Oplichting van de verzekeringsmaatschappij: valse aangifte diefstal met geweld

Rechtbank Amsterdam 26 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1717

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:

  1. een valse aangifte van diefstal met geweld heeft gedaan waarbij twee telefoons zouden zijn gestolen; en
  2. verzekeringsmaatschappij bedrijf 1 B.V. heeft opgelicht door een schadeclaim in te dienen ter hoogte van € 1.330,30.
     

Standpunt Openbaar Ministerie

Zowel de valse aangifte als de oplichting kunnen bewezen worden verklaard. De overval waarvan verdachte aangifte heeft gedaan heeft niet plaatsgevonden. Verdachte heeft de IMEI-nummers opgegeven van de twee telefoons die volgens zijn aangifte van hem zijn gestolen, respectievelijk eindigend op nummer 1 en nummer 2. Verdachte heeft verklaard dat hij met één van die twee telefoons aan het bellen was op het moment van de overval. Uit technisch onderzoek is echter gebleken dat de telefoon met IMEI-nummer eindigend op nummer 1 al sinds november 2014 in gebruik was bij persoon 1. Daarnaast is uit het dossier ook niet gebleken dat met de telefoon met het IMEI-nummer eindigend op nummer 2 is gebeld op het moment van de overval. De telefoon met het IMEI-nummer eindigend op nummer 2 is in december 2014 slechts enkele dagen in gebruik geweest. De verzekeringsmaatschappij bedrijf 1 B.V. is naar aanleiding van de schadeclaim gebaseerd op de valse aangifte overgegaan tot uitkering van € 1.330,30. Verdachte heeft de verzekeraar middels een samenweefsel van verdichtsels bewogen tot afgifte van het geldbedrag.
 

Standpunt verdediging

Verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel de valse aangifte als de oplichting. Verdachte heeft bij zijn aangifte ten onrechte het IMEI-nummer eindigend op nummer 1 opgegeven. Verdachte moet zich in de IMEI-nummers hebben vergist, nu hij over meerdere telefoons beschikte (die nog ongebruikt waren). Verdachte had op het moment van de overval meerdere telefoons in zijn bezit en had tevens meerdere abonnementen lopen, waardoor de kans op vergissing groot was. Verdachte heeft geen valse aangifte gedaan, omdat niet kan worden gesteld dat hij opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard toen hij aangifte deed. Het feit dat hij zich heeft vergist bij het opgeven van een IMEI-nummer, staat er niet aan in de weg dat het strafbare feit waarvan hij aangifte heeft gedaan daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft verdachte niet verklaard dat hij met de telefoon met het IMEI-nummer eindigend op nummer 2 aan het bellen was op het moment van de overval. Uit zijn aangifte blijkt dat hij aan het bellen was met een telefoon en vervolgens een telefoon heeft afgegeven, maar hieruit volgt niet dat het om dezelfde telefoon gaat. Gelet op het voorgaande heeft verdachte geen valse aangifte gedaan en hieruit volgt tevens dat verdachte bedrijf 1 B.V. niet heeft opgelicht, nu het vereiste oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling en enig oplichtingsmiddel ontbreken.
 

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van zowel de valse aangifte als de oplichting. De rechtbank stelt daarvoor aan de hand van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft op 28 januari 2015 aangifte gedaan van diefstal met geweld van twee telefoons (beide type iPhone 6), gepleegd in zijn winkel op 27 januari 2015. Hij heeft verklaard dat hij in zijn restaurant aan het werk was, toen er twee negroïde mannen binnen kwamen en twee broodjes bestelden. Toen aangever al bellend naar de keuken liep, zou één van de mannen achter hem zijn gaan staan, een mes of een schroevendraaier in zijn rug hebben geprikt en hebben gezegd: “geef die telefoon”. Daarop zou verdachte hebben opgehangen en de telefoon achterlangs aan de man hebben gegeven. De mannen zouden ook nog een andere telefoon die aan de oplader lag hebben meegenomen. Verdachte heeft bij zijn aangifte opgave gedaan van twee IMEI-nummers die zouden horen bij de weggenomen telefoons, waarvan één eindigend op nummer 1 en de ander eindigend op nummer 2.

Na technische acties op beide IMEI-nummers die door verdachte zijn opgegeven, is gebleken dat de telefoon met IMEI-nummer eindigend op nummer 1 in gebruik was bij persoon 1. Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat persoon 1 deze telefoon van 23 november 2014 tot en met 2 februari 2015 in gebruik heeft gehad. Persoon 1 heeft zelf verklaard dat hij ongeveer twee maanden gebruikt maakt van de telefoon, hetgeen overeenkomt met de historische gegevens. Uit vorenstaande leidt de rechtbank af dat de telefoon al voordat de overval zou hebben plaatsgevonden in gebruik was bij een ander. Het is dan ook onmogelijk dat verdachte deze telefoon op het moment van de overval onder zich had en deze op die dag van hem gestolen is.

Uit de aangifte van verdachte volgt dat hij met een telefoon aan het bellen was en die vervolgens probeerde op te bergen in zijn schort. Eén van de overvallers zei dat hij die telefoon moest geven, waarna hij zijn telefoon heeft gegeven. Dit kan, gelet op het bovenstaande, niet de telefoon met het IMEI-nummer eindigend op nummer 1 zijn geweest.

Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens blijkt voorts dat met de andere beweerdelijk gestolen telefoon (met IMEI-nummer eindigend op nummer 2 ) die dag geen gesprekken hebben plaatsgevonden. Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat er slechts 26 telecommunicatiemomenten zijn geweest, allen tussen 21 december 2014 en 24 december 2014. Ook deze telefoon kan aldus niet de telefoon zijn waar verdachte ten tijde van de beweerdelijke overval mee aan het bellen was.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de aangifte van verdachte op dit punt onjuist wordt geïnterpreteerd. De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van de aangifte duidelijk volgt dat verdachte heeft verklaard dat hij de telefoon waarmee hij aan het bellen was heeft afgegeven, en niet een andere telefoon.

Uit vorenstaande leidt de rechtbank af dat de telefoons waarover verdachte heeft verklaard niet zijn weggenomen op 27 januari 2015. Verdachte heeft aldus in strijd met de waarheid aangifte gedaan.

Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw, dat verdachte zich moet hebben vergist in de IMEI-nummers en dat aldus niet kan worden gesteld dat verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard, overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft in deze zaak twee verklaringen afgelegd. Zijn eerste verklaring betrof zijn aangifte en de tweede verklaring betrof zijn verhoor als verdachte. De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte niet consistent is geweest in hetgeen hij heeft verklaard. Tijdens zijn aangifte heeft verdachte verklaard dat één telefoon aan de lader lag en dat hij met de andere telefoon aan het bellen was. Tijdens zijn verhoor als verdachte heeft hij verklaard dat beide telefoons op de werktafel in het doosje aan de oplader lagen. Daarnaast heeft verdachte in zijn aangifte verklaard dat de daders negroïde mannen waren, maar tijdens zijn verhoor als verdachte heeft hij verklaard dat de daders van Marokkaanse of Antilliaanse komaf konden zijn. Wanneer verdachte wordt geconfronteerd met de opgevraagde historische gegevens van beide telefoons, verklaart hij meermaals dat het niet kan. Enige toelichting daarop blijft uit. Zijn raadsvrouw heeft eerst ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte zich moet hebben vergist in de IMEI-nummers, nu hij meerdere telefoons bezat. Nu er geen andere IMEI-nummers zijn overgelegd en dit verweer niet nader is gespecificeerd, is dit verweer voor de rechtbank niet verifieerbaar. De rechtbank acht het geschetste scenario, mede gelet op de verschillende verklaringen die verdachte heeft afgelegd, onaannemelijk.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte opzettelijk een valse aangifte heeft gedaan. Verdachte heeft vervolgens, onder meer, deze valse aangifte aan de verzekeraar gestuurd en daarbij verzocht om vergoeding van de schade.

Om veroordeeld te kunnen worden voor oplichting is vereist dat verdachte bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen. Dit moet zijn gedaan met een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen en met het doel om misbruik van die onjuiste voorstelling te maken. Verdachte moet daarbij ten minste één van de in de wet genoemde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt.

De rechtbank stelt vast dat aan voornoemde vereisten is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte een samenweefsel van verdichtsels en listige kunstgrepen gebruikt, nu hij voorafgaand aan het indienen van de schadeclaim naar de politie is gegaan om aangifte te doen. Deze aangifte is op schrift gesteld en is nader onderbouwd met een factuur van de telefoons. Dit handelen heeft een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen bij de verzekeraar, die tot uitkering van de schadeclaim is overgegaan nu zij dacht dat verdachte was overvallen en was bestolen van beide telefoons. Verdachte had als doel om daar misbruik van te maken, nu hij de schadeclaim kennelijk heeft ingediend om geld te ontvangen van bedrijf 1 B.V.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.
  • Feit 2: oplichting.

 

Strafoplegging

Een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete van € 1.000.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF