Profijtontneming: Ontoelaatbare correctie op schatting w.v.v. & opgelegde betalingsverplichting in de aanvulling a.b.i. artikel 365a Sv. HR herhaalt relevante overwegingen.

Hoge Raad 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2847

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 10 augustus 2012 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.800,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het verkorte arrest houdt het volgende in:

"Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof is van oordeel dat, op grond van de onder voormeld parketnummer aangelegde straf- en ontnemingdossiers alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting in beide instanties in de ontnemingszaak, aannemelijk is geworden dat de veroordeelde door middel van of uit baten van het feit waarvoor hij bij genoemd vonnis is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof ontleent de schatting van dat op na te melden geldbedrag gewaardeerd voordeel aan de inhoud van de bewijsmiddelen. (...)

Zaak 34

Anders dan de rechtbank zal het hof ervan uitgaan, gelijk het hof hierboven in de zaak 3 en zaak 17 heeft gedaan, geen 40% korting op de aanschaf van de camera zal toepassen. Voor de overige aankopen in deze zaak gaat het hof ervan uit dat het door de veroordeelde verkregen wederrechtelijke voordeel met twee andere daders is gedeeld. Derhalve zal hof het door middel van, of uit baten van het onderhavige feit wederrechtelijk verkregen voordeel op € 831,26, zijnde de som van € 355,99 (camera) en € 475,27 (overige goederen), vaststellen. (...)

Aldus bezien komt het hof tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel: (...)

Feit 7 primair (zaak 34)

Aankopen met gestolen creditcard € 1.781,79

Door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel

(€ 355,99 = camera) € 355,99

(€ 1.425,80 / 3 veroordeelden) € 475.27 € 831,26 (...)

Totaal door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel € 8.690,77

Het hof acht, resumerend, aannemelijk dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten door middel van of uit baten van de strafbare feiten waarvoor hij bij vonnis van 14 november 2005 is veroordeeld en wel ten bedrage van afgerond € 8.690.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof is van oordeel dat aan de veroordeelde in beginsel, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting dient te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag overeenkomstig het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten € 8.690. Het hof is evenwel van oordeel dat de redelijke termijn voor de behandeling van de ontnemingszaak is overschreden. Immers, is het vonnis waarvan beroep op 4 juli 2008 gewezen, zijnde een tijdstip gelegen meer dan twee jaar na de betekening in persoon aan de veroordeelde van de ontnemingsvordering op 18 mei 2006, zodat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg is overschreden. Nadat dit vonnis is gewezen zijn wederom meer dan twee jaar verstreken tot het hof bij onderhavig arrest einduitspraak doet op het hoger beroep. Het hof zal, nu dit hem redelijk voorkomt, deze overschrijdingen compenseren door de betalingsverplichting aan de Staat vast te stellen op een bedrag, tien procent lager dan het geschatte verkregen voordeel te weten op - afgerond - € 7.800. (...)

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 8.690 (achtduizend zeshonderd en negentig euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 7.800 (zevenduizend en achthonderd euro)."

De aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a Sv, in verbinding met art. 415 Sv, houdt het volgende in:

"De bewijsmiddelen (...)

Ten aanzien van zaaksdossier 34

11. Een geschrift van 18 februari 2005, zijnde een door [betrokkene 1], namens International Card Services BV/Visa Card Services, opgestelde aangifte, inclusief bijlage (doorgenummerde dossierpagina's 2679-2689).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededelingen van [betrokkene 1]:

Uit de automatiseringssystemen van International Card Services BV is gebleken dat op 9 februari 2005 een Visa Card met nummer [001] werd aangeboden bij Metro Cash en Carry Nederland BV. Het betreft hier de Visa Card ten name van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] mist zijn Visa Card uit zijn portemonnee. Hieronder volgt een overzicht van frauduleuze transacties.

9-2-2005 Metro Cash en Carry Amsterdam €1.069,81

9-2-2005 Metro Cash en Carry Amsterdam €355,99 (...)

Nadere overwegingen

(...) Het hof merkt voorts het volgende op. Het hof heeft in het verkorte arrest het wederrechtelijk verkregen voordeel uit zaaksfeit 34 berekend op het aankoopbedrag van een camera, te weten € 355,99, vermeerderd met een derde van het bedrag van € 1.425,80 alsof dit de opgetelde waarde van de overige gekochte goederen zou zijn. Abusievelijk is echter in het bedrag van € 1.425,80 eveneens het aankoopbedrag van voorbedoelde camera opgenomen. Het voordeel uit dit zaaksfeit had geschat moeten worden op:

€ 355,99 (camera) € 355,99

€ 1069,81 (overige goederen) / 3 veroordeelden € 356,60

Totaal € 712,59

Het totale door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel had, gelet op voorstaande, geschat moeten worden op € 8.572,10."

Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel bevat de klacht dat het bedrag waarop het wederrechtelijk ver- kregen voordeel is bepaald niet kan worden ontleend aan de gebezigde bewijsmiddelen en dat de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a Sv, in verbinding met art. 415 Sv, een ontoelaatbare correctie bevat van het in het verkorte arrest vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel en de in dit arrest aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

Beoordeling Hoge Raad

De hiervoor weergegeven aanvulling op het arrest strekt onder meer tot wijziging van de bij het verkorte arrest van het Hof gegeven beslissingen omtrent het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat en de ter ontneming daarvan opgelegde betalingsver- plichting. Het stond het Hof niet vrij deze beslissingen bij aanvulling van het arrest te wijzigen (vgl. HR 23 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2267, NJ 2001/182). Het middel is terecht voorgesteld.

Dit moet tot cassatie leiden, maar de Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen. Nu sprake is van een kennelijke misslag in de schatting van het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel, zal de Hoge Raad het geschatte bedrag en de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van 90% van dit bedrag, verbeteren.

Na correctie van de misslag leidt de totaaltelling tot een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 8.572,– en bedraagt de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van dit voordeel een bedrag van € 7.715,–.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF