 t/m juli 2007 en september 2007 t/m december 2007, ten name van [betrokkene 3] ([bedrijf betrokkene 3]), heeft gedaan, dan wel die aangiften omzetbelasting heeft vervalst of valselijk heeft opgemaakt.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder de feiten 1 tot en met 6 en onder feit 7 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De verdediging heeft met betrekking tot het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde aangevoerd dat de vennootschap onder firma (verder: VOF) [bedrijf verdachte] met ingang van 1 januari 2007 is opgeheven en dat met ingang van deze datum de eenmanszaak [bedrijf verdachte] is gevestigd. Dat er op naam van de VOF een nihilaangifte is gedaan is volgens de verdediging dan ook niet onjuist. Verdachte dient dan ook integraal te worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat onder feit 2 ten laste is gelegd dat over het vierde kwartaal van 2007 onjuiste aangifte omzetbelasting is gedaan. De aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal is ingediend op 9 december 2008. Deze datum ligt buiten de onder feit 2 tenlastegelegde periode, zodat verdachte partieel vrijgesproken moet worden van het onder feit 2 tenlastegelegde.

Met betrekking tot het onder feit 5 ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. De verdediging stelt dat verdachte met [betrokkene 1] was overeengekomen om de aangiften te doen en om de teruggaven op de rekening van verdachte te laten uitbetalen ter vereffening van een schuld. Volgens de verdediging is de verdenking die tegen verdachte bestaat gebaseerd op de, op zichzelf staande, verklaring van [betrokkene 1].

Met betrekking tot het onder feit 6 ten laste gelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdacht moet worden vrijgesproken omdat de door [betrokkene 2] afgelegde verklaring op essentiële onderdelen geen steun vindt in het dossier.

Met betrekking tot het onder feit 7 ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte van [betrokkene 4] creditnota’s heeft ontvangen met het verzoek deze in de aangiften te verwerken en dat dit reden is dat de definitieve aangiften afwijken van de conceptaangiften. Volgens de verdediging mocht verdachte uitgaan van de juistheid van de door [betrokkene 4] aangeleverde gegevens en heeft verdachte derhalve geen opzet gehad op het onjuist of onvolledig doen van de aangiften, zodat vrijspraak dient te volgen.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat de verklaring die verdachte – zonder dat hij op zijn zwijgrecht was gewezen – heeft afgelegd ten overstaan van de controle-ambtenaren van de Belastingdienst niet voor het bewijs gebruikt zal worden.

Met betrekking tot feit 1:

Verdachte heeft in zijn eerste verhoor bekend dat hij aangifte voor de inkomstenbelasting over 2007 moest doen, maar dat hij op dat moment geen onderliggende administratie had waarop hij de aangifte kon baseren en dat de aangifte onjuist is geweest. In een later verhoor heeft verdachte gesteld dat de aangiften niet door hem maar door [getuige 6], werkzaam bij [bedrijf getuige 7], zijn gedaan. Deze latere verklaring van verdachte wordt naar het oordeel van de rechtbank echter weerlegd door:

  • de verklaringen van de getuigen [getuige 7] en [getuige 6], die hebben verklaard niet verantwoordelijk te zijn de aangifte inkomstenbelasting over 2007 van verdachte, en
  • de (schriftelijke) verklaringen van de toenmalige werknemers van verdachte, [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 10], die verklaren dat verdachte zelf zijn aangiften voor de inkomstenbelasting invulde.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste is gelegd heeft begaan.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3:

De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat zij – gezien de tekst van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde, bezien in samenhang met het dossier – begrijpt dat het onder feit 2 ten laste gelegde betrekking heeft op de VOF [bedrijf verdachte] en het onder feit 3 ten laste gelegde betrekking heeft op de eenmanszaak [bedrijf verdachte].

feit 2:

Verdachte heeft in de periode van 1 januari 2004 tot en met 1 januari 2007 samen met zijn toenmalige partner de VOF [bedrijf verdachte] gedreven. Uit het dossier blijkt dat deze VOF per 1 januari 2007 is uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) en dat per dezelfde datum als eenmanszaak bij de KvK is ingeschreven de eenmanszaak [bedrijf verdachte]. De rechtbank stelt vast dat de VOF in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 ook feitelijk niet meer bestond en dat verdachte derhalve terecht over de maanden januari 2007 tot en met september 2007 en over het vierde kwartaal 2007 op naam van de VOF een nihilaangiften voor de omzetbelasting heeft gedaan. Verdachte wordt derhalve vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde.

feit 3:

Verdachte heeft in zijn eerste verhoor bekend dat met de aangiften omzetbelasting hetzelfde speelde als met de aangifte inkomstenbelasting over 2007. Hij heeft zomaar kostennota’s bij elkaar geraapt en in de aangiften omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2007 en het eerste tot en met het vierde kwartaal van 2008 vermeld, met als gevolg dat er schattingen/ fictieve bedragen in die aangiften omzetbelasting zijn opgenomen. Later heeft verdachte aangegeven dat [bedrijf getuige 7] tussen juni 2008 en december 2008 de administratie over het jaar 2007 voor zijn onderneming heeft gedaan en ook de aangiften omzetbelasting 2007/2008 heeft verzorgd. [getuige 6] heeft volgens verdachte de aangifte omzetbelasting over het eerste tot en met het vierde kwartaal van 2008 verzorgd en zijn ex-echtgenote [getuige 11] heeft de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2007 opgemaakt en verstuurd. De getuigen [getuige 7], [getuige 6] en [getuige 11] hebben echter verklaard dat zij niet betrokken zijn geweest bij het indienen van deze aangiften omzetbelasting. Daarnaast hebben de toenmalige werknemers van verdachte, [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 10], schriftelijk verklaard dat verdachte zelf zijn aangiften voor de omzetbelasting invulde. De latere ontkenning van verdachte wordt naar het oordeel van de rechtbank weerlegd door deze verklaringen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen aan hem onder feit 3 ten laste is gelegd heeft begaan.

Met betrekking tot feit 4:

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de verklaring van verdachte dat hij de administratie over de jaren 2007 en 2008 niet op orde had en dat de administratie een grote chaos was, wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan verdachte onder feit 4 ten laste is gelegd.

Met betrekking tot feit 5:

Op 4 juni 2003 is [betrokkene 1] ingeschreven bij de KvK als eigenaar van de eenmanszaak “[bedrijf betrokkene 1]”. In 2009 is de administratie van deze onderneming gecontroleerd door de Belastingdienst. Uit deze controle is naar voren gekomen dat [betrokkene 1] in 2004 haar bedrijfsactiviteiten feitelijk heeft gestaakt en dat er in het jaar 2007 geen investeringen zijn gedaan op grond waarvan recht zou bestaan op aftrek van voorbelasting. Verdachte heeft over de maanden maart 2007 tot en met september 2007 op naam van [betrokkene 1] elektronisch aangiften omzetbelasting ingediend die hebben geleid tot een teruggave van omzetbelasting van een bedrag van € 11.264,00. Op de aangifte is te lezen: Uw rekeningnummer voor teruggaaf [rekeningnummer]. Verdachte heeft verklaard dat hij deze aangiften omzetbelasting heeft ingediend en dat het rekeningnummer [rekeningnummer] zijn bankrekeningnummer is. [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij verdachte nooit opdracht heeft gegeven tot het doen van negatieve aangiften. Verdachte heeft met betrekking de vermelding van zijn bankrekeningnummer op de aangiften verklaard dat hij, omdat hij werkzaamheden voor [betrokkene 1] had verricht, nog geld van [betrokkene 1] te goed had en dat met [betrokkene 1] is afgesproken dat dit verrekend zou worden met de belastingteruggaven. Deze afspraak zou op schrift staan en verdachte heeft toegezegd deze schriftelijk verklaring te zullen overhandigen. De rechtbank stelt vast dat er tot op heden geen schriftelijke verklaring door verdachte is overgelegd. De rechtbank is niet gebleken van een schuld van [betrokkene 1] aan verdachte die rechtvaardigt dat er een bedrag van ongeveer € 11.000,00 op de bankrekening van verdachte zou moeten worden bijgeschreven.

Gelet op bovenstaande, in onderling samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van de aangiften omzetbelasting over de maanden maart 2007 tot en met september 2007 op naam van [betrokkene 1].

Met betrekking tot feit 6:

Verdachte wordt verweten dat hij op naam van [betrokkene 2] ([bedrijf betrokkene 2]) onjuiste of onvolledige aangiften voor de omzetbelasting over het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2008 en het eerste kwartaal van 2009 heeft gedaan. De verdenking tegen verdachte is gebaseerd op de verklaring die is afgelegd door [betrokkene 2]. Verdachte ontkent dat hij betrokken is geweest bij het doen van de aangiften omzetbelasting. De verklaring van [betrokkene 2] dat verdachte verantwoordelijk is voor het indienen van de aangiften wordt naar het oordeel van rechtbank onvoldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. Met name het door [betrokkene 2] opgenomen gesprek tussen [betrokkene 2] en verdachte is onvoldoende eenduidig om als ondersteunend bewijsmiddel te kunnen dienen.

Verdachte wordt vrijgesproken van het aan hem onder feit 6 ten laste gelegde.

Met betrekking tot feit 7 primair:

Ten laste is gelegd dat verdachte ten name van [betrokkene 3] ([bedrijf betrokkene 3]) onjuiste aangiften omzetbelasting over de maanden februari 2007 tot en met juli 2007 en september 2007 tot en met december 2007 heeft gedaan. Het onjuist doen van aangiften omzetbelasting betreft een kwaliteitsdelict, hetgeen betekent dat alleen degene die de kwaliteit heeft om de aangiften te doen het strafbare feit kan plegen. De rechtbank is uit het dossier gebleken dat [bedrijf betrokkene 3] een eenmanszaak is, die sedert 1 januari 2004 wordt gedreven door [betrokkene 3], zodat op haar de verplichting rustte om de aangiften omzetbelasting te doen. Weliswaar is het mogelijk dat verdachte als medepleger moet worden aangemerkt, maar naar het oordeel van de rechtbank is in het dossier geen bewijs aanwezig is dat verdachte de verweten gedragingen tezamen en in vereniging met [betrokkene 3] heeft gepleegd. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 7 primair ten laste is gelegd.

Met betrekking tot feit 7 subsidiair:

Verdachte heeft ten name [betrokkene 3] ([bedrijf betrokkene 3]) aangiften voor de omzetbelasting over de maanden februari 2007 tot en met juli 2007 en september 2007 tot en met december 2007 gedaan. Deze aangiften waren niet conform de door haar broer [betrokkene 5] aan verdachte ter hand gestelde conceptaangiften. Als verklaring voor het aanpassen van de aangiften heeft verdachte als reden gegeven dat [betrokkene 4], de vader van [betrokkene 3] en [betrokkene 5], tegen hem had verteld dat er sprake was van oninbare debiteuren of hogere kosten en dat [betrokkene 4] met creditnota’s bij hem was gekomen waaruit bleek dat de omzet lager was geweest dan in de conceptaangiften was vermeld. Er bevinden zich in het dossier – anders dan de verklaring van verdachte – geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er daadwerkelijk sprake is geweest van oninbare debiteuren, hogere kosten en creditnota’s. Zowel [betrokkene 5] als [betrokkene 3] hebben verklaard dat de conceptaangiften die aan verdachte zijn aangeleverd juist waren. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de op naam van [betrokkene 3] ingediende aangiften omzetbelasting onjuist zijn geweest.

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer dat verdachte nimmer de opzet heeft gehad op het doen van de onjuiste aangiften omzetbelasting overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte is fiscaal geschoold en is jarenlang als belastingadviseur werkzaam geweest. Met zijn kennis en ervaring had verdachte na moeten gaan of het door [betrokkene 4] met betrekking tot de oninbare debiteuren, de hogere kosten en de creditnota’s gestelde juist was, met name omdat de grootte van de bedragen van de beweerdelijke oninbare vorderingen en kosten vergeleken met de eerdere conceptaangiften van de gemaakte omzet een heel andere indruk wekt over de rentabiliteit van de bedrijfsactiviteiten. Het is op zijn minst bevreemdend te noemen als maand na maand blijkt dat de verzonden rekeningen van een onderneming bijna alle als oninbaar moeten worden aangemerkt en dat gemaakte omzet door oninbaarheid of hogere kosten elke maand opnieuw tot bijna nihil wordt gereduceerd. Door na te laten hierover serieuze vragen te stellen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans aanvaard dat door hem ingediende aangiften niet juist waren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het onder feit 7 subsidiair ten laste gelegde.

Conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 2, feit 6 en feit 7 primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Daarnaast is de rechtbank tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit 1, feit 3, feit 4, feit 5 en feit 7 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

feit 1 het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;

feit 3: het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

feit 4: het misdrijf: ingevolge de belastingwet verplicht zijnde een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen te voeren, een zodanige administratie niet voeren, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;

feit 5 en feit 7 subsidiair: telkens het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar met als bijzondere voorwaarde onder andere dat verdachte zich laat behandelen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF