Prematuur verzoek ex artikel 591a Sv in eerste aanleg

Gerechtshof Den Haag 13 juli 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2112

Op 8 februari 2016 is door de dienst Domeinen, roerende zaken, voor een bedrag van €8.155 tot vervreemding overgegaan van een onder verzoeker in zijn strafzaak inbeslaggenomen bestelauto, Mercedes-Benz Sprinter, kleur wit, kenteken xxxx.

Bij beschikking van 15 maart 2016 heeft de rechtbank Den Haag een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van verzoeker gegrond verklaard en de teruggave gelast aan verzoeker van die bestelauto, met bepaling dat – voor zover machtiging is verstrekt tot vervreemding van de bestelauto en om te voorkomen dat verzoeker door vervreemding onevenredig zou worden getroffen - aan verzoeker de waarde toekomt die die bestelauto heeft opgebracht of redelijkerwijs zou hebben opgebracht.

Verzoeker heeft vervolgens bij een op 27 mei 2016 ter griffie van de rechtbank Den Haag ingekomen verzoekschrift verzocht hem – naar aanleiding van de beslissing in de procedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering - op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering een bedrag toe te kennen van €5.095 als vergoeding voor het verschil tussen de vervangingswaarde (€13.250) en de vervreemdingswaarde (€8.155) van die bestelauto, een bedrag van €4.356 als vergoeding voor de huurprijs van vervangend vervoer in de periode dat de bestelbus in beslag genomen is geweest, en een bedrag van €2.132,63 als vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in verband met de procedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. Voorts heeft verzoeker bij dat verzoekschrift verzocht hem op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering het forfaitaire bedrag van €280 toe te kennen als vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in verband met het opstellen en indienen van het verzoekschrift ex artikel 591a van Wetboek van Strafvordering dan wel een bedrag van €550 in het geval van een mondelinge behandeling van dat verzoekschrift in raadkamer.

Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 29 november 2016 is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoekschrift. De rechtbank heeft daartoe overwogen:

“Op grond van artikel 591a, vierde lid, Sv juncto artikel 591, vijfde lid, Sv zijn de daarin opgenomen regelingen van overeenkomstige toepassing op de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b Sv.

In het kader van artikel 552a Sv dient onder het eindigen van de zaak te worden verstaan het onherroepelijk worden van de beslissing op een ingediend klaagschrift betreffende inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van dit verzoek vastgesteld dat noch uit het verzoekschrift noch uit de voor de rechtbank toegankelijke systemen is gebleken dat de beslissing van 29 maart 2016, waarbij het eerder ingediende beklag onder raadkamernummer 15/5136 gegrond is verklaard, al onherroepelijk is.

Dat brengt met zich mee dat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek niet toekomt en verzoeker niet-ontvankelijk moet verklaren in zijn verzoek.”

Namens verzoeker is op 15 december 2016 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.

Het hof heeft dit hoger beroep op 15 juni 2017 in het openbaar in raadkamer behandeld. In raadkamer zijn gehoord de advocaat van verzoeker, mr. P.J. Hoogendam, en de advocaat-generaal mr. I.J.E.H. Degeling. Verzoeker is –hoewel behoorlijk opgeroepen- niet in raadkamer verschenen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep.
 

Beoordeling

Verzoeker is in eerste aanleg niet-ontvankelijk in het onderhavige verzoek verklaard wegens het prematuur indienen daarvan, aangezien de beschikking van de rechtbank Den Haag van 29 maart 2016 in de procedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering nog niet onherroepelijk was geworden ten tijde van de behandeling van het onderhavige verzoekschrift in eerste aanleg.

Nu verzoeker het onderhavige verzoek heeft gebaseerd op (de uitkomst in) de procedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, in casu ‘de zaak’, is verzoeker in eerste aanleg op juiste gronden niet-ontvankelijk in het verzoek verklaard.

Daarbij stelt het hof vast dat de door de rechtbank in de onderhavige zaak uitgesproken niet-ontvankelijkheid niet een beslissing is die – anders dan in het geval van niet-ontvankelijkheid op grond van overschrijding van een termijn voor het indienen van zo’n verzoek of na een inhoudelijke beoordeling van de zaak - meebrengt dat het verzoek niet nogmaals aan de eerste rechter kan of had moeten worden voorgelegd.

Immers, het oordeel van de eerste rechter houdt (slechts) in dat een voorwaarde voor het indienen van een ontvankelijk verzoek, te weten het onherroepelijk worden van de beschikking ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van 29 maart 2016, nog niet is ingetreden. Dat oordeel brengt mee dat verzoeker na het intreden van die voorwaarde alsnog in eerste aanleg hetzelfde verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan indienen zonder dat het eerder ingediende (premature) verzoek aan de ontvankelijkheid van dat volgende verzoek in de weg staat.

Naar het oordeel van het hof verdraagt de situatie dat zich voor verzoeker alsnog op basis van de uitspraak van de eerste rechter de mogelijkheid zal voordoen of heeft voorgedaan om in eerste aanleg hetzelfde verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in te dienen –afhankelijk van de omstandigheid of de beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a inmiddels of nog niet onherroepelijk is geworden- zich niet met de situatie dat het hof de beschikking van de eerste rechter van 29 november 2016 vernietigt en thans in hoger beroep een inhoudelijke beslissing geeft op datzelfde verzoek indien ook aan alle overige voorwaarden voor een ontvankelijk verzoek zou zijn voldaan.

Nu de rechter in eerste aanleg verzoeker op juiste gronden niet-ontvankelijk in het verzoek heeft verklaard zal het hof dan ook –ongeacht de huidige stand van zaken in de procedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering– het hoger beroep afwijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF