Profijtontneming, onderzoek naar afwezigheid raadsman betrokkene

Hoge Raad 18 juni 2013, LJN CA3312

Feiten

De betrokkene is bij arrest van 13 april 2010 door het Gerechtshof te Amsterdam, op grond van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 4 juli 2008, waarbij aan de betrokkene de verplichting is opgelegd om aan de Staat een bedrag te betalen van € 25.000,30, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen blijk heeft gegeven onderzoek te hebben gedaan naar de afwezigheid van de raadsman van de verdachte, mr. P.H.L.M. Souren, ter terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2010.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft kennelijk vastgesteld dat onder het parketnummer 23-003537-08 aanhangig was het namens de betrokkene ingestelde hoger beroep tegen het op 4 juli 2008 uitgesproken vonnis in de ontnemingszaak, en voor de raadsman kenbaar was dat de tot hem gerichte mededeling (in de vorm van een brief van de griffier van het Hof gedateerd 2 maart 2010, gericht aan mr. P.H.L.M. Souren, met het kenmerk 23-003537-08 en de mededeling "De inhoudelijke behandeling van de strafzaak (...) tegen [betrokkene], waarin u als raadsman/raadsvrouwe optreedt is vastgesteld op 13 april 2010 en 16 april 2010") van de zittingsdatum slechts op de ontnemingszaak betrekking kon hebben en dat daarin per abuis de reeds geruime tijd tevoren onherroepelijk afgedane strafzaak is genoemd.

Voorts heeft het Hof kennelijk op grond het faxbericht van mr. P.H.L.M. Souren (aan de voorzitter van de tweede meervoudige strafkamer van het Hof met dagtekening 11 april 2010 en het kenmerk 23/003537-08, verzonden op 12 april 2010 om 12.03 uur, luidende "In bovenvermelde strafzaak wend ik mij tot u als advocaat van [betrokkene] met de mededeling dat ik morgen niet ter terechtzitting zal verschijnen omdat ik door cliënt niet bepaaldelijk gevolmachtigd ben om namens hem de verdediging te voeren en evenmin vernomen heb dat cliënt zelf ter zitting zal verschijnen") aangenomen dat de raadsman ervan heeft afgezien op de hem bekend gemaakte zitting te verschijnen. Dat is niet onbegrijpelijk, en het Hof was, anders dan het middel wil, niet gehouden tot een nader onderzoek naar de afwezigheid van de raadsman.

Het middel faalt.

 Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF