Oplichting: een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen

Artikel 326 Sr is geplaatst onder Titel XXV (‘Bedrog’) van Boek II van het Wetboek van Strafrecht. Bij het opstellen van Titel XXV was het uitgangspunt, zoals gezegd, dat de wetgever zich moest onthouden van een strafbaarstelling van bedrog in genere. Men vreesde dat een algemene strafbaarstelling van bedrog de grenzen van de bevoegdheid van de wetgever om strafrechtelijk op te treden, zou overschrijden. De wetssystematiek als zodanig stuurt daarom aan op specifieke, (sterk) afgebakende delictsomschrijvingen om een strafbaarstelling van ‘bedrog in genere’ uit te sluiten. Specifiek voor oplichting, artikel 326 Sr, heeft de wetgever aan die algemene gedachte nadere uitvoering gegeven door bepaalde oplichtingsmiddelen – een valse naam, een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels – als zodanig onderdeel van die strafbepaling te doen zijn. Zij geven een nadere afbakening aan de vorm en inhoud van strafbaar bedrog. Dat roept de vraag op of daarmee werkelijk, ook in de onderlinge verhouding tussen die middelen, een afbakening is gecreëerd, die vervolgens ook in de rechtspraak wordt gerespecteerd.

Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF