Rb.: Ook ouders in 'Amstelveense zedenzaak’ spreekrecht.

Rechtbank Amsterdam 21 juni 2012, LJN BW9108

In deze zaak staan twee personen terecht, Flóvin O., een contact van Robert M., en O.’s huisgenoot Matthijs van der M. Ze worden beiden verdacht van het bezit van kinderporno. O. zou daarnaast een baby hebben misbruikt samen met Robert M.

Evenals in de zaak tegen Robert M. leidde het spreekrecht van ouders ook in de zaken tegen O. en Van der M. tot discussie.


De rechtbank kwam tot de beslissing om aan ouders van de kinderen namens wie mr. Korver het spreekrecht heeft gevraagd toe te staan een verklaring af te leggen op de zitting over de gevolgen van de strafbare feiten.


De rechtbank reconstrueert dit spreekrecht voor ouders als volgt:

De wet bevat een regeling van het spreekrecht van minderjarigen in het derde lid van art. 51e Sv. Daarin wordt wat betreft de jongste groep (onder 12 jaar) bepaald dat die minderjarige die in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen (met andere woorden: begrijpt waar het over gaat) gebruik kan maken van het spreekrecht. De rechtbank stelt vast dat de wet niets uitdrukkelijk regelt over de leeftijdsgroep die daar weer onder komt: de allerjongsten die niet in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen en niet in staat zijn te spreken.

De vraag is nu hoe deze regeling moet worden uitgelegd in een situatie waarin sprake is van zeer jeugdige slachtoffers die niet in staat zijn te spreken over de gevolgen van strafbare feiten.

Bij de beantwoording van deze vraag hanteert de rechtbank twee uitgangspunten.
Het eerste uitgangspunt is de ontwikkeling in de opvattingen over de positie van het slachtoffer in het strafproces zoals die onder andere blijkt uit de diverse wetswijzigingen of voorgenomen wetswijzigingen. Die ontwikkeling laat een versterking van deze positie zien.

De rechtbank laat zich verder – dit is het tweede uitgangspunt – leiden door de doelstellingen van de invoering van het spreekrecht voor slachtoffers. Deze doelstellingen zijn, zoals blijkt uit de kamerstukken, de helende werking voor het slachtoffer, voorlichting van de rechter en algemene en speciale preventie.

De rechtbank is van oordeel dat het geheel in lijn is met de ontwikkeling in de positie van het slachtoffer en de doelstellingen van het spreekrecht, om zeer jeugdige kinderen die slachtoffer zijn van kinderporno een stem te geven in het strafproces. Voor een extensieve uitleg van de wet die daarvoor nodig is, kan in algemene zin steun worden gevonden in de verklaring van de mede-indiener van het initiatiefvoorstel tot de huidige wet bij de algemene beraadslaging: “Echter, waar binnen het systeem ruimte gevonden kan worden voor het slachtoffer om zijn stem te laten klinken, dient deze ruimte te worden benut.” De rechtbank acht deze uitleg op grond waarvan zeer jeugdige kinderen die slachtoffer zijn van kinderporno een stem kunnen krijgen in het strafproces ook maatschappelijk gezien de meest wenselijke.

Kan die stem door een ouder ter terechtzitting worden vertolkt? Hierover overweegt de rechtbank het volgende.

De achterliggende gedachte bij de invoering van het spreekrecht volgens de wetsgeschiedenis is dat het slachtoffer zelf over zijn eigen ervaring kan vertellen. Met deze achterliggende gedachte van de wetgever staat op gespannen voet dat een slachtoffer, dat in staat is om zijn spreekrecht uit te oefenen, zich laat vertegenwoordigen door een ander. Het uitgangspunt is dus zelf verklaren. Maar geldt dit ook voor baby’s en peuters van wie duidelijk is dat zij zich niet kunnen uiten?


De rechtbank is van oordeel dat die conclusie niet dwingend op de kamerstukken kan worden gebaseerd.


Zo schrijft de indiener van het wetsvoorstel in de Memorie van Toelichting op blz. 5: “Indien het slachtoffer fysiek niet in staat is van het spreekrecht gebruik te maken, kan hij niet een vertegenwoordiger aanwijzen. Het gaat om de vertolking van de eigen ervaringen”. Hij laat daarop volgen: “Wel kan het slachtoffer dan een schriftelijke verklaring opstellen die bij de processtukken wordt gevoegd”. Uit deze laatste opmerking blijkt dat de indiener een slachtoffer voor ogen had dat in beginsel in staat is om zich uit te spreken over de gevolgen van het strafbaar feit voor hem. Een kind dat vanwege de jeugdige leeftijd niet in staat is te spreken, is immers ook niet in staat een schriftelijke slachtofferverklaring op te stellen. De rechtbank wijst ook op de brief van de indieners van het wetsvoorstel van 16 december 2002. In deze brief reageren de indieners afwijzend op het amendement Karimi dat beoogde te regelen dat het slachtoffer zich zou kunnen laten vertegenwoordigen. Uit de reactie blijkt dat ook de indieners hier een slachtoffer voor ogen hadden dat in staat is zijn spreekrecht uit te oefenen en niet het oog hadden gericht op baby’s en peuters. In de Memorie van Antwoord op het voorlopig verslag van de vaste commissie van de Eerste Kamer merken de indieners in reactie op vragen van de PvdA-fractie op: “Inderdaad kan alleen de minderjarige zelf ter zitting het woord voeren en is het niet toegestaan dat een wettelijk vertegenwoordiger dat namens de minderjarige doet”. Ook bij deze opmerking hadden de indieners, naar het oordeel van de rechtbank, minderjarige slachtoffers voor ogen die in staat zijn het spreekrecht zelf uit te oefenen. Ten slotte wijst ook de passage in de nota naar aanleiding van het verslag over comateuze slachtoffers er op dat de indieners doelden op slachtoffers die in beginsel in staat zijn het spreekrecht uit te oefenen.

Een slachtoffer dat in coma is geraakt vóór de zitting, maar wel schriftelijk had verzocht om het woord te voeren ter zitting, kan zich op de zitting niet laten vertegenwoordigen, aldus de indieners.

De rechtbank concludeert dat bij de totstandkoming van de regeling over het spreekrecht er kennelijk steeds is uitgegaan van een slachtoffer dat in beginsel zelf kon spreken en dat er bij die totstandkoming geen aandacht is geweest voor de situatie waarin een baby of peuter slachtoffer is, nu ook de overige kamerstukken en verhandelingen daar geen blijk van geven.

Uitoefening van het spreekrecht door de ouders staat ook niet haaks op de gedachte dat het moet gaan om de eigen ervaringen van het slachtoffer. Gelet op de grote verbondenheid, zeker op die jeugdige leeftijd, tussen ouders en kind is het onderscheid tussen de eigen ervaringen van de ouders en die van het kind minder goed te maken. Gelet op deze grote verbondenheid is er ook geen andere stem die in aanmerking komt de ervaringen van het kind te vertolken dan die van de ouders.


Zijn er andere argumenten tegen spreekrecht?
De rechtbank ziet verder evenmin doorslaggevende argumenten die pleiten tegen deze extensieve interpretatie van de huidige regeling van de positie van het slachtoffer.
Deze interpretatie vormt geen beperking van de rechten van de verdachte en is dan ook niet in strijd met art. 6 van het EVRM. Toekenning en uitoefening van het spreekrecht zijn processuele handelingen die geen afbreuk doen aan de rechtspositie van de verdachte in het strafproces. De rechtbank ziet ook geen andere belemmeringen in internationale en nationale regelgeving die betrekking heeft op de positie van de verdachte. Ook ziet de rechtbank geen belemmeringen in internationale regelgeving die betrekking heeft op de positie van het slachtoffer. Verder is de rechtbank van oordeel dat deze extensieve interpretatie in lijn is met het wetsvoorstel inzake het spreekrecht dat inmiddels door de Tweede Kamer is aanvaard. Dit wetsvoorstel beoogt vertegenwoordiging van slachtoffers bij de uitoefening van het spreekrecht in het algemeen en van minderjarige slachtoffers in het bijzonder mogelijk te maken.

Met betrekking tot het recente arrest van de Hoge Raad (LJN BR1149) over het spreekrecht overweegt de rechtbank het volgende.

Het Hof had een ter terechtzitting aanwezige persoon de gelegenheid gegeven een verklaring voor te lezen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit gebeurde buiten het toepassingsgebied van de bepaling waarin de kring van spreekgerechtigden nader was omschreven (art. 336 (oud) Sv). De Hoge Raad heeft dit niet geaccepteerd en daarbij uitgesproken dat een uitbreiding van de wettelijke categorie van spreekgerechtigden tot de taak van de wetgever behoort en de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. In de hier voorliggende zaken valt vertegenwoordiging door de ouders bij de uitoefening van het spreekrecht van de zeer jeugdige slachtoffers echter, zoals hiervoor door de rechtbank geoordeeld, niet buiten het toepassingsgebied van de regeling van het spreekrecht. Van een uitbreiding van de wettelijke categorie spreekgerechtigden is dus geen sprake. Niet uit het oog verloren moet worden dat de uitspraak van de Hoge Raad zag op een andere situatie. Daar ging het om de uitoefening van het spreekrecht door een vriendin van het overleden slachtoffer, die niet als nabestaande in de zin van art. 51e, tweede lid, Sv kon worden aangemerkt omdat niet aan de daar genoemde criteria werd voldaan. Ook is in de onderhavige zaak de relatie tussen het slachtoffer en degene die namens het slachtoffer het spreekrecht uitoefent van een andere orde dan in de zaak waarop de Hoge Raad ziet waarin het ging om de relatie tussen twee volwassen vriendinnen. De ervaringen van een ouder en een jong kind zijn zodanig nauw verbonden dat het aannemelijk is dat de uitingen van de ouders betekenis kunnen hebben voor de verwerking van ervaringen van het kind op latere leeftijd. Het arrest van de Hoge Raad staat de vermelde extensieve interpretatie niet in de weg.

Dit alles brengt de rechtbank tot de beslissing om aan ouders van de kinderen namens wie mr. Korver het spreekrecht heeft gevraagd toe te staan een verklaring af te leggen op de zitting over de gevolgen van de strafbare feiten.

Zoals in de uitspraak van 15 december 2011 in de andere zaak is beslist, bepaalt deze kamer dat één van de ouders namens het kind het spreekrecht uit kan oefenen. Indien een ouder namens zijn kind gebruik maakt van het spreekrecht, kan hij daarbij, indien gewenst, mede betrekken de gevolgen voor zichzelf, de partner en de rest van het gezin. Het indienen van een schriftelijke slachtofferverklaring en andere documenten en toevoeging daarvan aan het dossier geschiedt door de ouder van het kind op dezelfde voet. Zoals ook de andere kamer heeft besloten kan de advocaat de slachtoffers niet vertegenwoordigen bij de uitoefening van het spreekrecht, maar is het aan één van de ouders om dat te doen. De rechtbank wijst er voor alle duidelijkheid op dat het spreekrecht betrekking heeft op de gevolgen van het ten laste gelegde strafbare feit. Voor zover het daarbij gaat om alleen het bezit van kinderpornografisch materiaal, kan de ouder zich uitspreken over de gevolgen van dat bezit, niet over het daaraan mogelijk ten grondslag liggende misbruik.

De rechtbank besluit tot slot dat de uitoefening van het spreekrecht achter gesloten deuren zal plaatsvinden.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF