Politierechter verklaart officier van justitie niet-ontvankelijk wegens schending redelijke termijn

Rechtbank Oost-Brabant 23 juni 2015, parketnummer 01.138228.14 Aan verdachte is in casu vernieling van een rolluik ten laste gelegd. Het strafbare feit waarvan verdachte wordt verdacht is gepleegd op 15 juni 2011. Verdachte is voor dit feit aangehouden en verhoord op 15 juni 2011. Verdachte is voor dit feit voor het eerst gedagvaard voor de zitting van 23 juni 2015.

De verdediging heeft de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit. Daartoe heeft de raadsman, mr. P.T. Verweijen, onder meer aangevoerd dat de redelijke termijn waarbinnen een vervolging moet zijn afgerond is overschreden. Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn is de verdediging geschaad in haar verdedigingsbelang. Verdachte kan zich niet goed meer herinneren wat er vier jaar geleden is gebeurd en kan derhalve de beschuldiging niet meer op adequate wijze weerleggen.

De politierechter is van oordeel dat de redelijke termijn met twee jaar is overschreden.

In beginsel leidt de overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM, maar tot strafvermindering.

De politierechter ziet echter in onderhavige zaak redenen om van deze hoofdregel af te wijken en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. Daarbij betrekt de politierechter het volgende:

De officier heeft de zaak vier jaar laten liggen. Zij heeft voor deze vertraging geen enkele verschoonbare reden aangevoerd. De door de officier van justitie genoemde organisatorische redenen komen voor rekening van het OM. Verdachte en zijn raadsman hebben niet voor vertraging gezorgd.

Het betreft hier een zeer eenvoudige zaak van relatief gering belang, te weten het vernielen van een rolluik. Er heeft zich geen benadeelde partij gevoegd. Tegenover het algemeen maatschappelijk belang bij vervolging voor deze vernieling staat dat verdachte door het verstrijken van de tijd in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Verdachte is een ontkennende verdachte. Hij heeft aangegeven zich niet goed meer te kunnen herinneren wat er op 15 juni 2011 is gebeurd.

Verdachte is na 15 juni 2011 nog verschillende keren berecht voor andere feiten. Het had in de rede gelegen om dit feit tezamen met die andere feiten te behandelen.

De politierechter is van oordeel dat onder deze bijzondere omstandigheden bij deze ernstige schending van de redelijke termijn, waardoor door het tijdsverloop behalve jet rechtszekerheidsbeginsel ook het verdedigingsbelang is geschonden, mede gelet op de geringe ernst van het feit, niet kan worden volstaan met strafvermindering, maar dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF