Oplichting door het aannemen van een valse hoedanigheid?

Hoge Raad 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:21

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft bij arrest van 4 februari 2014 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden ter zake van oplichting, meermalen gepleegd.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij, als exploitant van een bloemenzaak, met het oogmerk van eigen bevoordeling, diverse daarbij betrokkenen - te weten twee verkoopmedewerksters, een schildersbedrijf en een viertal leveranciers - bewogen heeft tot het verrichten van diensten en het leveren van goederen door het bezigen van één of meer van de oplichtingsmiddelen als opgenomen in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Op grond van het dossier - verdachte is ter terechtzitting in eerste aanleg, noch ter terechtzitting in hoger beroep verschenen - stelt het hof de navolgende gang van zaken vast.
Verdachte heeft in het najaar van 2011 het plan opgevat om een bloemenzaak op te zetten in Franeker. Daartoe is hij een huurovereenkomst aangegaan met betrekking tot een winkelpand gelegen aan de a-straat 1 in Franeker. Op 2 december 2011 werd de winkel aldaar aan de a-straat 1 geopend. Ten behoeve van de exploitatie is verdachte vanaf het najaar van 2011 verplichtingen aangegaan met derden. Hij heeft twee dames, de aangeefsters betrokkene 2 en betrokkene 1, bereid gevonden om tegen een afgesproken uurloon verkoop- en alle overige in de winkel voorkomende werkzaamheden te verrichten.
Voorts heeft hij een schildersbedrijf opdracht gegeven om de pui van de winkel te schilderen en bij diverse bloemengroothandels, waaronder de onder 3 primair en subsidiair genoemde groothandels, bloemen en aanverwante producten besteld en geleverd gekregen en afspraken gemaakt over de betalingen. Vaststaat dat verdachte het aan de dames betrokkene 2 en betrokkene 1 verschuldigde loon, het met het schildersbedrijf afgesproken bedrag voor de door deze verrichte werkzaamheden en de met de leveranties van bloemen gemoeide kosten niet dan wel niet volledig heeft voldaan.
De advocaat-generaal heeft betoogd dat verdachte van het begin af aan heeft geweten, dan wel had moeten weten, dat hij niet in staat was en zou zijn om zijn financiële verplichtingen na te komen. Door middel van een samenweefsel van verdichtsels - leugens, zoethoudertjes en enige deelbetalingen - heeft hij de dames betrokkene 1 en betrokkene 2 bewogen diensten te verrichten en te blijven verrichten. Voor de leveranties van bloemen, planten en aanverwante goederen geldt mutatis mutandis hetzelfde. Er is derhalve volgens het openbaar ministerie in die gevallen sprake van oplichting. Waar het gaat om de door het schildersbedrijf D verrichte werkzaamheden stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat hier sprake is van (civielrechtelijke) wanprestatie. Met betrekking tot dit feit acht de advocaat-generaal de ten laste gelegde oplichting niet wettig en overtuigend bewezen en heeft zij gevorderd dat het hof tot vrijspraak van dit feit over zal gaan.
Verdachte daarentegen heeft ten overstaan van verbalisanten verklaard dat er geen sprake is geweest van oplichting. Hij stelt zich op het standpunt dat hij als ondernemer op serieuze wijze bezig is geweest met de oprichting en voortzetting van zijn bedrijf. Weliswaar heeft hij zich vanwege - in zijn visie spoedig op te lossen - liquiditeitsproblemen een enkele maal bediend van een leugentje, maar dat was slechts om tijd te winnen. Die leugentjes waren bovendien niet van dien aard dat deze als oplichting zouden moeten worden aangemerkt.
Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat verdachte van het begin af aan de bedoeling had om zich wederrechtelijk te bevoordelen in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Dat was gaandeweg echter wèl het geval.
betrokkene 2 en betrokkene 1 hebben verklaard dat verdachte hun op 31 december 2011 heeft verzekerd dat hun salaris over de voorafgaande maand was overgemaakt. Toen bleek dat zij niets op hun rekening hadden ontvangen, zei verdachte hun - wetende dat er geen overboeking had
plaatsgevonden - dat er 'kennelijk bij de bank iets was misgegaan'. Door zich voor te doen als bonafide werkgever werden betrokkene 2 en betrokkene 1 daardoor bewogen om ook hun werkzaamheden voor verdachte op 3 respectievelijk 4 januari 2012 voort te zetten. De schriftelijke toezegging van verdachte dat zij op 9 januari 2012 de verschuldigde bedragen konden ophalen alsmede een salarisstrook en de eindafrekening werd uitgesteld en heeft vervolgens in het geheel geen doorgang gevonden. Ook de beweerdelijke aanmelding bij een salarisverwerkingsbureau in Drachten en bij de Belastingdienst, ten behoeve waarvan aangeefsters formulieren hadden ingevuld, bleek nimmer te hebben plaatsgevonden.
Onder 2 is ten laste gelegd dat verdachte het schildersbedrijf D heeft opgelicht door dat bedrijf schilderswerkzaamheden te laten verrichten door zich - kort gezegd - voor te doen als bonafide klant. Het hof kan uit de bewijsmiddelen niet afleiden dat verdachte reeds in die fase - de werkzaamheden werden, voorafgaand aan de opening van de winkel, verricht op 29 november 2011 - de intentie had om het daarmee gemoeide bedrag van € 654 niet te voldoen. Verdachte zal dan ook, conform de vordering van de advocaat-generaal, worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.
Met betrekking tot de vier in de tenlastelegging opgenomen bloemenleveranciers - C BV, E, B en A - overweegt het hof het navolgende.
C BV heeft in de periode van 1 tot en met 19 december 2011 tal van bloemenleveranties aan verdachte gedaan. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat verdachte reeds toen in een dusdanig slechte financiële situatie verkeerde dat hij moet hebben geweten dat hij zijn verplichtingen tegenover C, mede vastgelegd in een op 13 december 2011 door verdachte getekende incasso-overeenkomst, niet zou kunnen nakomen. Uit de betreffende aangifte blijkt niet van leveranties door C na 19 december 2011. Wellicht is er sprake van wanprestatie van de zijde van verdachte jegens C in civielrechtelijke zin, doch het hof acht niet bewezen dat verdachte zich ten opzichte van C BV heeft schuldig gemaakt aan oplichting.
E heeft een eenmalige leverantie aan verdachte gedaan en wel op 17 november 2011. Ook ten aanzien van dit onderdeel van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde geldt, dat niet gebleken is dat verdachte reeds toen, als beginnend ondernemer, voornemens was de nota niet te betalen.
Het bedrijf B heeft aan verdachte geleverd op 30 december 2011, 5 januari 2012, 6 januari 2012 en 12 januari 2012. De eerste twee leveringen heeft verdachte contant betaald, zij het dat de tweede levering deels werd betaald met emballage van C BV. Verdachte heeft daarmee bij B het vertrouwen gewekt dat hij een betrouwbare klant was. De derde en de vierde levering zou via een incasso worden betaald. Die incasso's werden echter 'wegens administratieve redenen' gestorneerd. Door middel van hele en halve leugens - zijn ex-vrouw zou beslag hebben laten leggen op zijn bankrekening, hij zou net geld hebben gestort, hij had net de loodgieter betaald en zat daarom even krap bij kas, etc. - wist verdachte nog een vijfde, zesde en zevende levering te verkrijgen. Het hof acht bewezen dat er ten aanzien van de derde tot en met de laatste levering sprake is geweest van oplichting van B doordat verdachte zich heeft voorgedaan als bonafide klant, wetende dat hij dat niet was en in die valse hoedanigheid B heeft bewogen tot (voortzetting van) de genoemde bloemenleveranties.
Op 24 januari 2012 werd A via internet door verdachte benaderd ter zake van een levering van 7.000 rozen. Nadat aangever betrokkene 5 een bezoek had gebracht aan het bedrijf van verdachte waarbij afspraken werden gemaakt over de betaling, werden er op 31 januari 2012, 2 februari 2012 en 9 februari 2012 leveranties aan verdachte gedaan. Op 13 februari 2012 werd betrokkene 5 telefonisch benaderd door een RTL4- programma dat zich bezighoudt met onderzoek naar criminele praktijken. Hem werd gevraagd of hij zaken deed met verdachte. Toen betrokkene 5 daarop naging hoe het stond met verdachtes betalingen, zag hij dat twee incasso's gestorneerd waren. Gevraagd naar uitleg bediende verdachte zich van soortgelijke hele en halve leugens als tegenover B gebezigd. Toezeggingen kwam hij stelselmatig niet na. Hier geldt dat verdachte vanaf zijn eerste bestelling wist, gelet op zijn toen reeds nijpende financiële situatie, dat zijn banksaldo niet toereikend was voor een automatische incasso en hij zijn verplichtingen tegenover het bedrijf A niet zou kunnen nakomen.
Resumerend is het hof van oordeel dat verdachte vanaf begin januari 2012, door geen openheid van zaken te geven over de staat waarin zijn bedrijf inmiddels verkeerde en de benadeelden met onwaarheden aan het lijntje te houden, de dames betrokkene 2 en betrokkene 1, alsmede de bloemenbedrijven B en A op strafwaardige wijze heeft bewogen tot het verrichten van diensten dan wel het blijven leveren dan wel leveren van goederen."

Middel

Het middel klaagt over de bewezenverklaring onder 1 en 3, voor zover inhoudende dat de verdachte telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid personen heeft bewogen tot het verlenen van diensten, onderscheidenlijk tot de afgifte van een hoeveelheid bloemen, planten en overige goederen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte door het aannemen van een valse hoedanigheid betrokkene 1 en betrokkene 2, respectievelijk de bloemenbedrijven B en A, heeft bewogen tot het verrichten van diensten respectievelijk de afgifte van goederen. Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte - die vanaf het najaar van 2011 doende was met de opening van een bloemenzaak en in dat kader verplichtingen aanging met derden waarin hij bij herhaling tekortschoot - vanaf begin januari 2012, door geen openheid van zaken te geven over de staat waarin zijn bedrijf inmiddels verkeerde en de benadeelden met onwaarheden aan het lijntje te houden, betrokkene 1, betrokkene 2, B en A heeft bewogen tot het verrichten van werkzaamheden dan wel het (blijven) leveren van goederen door zich voor te doen als een bonafide werkgever respectievelijk klant. In dat verband heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte betrokkene 1 en betrokkene 2 op 31 december 2011 in strijd met de waarheid heeft verzekerd dat hun salaris over de voorafgaande maand was overgemaakt en hun vervolgens – wetende dat geen overboeking had plaatsgevonden – heeft gezegd dat er 'kennelijk bij de bank iets was misgegaan', waarna betrokkene 1 en betrokkene 2 hun werkzaamheden voor de verdachte op 3 respectievelijk 4 januari 2012 hebben voortgezet. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte bij het bedrijf B vanaf 5 januari 2012 leveringen van bloemen heeft weten te verkrijgen door twee voorafgaande leveringen ter plaatse te betalen en vervolgens met hele en halve leugens over beslaglegging en beweerdelijk door de verdachte verrichte betalingen het onbetaald blijven van die vervolgleveringen te verklaren. Ten slotte heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte op 26 januari 2012 mondelinge betalingsafspraken heeft gemaakt met het bedrijf A, terwijl de verdachte wist dat hij, gelet op zijn toen reeds nijpende financiële situatie, zijn verplichtingen naar aanleiding van zijn daarop volgende bestellingen niet zou kunnen nakomen.

's Hofs oordeel geeft gelet op deze vaststellingen, in onderlinge samenhang bezien, en in aanmerking genomen hetgeen de Hoge Raad in zijn arresten van 20 december 2016, ECLI:NL: HR:2016:2889, rov. 2.3.4 en 2.3.6 en ECLI:NL:HR:2016:2892, rov. 2.3.4 en 2.3.6 heeft overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF