Prejudiciële vragen met betrekking tot de toepassing van lijfsdwang bij tenuitvoerlegging in Nederland van in het buitenland opgelegde ontnemingsbeslissingen

Rechtbank Noord-Nederland 1 februari 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1193

Op 22 juni 2017 is ter griffie van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ingekomen de vordering van de officier van justitie tot het verlenen van verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang voor een periode van 1095 dagen in verband met de op 20 december 2012 in België opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van € 800.000,00. De openstaande vordering bedraagt op het moment van het indienen van de vordering € 652.994,19 aldus de officier van justitie.

De vordering is ingesteld op grond van artikel 22 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van de vordering.

Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, d.d. 20 december 2012 gewezen, is ten aanzien van veroordeelde een confiscatiebeslissing opgelegd tot een bedrag van € 800.000,00. Dit arrest is onherroepelijk geworden en de executie van de betalingsverplichting is overgenomen door Nederland. Veroordeelde heeft tegen deze overname van de executie beroep aangetekend op grond van artikel 27 van de WWETGC. Dit beroep is bij beslissing van 8 juli 2015 ongegrond verklaard.

De officier van justitie vordert verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang omdat nog een bedrag van € 652.119,19 moet worden betaald en het vermoeden omtrent mogelijke onzichtbare geldstromen gehandhaafd blijft. Daarnaast bestaat het vermoeden dat een Porsche voor een aanzienlijk hoger bedrag dan het door veroordeelde genoemde bedrag van € 12.000,00 is verkocht terwijl over de besteding van die € 12.000,00 niets is vermeld.

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering omdat deze in strijd met het recht is ingediend. Mocht het openbaar ministerie wel ontvankelijk worden geacht, dan moet de vordering om dezelfde reden worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de raadsman de rechtbank prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, die zien op de vraag of het de tenuitvoerleggingsstaat is toegelaten om lijfsdwang toe te passen.

De raadsman stelt daarbij -kort gezegd- dat lijfsdwang niet slechts een maatregel is, maar ook een punitieve sanctie in de zin van artikel 7, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in de zin van artikel 49, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Toepassing van lijfsdwang vormt een verzwaring van de confiscatiebeslissing, waardoor deze onrechtmatig is, aldus de raadsman.

Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat het uitgangspunt bij de wederzijdse erkenning is dat de buitenlandse beslissing op dezelfde manier ten uitvoer wordt gelegd als de nationale beslissing, behoudens in het kaderbesluit expliciet verwoorde uitzonderingen. Het karakter van de lijfsdwang is een pressiemiddel en daarmee geen vervanging voor betaling en geen strafoplegging. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vordering tot toepassing van lijfsdwang en het stellen van prejudiciële vragen is overbodig, aldus de officier van justitie.

Deze rechtbank is de enige en daarmee de hoogste instantie die bevoegd is vorderingen op grond van artikel 22 van de WWETGC tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang te behandelen.

In een eerdere beslissing (Rechtbank Noord-Nederland 13 november 2015 ECLI:NL:RBNNE:2015:6358) heeft de rechtbank zich uitgelaten over de vraag of lijfsdwang gelijk te stellen is met de vervangende hechtenis als bedoeld in artikel 16 van de WWETGC. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord. De rechtbank heeft daarbij met name acht geslagen op de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de WWETGC (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 555, nr. 3). Ten aanzien van het toepassen van lijfsdwang houdt deze memorie onder meer het volgende in:

'Het opleggen van vervangende maatregelen als alternatief voor de beslissing tot confiscatie wordt in het kaderbesluit expliciet niet toegestaan, tenzij de uitvaardigende lidstaat daartoe toestemming geeft. Met het toepassen van lijfsdwang blijft de verplichting tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel echter bestaan en is er derhalve geen sprake van een vervangende maatregel. (…) deze bepaling strekt ter implementatie van artikel 12, vierde lid, van het kaderbesluit en regelt dat de uitvoerende staat alleen na expliciete toestemming van de uitvaardigende lidstaat een alternatieve sanctie ten uitvoer mag leggen. Zoals reeds in paragraaf 4.1 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting is aangegeven, kan lijfsdwang zonder toestemming van de uitvaardigende lidstaat worden toegepast, omdat dit geen alternatieve sanctie is.'

De Hoge Raad heeft op 20 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP9449) geoordeeld dat lijfsdwang als 'penalty' in de zin van artikel 7, eerste lid, van het EVRM moet worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft daarbij overwogen:

'5.4. Alles afwegende is de Hoge Raad van oordeel dat de in de eerste klacht van het middel aan de orde gestelde vraag bevestigend moet worden beantwoord. De in art. 577c Sv voorziene maatregel van lijfsdwang heeft als ‘penalty’ te gelden in de zin van art. 7, eerste lid, EVRM. De hiervoor geschetste inkadering in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering -met als vertrekpunt een veroordeling ter zake van een strafbaar feit- gevoegd bij de langdurige periode waarvoor lijfsdwang kan worden opgelegd, geeft die maatregel een zodanig punitief karakter dat zij als ‘penalty’ moet worden aangemerkt. Daaraan doet niet af dat de lijfsdwang volgens de wet als maatregel heeft te gelden. Het begrip ‘penalty’ moet immers autonoom worden uitgelegd.'

Thans ligt (opnieuw) de vraag voor of toepassing van lijfsdwang in strijd is met het doel en de strekking van het Kaderbesluit.

De rechtbank acht het voor de juiste toepassing van het recht, zowel in deze zaak als in toekomstige zaken, aangewezen de vraag naar de rechtmatigheid van het in Nederland opleggen van lijfsdwang in het kader van de executie van een in het buitenland opgelegde beslissing tot confiscatie voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie.
 

Beslissing

De rechtbank stelt de navolgende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie:

  1. Kan artikel 12, eerste lid, van het Kaderbesluit 2006/783/JBZ zo worden uitgelegd dat bij de tenuitvoerlegging in Nederland van een door een beslissingsstaat overgedragen confiscatiebeslissing lijfsdwang als bedoeld in artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering kan worden toegepast, mede gelet op de beslissing van de Hoge Raad van 20 december 2011, inhoudende dat lijfsdwang heeft te gelden als penalty in de zin van artikel 7, eerste lid, van het EVRM?
     
  2. Maakt het voor de mogelijkheid tot het toepassen van lijfsdwang verschil of het recht van de beslissingsstaat eveneens de mogelijkheid tot toepassing van lijfsdwang kent?

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly and PDF