Over de voorlegplicht en de cautie

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft in de tussenuitspraak van 26 oktober 2017 overwegingen gewijd aan twee vraagstukken die het snijvlak van het bestuursrecht en strafrecht raken en die interessant zijn voor de toezichtpraktijk. Het CBb heeft ten eerste een oordeel gegeven over (een gebrek aan) de toepassing van de ‘voorlegplicht’ in artikel 5:44, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Deze bepalingen regelen de afstemming tussen een bestuursorgaan en het Openbaar Ministerie, voordat een bestraffende sanctie, zijnde een bestuurlijke boete, wordt opgelegd. Er zijn niet veel uitspraken over de toepassing van de voorlegplicht gedaan, waardoor het interessant is om stil te staan bij de overwegingen van het CBb op dit punt.

Daarnaast heeft het CBb overwegingen gewijd aan de cautie, waarmee een betrokkene erop wordt gewezen dat hij bij een verhoor niet verplicht is een verklaring over een overtreding af te leggen. Stijnen merkt in zijn annotatie bij onderhavige uitspraak op dat het CBb in deze uitspraak het startmoment van het zwijgrecht en een daarmee corresponderende cautieplicht aanzienlijk meer naar voren haalt dan het eerder deed. Naar de mening van de auteurs past het CBb simpelweg artikel 5:10a Awb toe en volgt uit de uitspraak niet dat het CBb een nieuwe lijn ten aanzien van de cautieplicht hanteert.

In deze annotatie beschrijven de auteurs eerst de inhoud en reikwijdte van de wettelijke voorlegplicht om vervolgens het oordeel van het College over de voorlegplicht te bespreken. Verder lichten wij toe hoe financieel toezichthouders toepassing geven aan de voorlegplicht en zetten ze deze toepassing af tegen de wetsgeschiedenis van artikel 5:44 Awb. Daarna zetten zij uiteen hoe zij de overwegingen van het CBb ten aanzien van de cautie begrijpen.

Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF