Ponzi-fraude: veroordelingen wegens oplichting bij aanbod financiële producten, overtreding van de Wft, bedrieglijke bankbreuk en gewoontewitwassen

Rechtbank Rotterdam 25 februari 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:1357

Verdachte rechtspersoon heeft zich, gedurende een periode van in totaal ruim drieënhalf jaar, schuldig gemaakt aan oplichting en verschillende financiële misdrijven. Kortgezegd komt het erop neer dat verdachte rechtspersoon haar slachtoffers lucratieve financiële producten heeft aangesmeerd, hieruit bestaande dat verdachte rechtspersoon het geld dat de slachtoffers door het oversluiten van een hypotheek bij een bank leenden, zou beleggen of in elk geval zou laten renderen en dat de slachtoffers een maandelijks bedrag van verdachte rechtspersoon zouden krijgen. Dit zou, zo werd door verdachte rechtspersoon beloofd, per saldo leiden tot lagere maandlasten voor de slachtoffers. Het door verdachte rechtspersoon aldus binnengehaalde geld – uiteindelijk een totaalbedrag van bijna 5 miljoen euro – werd echter helemaal niet belegd of in bijvoorbeeld een spaardepot gehouden. Het werd grotendeels gebruikt voor de eigen ‘bedrijfsvoering’ en voor privéuitgaven van de leidinggevenden en hun families. Slechts een bedrag van ruim 1,2 miljoen euro werd terug betaald aan de inlegger. Maar juist daardoor konden de verdachte de schijn ophouden van een bonfida financieel adviseur. Echter, van meet af aan moet het voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat het achterwege laten van het beleggen van ingelegde gelden er toe zou leiden dat verdachte rechtspersoon niet zou kunnen voldoen aan haar verplichting om maandelijks een aflossing met rente aan de slachtoffers te betalen. De werkwijze heeft alle kenmerken van een zogeheten piramidespel of Ponzi-fraude: aan de beleggers van het eerste uur kon alleen (een deel van) het ingelegde geld worden terugbetaald doordat nieuwe slachtoffers werden gevonden die hun geld aan verdachte rechtspersoon toevertrouwden.

Aldus heeft verdachte rechtspersoon zich schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezen verklaarde feiten. De verdachte heeft, als drijvende kracht en intellect achter de handel en wandel van verdachte rechtspersoon, feitelijke leiding gegeven aan deze verboden gedragingen.

De verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, door, ter verkrijging van een hypotheek voor zijn echtgenote, een inkomensverklaring daartoe valselijk op te maken, door daarop in strijd met de werkelijkheid een te hoog jaarinkomen in te vullen. Door aldus te handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat gesteld mag worden in een dergelijk schriftelijk stuk, dat de basis vormt voor het aangaan van een hypotheekovereenkomst, doelbewust geschonden.

Verdenking

Aan de verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met één of meer anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan (het medeplegen van) oplichting door verdachte rechtspersoon.

Onder 2 primair is het aantrekken van gelden ten laste gelegd als feitelijke leiding geven aan overtreding van artikel 3:5, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, in die gevallen waarin de schuldbekentenissen als opvorderbare lening waren aangegaan met niet professionele marktpartijen, aangezien verdachte rechtspersoon daar geen vergunning voor had.

Onder 3 primair: bedrieglijke bankbreuk begaan als (feitelijk) bestuurder bij de rechtspersoon.

Onder 3 subsidiair: het daartoe opdracht geven dan wel feitelijke leidinggeven daaraan.

Onder 3 meer subsidiair: medeplegen van feitelijk leiding geven aan het medeplegen van eenvoudige bankbreuk door verdachte rechtspersoon, bestaande in buitensporige uitgaven ten opzichte van de verdiensten van verdachte rechtspersoon.

Onder 4 is ten laste gelegd het feitelijke leiding geven aan gewoontewitwassen (primair), dan wel het medeplegen van gewoontewitwassen (subsidiair).

Onder 5, tenslotte, is, ten laste gelegd het medeplegen van feitelijke leidinggeven aan hypotheekfraude door het valselijk opmaken van een inkomensverklaring, medegepleegd door verdachte rechtspersoon dan wel het medeplegen daarvan als persoonlijke dader.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan, zoals onder 3 primair ten laste is gelegd, bedrieglijke bankbreuk begaan als (feitelijk) bestuurder bij de rechtspersoon verdachte rechtspersoon noch aan, zoals onder 3 subsidiair ten laste is gelegd, het daartoe opdracht geven dan wel feitelijke leidinggeven daaraan. Weliswaar kan worden bewezen dat verdachte rechtspersoon geen (volledige) administratie heeft gevoerd, maar niet bewezen is dat dit niet is gevoerd ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers in het faillissement. De verdachte dient van deze feiten te worden vrijgesproken.

Ook kan niet bewezen worden dat, zoals onder 5 primair ten laste is gelegd, het de rechtspersoon verdachte rechtspersoon is, die zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van een inkomensverklaring, aan welke verboden gedraging de verdachte leiding zou hebben gegeven. De verdachte dient van het feitelijke leidinggeven aan dit feit te worden vrijgesproken.

Standpunt verdediging

De verdachte heeft ontkend dat hij feitelijk leiding heeft gegeven en dat hij de aangevers van feit 1 van onjuiste of misleidende informatie heeft voorzien. Hij had geen oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening. Hij was er niet van op de hoogte dat de ingelegde gelden voor de bedrijfsvoering werden gebruikt. Namens hem is aangevoerd dat achter de schermen de medeverdachte 1 de onderneming leidde en de gelden van de klanten incasseerde. Van de fraude die verdachte rechtspersoon en medeverdachte 1 pleegden, had hij geen weet. Dat betekent ook dat het geld dat hij van of vanwege verdachte rechtspersoon heeft ontvangen, geen geld is, dat van misdrijf afkomstig is. De inkomensverklaring zoals bedoeld onder 5, tenslotte, is volgens de verdachte niet valselijk opgemaakt

Standpunt OM

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde kan worden bewezen.

Oordeel Rechtbank

De rechtbank acht hetgeen onder 1 primair bewezen, namelijk dat de aangevers door verdachte rechtspersoon zijn bewogen tot afgifte van geldbedragen. De voorwendselen waaronder dit gebeurde waren vals, in die zin dat de aangetrokken gelden in strijd met de voorstelling van zaken niet in depot werden gehouden, maar werden gebruikt voor de bedrijfsvoering. De (mede)verdachten medeverdachte 1, verdachte en medeverdachte 2 hebben binnen verdachte rechtspersoon allen een leidinggevende positie gehad en tezamen en in vereniging bepaalden zij dat de ingelegde gelden werden besteed aan de bedrijfsvoering. Deze vaststellingen zijn voldoende voor het bewijs van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Bewijs dat de verdachte zelf wist dat de kosten van bedrijfsvoering de inkomsten uit provisies en dergelijke te boven gingen, is niet nodig.

Evenmin is bewijs nodig dat de verdachten op de hoogte waren van elk van de bewezenverklaarde gedragingen. Immers, zij waren op de hoogte van het voorkomen van soortgelijke gedragingen en hebben, hoewel daartoe bevoegd en gehouden, maatregelen ter voorkomen daarvan achterwege gelaten. Sterker, zij hebben die gedragingen, voor zover niet concreet dan toch in het algemeen bevorderd.

Eveneens is, onder 2 primair, bewezen dat verdachte rechtspersoon opzettelijk bedrijfsmatig buiten besloten kring opvorderbare gelden heeft aangetrokken van andere dan professionele marktpartijen, terwijl daarvoor geen vergunning was verleend. Immers, een professionele marktpartij is (voor zover hier van belang) een persoon of vennootschap van wie opvorderbare gelden worden aangetrokken indien de eerste vordering dan wel de eerste gezamenlijk verworven vorderingen tezamen ten minste € 50.000,- betreft dan wel betreffen (artikel 3 lid 2, aanhef en onder b van het Besluit definitiebepalingen Wet op het financiële toezicht). Gelet op bovenstaande bewijsoverwegingen en de in Bijlage II opgenomen bewijsmiddelen is bewezen dat 56 personen in de ten laste gelegde periode een storting hebben gedaan van minder dan € 50.000,-, dat dit besloten lag binnen de werkwijze zoals deze door verdachte rechtspersoon werd uitgevoerd en dat zowel medeverdachte 1, verdachte als medeverdachte 2 daarvan wisten en dit ook uitvoerden.

Verder is onder 3 meer subsidiair bewezen dat verdachte rechtspersoon ten opzichte van de inkomsten buitensporig veel geld heeft verteerd aan loonkosten en uitkeringen rekeningcourant, aan kosten van het callcenter in Enschede en het kantoor in Rotterdam en aan autokosten.

Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, is het medeplegen van feitelijke leidinggeven aan gewoontewitwassen doorverdachte rechtspersoon door medeverdachte 1, verdachte en medeverdachte 2, onder 4 primair, bewezen. Immers, uit het bovenstaande is gebleken dat de ingelegde gelden zijn verworven door middel van oplichting en derhalve uit misdrijf afkomstig zijn. Uit in elk geval de boven aangehaalde verklaringen van medeverdachte 1 blijkt dat verdachte rechtspersoon de gelden, zoals deze in bijlage III in het bijzonder zijn bewezen, op haar bankrekening dan wel op de bankrekening van medeverdachte 1 voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen door middel van overboekingen en gebruikt voor de bedrijfsvoering. Dit betekent wel dat de rechtbank vrijspreekt van het witwassen van het geld voor zover dit door de (mede)verdachte(n) privé is gebruikt of privé is omgezet door contante opnames.

Wat betreft de concrete verwijten van het witwassen zijn door de verdediging geen verweren gevoerd of standpunten ingenomen die de rechtbank tot een uitdrukkelijke overweging nopen. Wel overweegt de rechtbank, dat aannemelijk is dat medeverdachte 1.

Verdachte en medeverdachte 2 geen opzet hebben gehad op elk van de concrete, in de tenlastelegging genoemde, bedragen. Dit staat echter niet in de weg aan het bewijs van het medeplegen van feitelijke leidinggeven aan gewoontewitwassen. In het kader van het bewijs van medeplegen volstaat wat dit betreft algemene wetenschap.

In dat kader is van belang de verklaring van medeverdachte 4 tegenover de verhorende ambtenaren van de FIOD, waaruit onder meer blijkt dat medeverdachte 2, in verband met de financiële problemen bij verdachte rechtspersoon, geld van klanten op de bankrekening van betrokkene 13 heeft laten storten. Vanaf die rekening werd het geld, na overleg daartoe tussen de verdachte en onder meer diens medeverdachten medeverdachte 4 en medeverdachte 2, verdeeld. Tevens werd er een bedrag gestort op de, destijds bij de verdachte in gebruik zijnde, bankrekening van betrokkene 12.

Wat betreft het ten laste gelegde feit onder 5, de valselijk opgemaakte inkomensverklaring van medeverdachte 5 van € 82.000,-, heeft de raadsman van de verdachte bij pleidooi het volgende aangevoerd.

Medeverdachte 1 kwam met de volgende berekening voor het inkomen van € 82.000:

Maandelijks stort verdachte rechtspersoon van het netto-inkomen van verdachte een bedrag van € 2.250 (wat daadwerkelijk vanaf januari 2006 is ook gedaan). 12 x € 2.250 = € 27.000.

27.000 netto is 54.855 bruto (zie berekening loonwijzer periode 2006), plus het bruto salaris van medeverdachte 5 uit arbeid € 26.675 = € 81.530. Geen 225 Sr. m.b.t. de inkomensverklaring.

Dit verweer mist feitelijke grondslag en wordt verworpen, dus nog los van het feit dat inkomens niet bij elkaar opgeteld behoren te worden en dat de verdachte dat gezien zijn achtergrond als financieel adviseur moet hebben geweten.

Medeverdachte 1 heeft als getuige ter terechtzitting immers ontkent dat hij een dergelijke berekening heeft gemaakt. Er zijn verder geen aanwijzingen die het standpunt van de verdachte ondersteunen. Dat medeverdachte 1 die berekening heeft gemaakt, is derhalve niet aannemelijk geworden. Nu de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de inkomensverklaring heeft ondertekend, acht de rechtbank bewezen dat hij die verklaring ook heeft ingevuld.

Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat een netto salaris van € 27.000,- bruto niet (ruim) het dubbele is. Welke berekeningsmethode de raadsman heeft gebruikt is niet duidelijk. De verwijzing naar de loonwijzer 2006 is onduidelijk en een berekening is niet aan het pleidooi gehecht. Nu ook overigens aanwijzingen ontbreken is derhalve evenmin aannemelijk geworden dat medeverdachte 5 in de genoemde periode weldegelijk een inkomen heeft gehad van € 82.000,-.

Bewezenverklaring

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1. primair: Oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 2. Opzettelijke overtreding van artikel 3:5, eerste lid, van de WFT, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 3 meer subsidiair: Eenvoudige bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

Feit 4 primair: Witwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 5 subsidiair: Valsheid in geschrift.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden.

Daarnaast ontzet de rechtbank de verdachte van de uitoefening van enig beroep in de financiële sector voor de duur van de gevangenisstraf plus drie jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF