Oplichting werkgever tot afgifte geldbedragen

Rechtbank Midden-Nederland 30 juli 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3305

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • primair: in de periode van 15 september 2011 tot en met 13 juni 2013 [naam] door middel van oplichting heeft bewogen tot afgifte van €66.174,-.
  • subsidiair: in de periode van 15 september 2011 tot en met 13 juni 2013 €66.174,- heeft verduisterd van haar werkgever [naam].
  • meer subsidiair: in de periode van 15 september 2011 tot en met 13 juni 2013 €66.174,- heeft gestolen van [naam].

De verdediging heeft zich op het primaire standpunt gesteld dat zowel het onder primair als het onder subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde niet bewezen kan worden, zodat vrijspraak dient te volgen.

Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een vormverzuim en dat dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Verdachte is voorafgaand aan haar verhoor door de politie wel gewezen op haar recht op consultatiebijstand, maar niet op haar recht op kosteloze rechtsbijstand. Dit had, gelet op het soort zaak, volgens de verdediging wel gemoeten. De verklaring afgelegd door verdachte bij de politie dient derhalve uitgesloten te worden van het bewijs. De verdediging acht zonder de bekennende verklaring van verdachte onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig, zodat vrijspraak dient te volgen van het onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feit.

De rechtbank verwerpt voornoemd verweer tot bewijsuitsluiting.

Zoals blijkt uit het procesdossier is verdachte niet aangehouden. Verdachte is, na te zijn ontboden op het politiebureau, verhoord. In die situatie is het niet vereist dat zij voorafgaand aan haar verhoor door de politie wordt gewezen op het recht op consultatiebijstand. Daarbij is niet gebleken van enige bijzondere omstandigheid, op grond waarvan dit in haar geval toch had moeten gebeuren. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring kan derhalve gebruikt worden voor het bewijs.

De rechtbank is van oordeel dat, op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, kan worden vastgesteld dat verdachte door een listige kunstgreep aangever heeft bewogen tot afgifte van geld. Verdachte heeft bedrieglijke handelingen verricht, zij heeft immers rekeningnummers van debiteuren in de administratie van aangever ten onrechte gewijzigd in nummer(s) van haarzelf en van meerdere familieleden, waardoor aangever is bewogen tot afgifte van geldbedragen aan de onjuiste, door verdachte ingevoerde, rekeningnummers. De rechtbank acht derhalve het onder primair ten laste gelegde feit, te weten oplichting, wettig en overtuigend bewezen.

Strafoplegging

Werkstraf 180 uren, gevangenisstraf twee maanden voorwaardelijk en toewijzing vordering BP.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF