Rb Overijssel: OM behoort bij sepotvoorstel de verdachte niet te vragen aanspraak op schadevergoeding weg te wuiven

Rechtbank Overijssel 23 november 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4629

Op 7 mei 2015 is er een bespreking geweest waarbij verzoeker, de officier van justitie en de toenmalige raadsvrouw van verzoeker, mr. Sitsen, aanwezig zijn geweest. Tijdens dat gesprek is gesproken over de afdoening van de zaak waarop het verzoekschrift betrekking heeft.

Naar aanleiding van dat gesprek heeft de officier van justitie in een brief aan de raadsvrouw van verzoeker van 26 juni 2015 medegedeeld dat hij geen aanleiding ziet om verzoeker als verdachte in te schrijven in het parketregister en dat hij hem niet verder zal vervolgen onder de voorwaarde dat hij afstand doet van de rechten die voortvloeien uit artikel 591a Sv. Daarop heeft mr. Sitsen bij brief van 7 juli 2015 gereageerd, in die zin dat verzoeker zich het recht wenst voor te behouden een vordering tot schadevergoeding ex artikel 591a Sv in te dienen en dat de raadsvrouw, bij het uitblijven van een reactie binnen tien dagen, ervan uitgaat dat de officier van justitie geen bewaar heeft tegen het indienen van een daartoe strekkend verzoekschrift. Daarop heeft de officier van justitie gereageerd, in die zin dat hij te kennen heeft gegeven dat er bezwaar bestond tegen dat voorstel, omdat verzoeker volgens het Openbaar Ministerie niet ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Vervolgens heeft mr. Kaarls de zaak overgenomen van mr. Sitsen en telefonisch contact gehad met de officier van justitie. Dat heeft geresulteerd in de brief van de officier van justitie van 2 november 2015 met het verzoek aan mr. Kaarls om te laten weten of het verzoekschrift tot schadevergoeding wordt gehandhaafd. Nadat mr. Kaarls de officier van justitie had laten weten dat het verzoekschrift gehandhaafd blijft, heeft de officier van justitie laten weten dat hij, gelet op de stand van zaken op dat moment, verzoeker zou dagvaarden ter zake valsheid in geschrift. Daardoor voelde verzoeker zich door de officier van justitie onder druk gezet, zulks terwijl er volgens verzoeker niet eens een begin is geweest van enige betrokkenheid van verzoeker bij een strafbaar feit.

Vervolgens is mr. Kaarls opnieuw met de officier van justitie in discussie gegaan over het aandeel van verdachte in het gebeuren. Mr. Kaarls heeft laten weten dat verzoeker op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de antedatering of vervalsing van enig document en dat hij part noch deel heeft gehad aan enig strafbaar feit. verzoeker is destijds enorm geschrokken van het feit dat hij als verdachte werd aangemerkt en hij heeft van meet af aan laten weten dat hij aanspraak zou maken op schadevergoeding ingevolge artikel 591a Sv. Naar aanleiding daarvan heeft de officier van justitie geantwoord dat verzoeker in dat geval zou moeten worden ingeschreven in het parketregister, hetgeen naar de mening van de raadsman absoluut onjuist is. Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat inschrijving in het parketregister nodig is om voor schadevergoeding in aanmerking te komen.

verzoeker is op geen enkel moment akkoord gegaan met de door de officier van justitie gestelde voorwaarde. Hij kan niet worden gedagvaard, omdat hij zich aan geen enkel strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Vervolgens heeft de officier van justitie per e-mail geantwoord dat, als het verzoekschrift zou worden doorgezet, de zaak met een sepot 02 zou worden afgedaan. In dit verband verwijst de raadsman naar het betreffende e-mailbericht van de officier van justitie van 17 december 2015, waarin de officier van justitie laat weten dat hij, wanneer verzoeker het verzoek handhaaft, er niet aan ontkomt verzoeker in te schrijven in het parketregister en dat hij de zaak dan vervolgens zal seponeren onder code 02 vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Volgens de raadsman kan het, met de wetenschap van nu, niet anders zijn dan dat verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt en dat hier een 01 codering en geen 02 codering dient te volgen. Het verwijt aan de officier van justitie is dat hij verzoeker te lichtvaardig als verdachte heeft aangemerkt. Er is bovendien geen sprake van een overeenkomst en het is evident dat deze zaak als geëindigd kan worden beschouwd, nu de officier een en andermaal heeft laten weten dat de zaak is geseponeerd.

De officier van justitie heeft zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld primair, dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard, subsidiair, dat het verzoek moet worden afgewezen en meer subsidiair, dat de verzochte vergoeding moet worden gematigd.

Daartoe heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.

Niet-ontvankelijkheid

Op basis van twee gronden concludeert de officier van justitie tot de niet-ontvankelijkheid van verzoeker.

Ten aanzien van de vraag of de zaak is geëindigd, zou kunnen worden verdedigd dat er nooit een zaak is geweest omdat er ook nooit een sepotbrief is verstuurd, maar een kennisgeving van het niet inschrijven in het parketregister. Daar kan genuanceerd tegenaan worden aangekeken, echter nu het Openbaar Ministerie eerder bij brief aan de rechtbank heeft medegedeeld primair de niet-ontvankelijkheid te zullen bepleiten, neemt de officier van justitie thans ook dat standpunt in. Het tweede argument van de officier van justitie is dat er is gehandeld in strijd met een overeenkomst en met fatsoensnormen. Er is een brief uitgegaan van het Openbaar Ministerie naar de toenmalige raadsvrouw van verdachte

mr. Sitsen, waarop mr. Sitsen per brief van 7 juli 2015 heeft gereageerd, in die zin dat verzoeker niet afziet van zijn rechten op grond van artikel 591a Sv en dat bij het uitblijven van een reactie binnen 10 dagen van de kant van het Openbaar Ministerie ervan wordt uitgegaan dat er bij het Openbaar Ministerie tegen dit standpunt geen bezwaar bestaat, waarna een verzoekschrift tot schadevergoeding zal worden ingediend.

Afwijzing

Verklaart de rechtbank verzoeker ontvankelijk, dan is de officier van justitie van mening dat het verzoek dient te worden afgewezen, nu er, alle feiten en omstandigheden daarbij in aanmerking genomen, geen gronden van billijkheid voor toewijzing bestaan.

Die feiten en omstandigheden zijn onder te verdelen in

  • de rol die verzoeker in het strafrechtelijk onderzoek heeft gespeeld;
  • de aangedragen 'koninklijke' oplossing van het Openbaar Ministerie, waarbij rekening is gehouden met de carrière van verzoeker, door hem in de gelegenheid te stellen deze zaak op een chique manier tot een einde te brengen. De officier van justitie heeft daarbij vooropgesteld dat geen sprake is geweest van onder druk zetten zoals wordt gesuggereerd, maar van tegemoetkomen. Indien de rechtbank het verzoek toewijst, zal de officier van justitie de strafzaak seponeren op grond van codering 02, in verband met onvoldoende bewijs;
  • de rol van de overheid; die moest namelijk wel optreden aangezien aan de belastingdienst, die in onderhandeling was over de toepassing van een innovatiebox, een vals document was overgelegd. Overigens had het op de weg van verzoeker gelegen om zijn gemaakte kosten, op grond van onrechtmatige daad, te verhalen op zijn toenmalige werkgever.

Overigens heeft de officier van justitie nog opgemerkt dat de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat een verzoek niet billijk is als sprake is van proceslust aan de zijde van verzoeker. Dat laatste kan naar de mening van de officier van justitie aan verzoeker niet worden ontzegd gelet op de wijze waarop hij zich thans opstelt.

Matiging

Indien en voor zover de rechtbank zou toekomen aan de toewijzing van een bedrag aan schadevergoeding heeft de officier van justitie verzocht om het toegekende bedrag aan schadevergoeding drastisch te matigen, aangezien de gemaakte kosten in geen verhouding staan tot de omvang van het strafdossier. In verband hiermee heeft de officier van justitie verwezen naar de door hem overgelegde beslissing van deze rechtbank in de zaak van naam, waarbij de rechtbank het schadebedrag sterk heeft gematigd.

De ontvankelijkheid

Het verzoekschrift is binnen drie maanden na ontvangst van de sepotbrief van 26 juni 2015 en dus tijdig ingediend. De raadkamer stelt vast dat het verzoekschrift ook overigens op de hierna volgende gronden ontvankelijk is.

De raadkamer heeft voorts nog acht geslagen op jurisprudentie van de Hoge Raad, NJ 2013/402, bevestigd in HR 22-9-2015, NJ 2016/6. Daaruit volgt dat de in art. 591a, tweede lid, Sv neergelegde voorwaarde voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr, naar de bedoeling van de wetgever niet betekent dat de zaak dient te zijn geëindigd door een rechterlijke einduitspraak in de zin van art. 348 en 350 Sv. Ook na andere wijzen van beëindiging van de zaak bestaat op de voet van art. 591a, tweede lid, Sv de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de verdediging.

De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast. Vooraf merkt de rechtbank op dat er geen wettelijke bepaling is die voorschrijft dat inschrijving in het parketregister nodig is om voor schadevergoeding in aanmerking te komen.

De officier van justitie heeft in de brief van 26 juni 2015 aan de raadsvrouw van verzoeker medegedeeld dat er geen aanleiding is om verzoeker als verdachte in te schrijven in het parketregister. De rechtbank leidt daaruit af dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs tegen verzoeker als verdachte voorlag om hem te dagvaarden dan wel hem een transactie aan te bieden ter voorkoming van strafvervolging. Dat blijkt ook uitdrukkelijk uit voornoemde brief van de officier van justitie aan de raadsvrouw van verzoeker. De officier van justitie refereert in zijn brief aan het gesprek dat op 7 mei 2015 met verzoeker en zijn raadsvrouw heeft plaatsgevonden. In dat gesprek zou volgens de officier van justitie zijn overeengekomen dat verzoeker afziet van zijn rechten die voortvloeien uit artikel 591a Sv en dat de officier van justitie in dat geval verzoeker niet zou vervolgen noch een transactie zou aanbieden ter voorkoming van strafvervolging. Deze stellingname van de officier van justitie is door verzoeker en zijn toenmalige raadsvrouw van het begin af aan weersproken. Verzoeker was en is van mening dat hem in strafrechtelijke zin niets te verwijten valt en dat hij volstrekt ten onrechte als verdachte is gehoord. Volgens verzoeker en zijn raadsman is het dan ook logisch dat hij niet als verdachte is of wordt ingeschreven, nu de officier van justitie in de hiervoor genoemde brief van 26 juni 2015 ook uitdrukkelijk gesteld heeft dat 'er geen aanleiding is verzoeker als verdachte in het parketregister in te schrijven'.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze brief en de e-mailberichten van 8 juli 2015 en 17 december 2015, vast staat dat de strafzaak tegen verzoeker hoe dan ook niet tot een vervolging of een buitengerechtelijke afdoening zou leiden. Op 8 juli 2015 immers liet de officier van justitie aan verzoeker in reactie op het bezwaar van verzoeker tegen de gestelde voorwaarde van afzien van het vragen om schadevergoeding ingevolge artikel 591a Sv weten dat hij, in het geval dat verzoeker aanspraak zou maken op schadevergoeding, hem als verdachte in het parketregister zou inschrijven en dan vervolgens de zaak zou seponeren met toepassing van code 41 (gering aandeel in feit). Later, op 17 december 2015, heeft de officier van justitie verzoeker laten weten dat hij de zaak zou seponeren met toepassing van code 02 (onvoldoende wettig en overtuigend bewijs). Ter terechtzitting op 9 november 2016 heeft de officier dat standpunt herhaald en bevestigd.

Nu het van het begin af aan niet in het voornemen lag om verzoeker te vervolgen omdat daarvoor kennelijk onvoldoende aanleiding was, beschouwt de rechtbank de brief van 26 juni 2015 als een sepotmededeling waardoor de strafzaak tegen verzoeker eindigde. Het verzoekschrift is om die reden ontvankelijk.

Wat betreft de daarin opgenomen voorwaarde over het afzien door verzoeker van de rechten die voortvloeien uit artikel 591a Sv overweegt de rechtbank dat door verzoeker en zijn raadslieden uitdrukkelijk is weersproken dat er overeenstemming was over een dergelijke voorwaarde. In het licht van de stelling van verzoeker dat hem in strafrechtelijke zin niets te verwijten valt en hij zich mede om die reden ook van rechtskundige bijstand heeft voorzien, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker op enig moment heeft ingestemd met die voorwaarde, nog daargelaten dat de rechtbank van oordeel is dat in de onderhavige zaak sprake is van ongelijkwaardige partijen waarbij voor verzoeker in feite niets te kiezen viel: of akkoord gaan met de gestelde voorwaarde en niet in het register als verdachte worden ingeschreven of (in verzoekers beleving) volstrekt ten onrechte als verdachte worden ingeschreven in het register waarna de zaak alsnog zou worden geseponeerd waarna hij vervolgens bij de rechtbank een verzoek tot schadevergoeding kon indienen. De ongelijkwaardigheid van partijen in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat het maken van een dergelijke afspraak in zaken als deze niet behoort plaats te vinden.

Indien al - ondanks de stellige ontkenning door verzoeker - zou worden aangenomen dat de afstand van recht door verzoeker is overeengekomen, is de rechtbank van oordeel dat die afspraak niet rechtsgeldig is gelet op de ongelijkwaardige positie van partijen en het feit dat - kennelijk - de afstand van recht niet volkomen helder en duidelijk is geweest.

Daarom moet worden aangenomen dat de zaak met de sepotmededeling in de brief van 26 juni 2015 is geëindigd, zodat het verzoek ontvankelijk is.

Nu er geen redenen zijn voor afwijzing van het verzoek zal de rechtbank het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman op gronden van billijkheid toewijzen tot het verzochte bedrag van €12.907,78.

De rechtbank overweegt daartoe dat de raadsman namens verzoeker in raadkamer voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat alle verrichte en gedeclareerde werkzaamheden met het oog op een behoorlijke verdediging noodzakelijk zijn geweest. De opgegeven kosten worden gestaafd door de overgelegde specificaties en declaraties en het in rekening gebrachte uurtarief is niet excessief.

De rechtbank is voorts van oordeel, dat gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding, in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift kan worden toegewezen een bedrag van €550 (inclusief BTW).


Lees hier de volledige uitspraak. 
 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF