Oplichting door babbeltruc: bewijsmiddelen in verschillende zaaksdossiers versterken elkaar en worden in onderling verband en samenhang bezien

Gerechtshof Amsterdam 22 mei 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1673

De verdachte heeft zich, een aantal keren samen met een andere persoon, in een periode van nog geen twee weken, zeven keer schuldig gemaakt aan oplichting van kwetsbare personen. De verdachte heeft zich bij deze delicten voorgedaan als pakketbezorger en heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hij in die hoedanigheid van de slachtoffers wist te winnen. Met een listig verhaal heeft hij de slachtoffers bewogen tot het afgeven van hun bankpas en bijbehorende pincode. Vervolgens heeft de verdachte en/of de Medeverdachte met de ontvreemde bankpassen en verkregen pincodes aanzienlijke bedragen van de rekeningen van de slachtoffers opgenomen, waardoor de verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel. 
 

Beoordeling hof

Het hof is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden opgemaakt dat de ten laste gelegde oplichtingen en diefstallen op verschillende vlakken duidelijke en essentiële overeenkomsten vertonen, welke hieronder worden toegelicht.

Modus operandi

In een tijdsbestek van nog geen twee weken heeft in Amsterdam-West een reeks van oplichtingen, gevolgd door diefstallen plaatsgevonden door middel van een babbeltruc. De vooral kwetsbare slachtoffers – op hogere leeftijd of fysiek beperkt – werden bezocht door een persoon die zich voordeed als pakketbezorger die de slachtoffers een pakketje aanbood. De slachtoffer moesten voor ontvangst van het pakketje een laag bedrag aan portokosten pinnen door middel van een – niet werkend - mobiel pinapparaat. Na het – zogenaamde – pinnen liep de ‘parketbezorger’ met een smoes weg met de pinpas van het slachtoffer. Niet veel later verdween in de meeste gevallen ook geld van de rekening via opnamen bij pinautomaten.

Herkenning camerabeelden en in beslag genomen goederen

Kleding

In de woning van de verdachte is bij doorzoeking een aantal kledingstukken aangetroffen dat grote gelijkenissen vertoont met de door de pinner gedragen kleding op de camerabeelden in de verschillende zaaksdossiers. Zo is een donkerkleurige jas, merk ‘Add’, met een aantal opvallende kenmerken aangetroffen. De jas heeft horizontale strepen ter hoogte van de schouders, verticale strepen op de rug, borstzakken met een drukknoop, een rits op de rechterzijde van de borst, een blok met horizontale streepjes op de mouwen ter hoogte van de bovenarm. Deze jas komt sterk overeen met de jas die wordt omschreven in onder andere zaaksdossiers 3 en 5. In zaaksdossier 3 is de verdachte door zes verbalisanten op de camerabeelden herkend als zijnde de pinner.

Bij de doorzoeking van de woning van de Medeverdachte 1 aan de adres 1 is een donkerkleurige jas aangetroffen, voorzien van een capuchon, de lengte tot over de heup en met een zakje op de linkermouw ter hoogte van de bovenarm dat voorzien is van een verticale rits. Deze jas komt sterk overeen met de gedragen jas op de camerabeelden in de zaaksdossiers 1 en 4. In zaaksdossier 4 is de persoon op de camerabeelden, de pinner, door vijf verbalisanten herkend als zijnde de Medeverdachte 1.

Schoenen

In de woning van de verdachte wordt tevens een paar schoenen, merk Dior Homme, aangetroffen. Het paar schoenen heeft een aantal opvallende kenmerken, namelijk een lichtkleurige hiel, een metalen vetertag en metalen veterringen. Op de camerabeelden in zaaksdossier 7 en 14 is te zien dat de pinner schoenen draagt met een lichtkleurige hiel, lichtkleurige veterringen en vetertag.

Blauwe rugtas

Op camerabeelden bij diverse pintransacties is een blauwe rugtas met een bruinkleurige bodem zichtbaar die door de pinner wordt gedragen. Zaaksdossier 3 bevat camerabeelden van de Albert Heijn, die vlakbij de Admiraal de Ruyterweg is gevestigd. Op deze camerabeelden is een manspersoon te zien die onder andere een blauwe rugtas met een bruinkleurige bodem draagt. Zes verbalisanten relateren dat zij deze persoon herkennen als zijnde de verdachte. Zaaksdossier 1 bevat camerabeelden van een particuliere camera in de Justus Halbertsmastraat te Amsterdam en camerabeelden bij de pinautomaat van de ABN-AMRO aan de Johan Huizingalaan. Op de beelden is een persoon te zien die een blauwe rugtas draagt. Verbalisant relateert dat de blauwe rugtas meerdere overeenkomsten vertoont met de rugtas die te zien is op de camerabeelden uit zaaksdossier 3. Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte is een daarop gelijkende blauwe rugtas met een bruinkleurige bodem aangetroffen.

Telecom

Er is onderzoek gedaan naar telefoonnummers die de verdachte in gebruik zou hebben. Uit Top600-informatie die betrekking heeft op de verdachte blijkt dat de telefoonnummers telefoonnummer 1 (#2483) en telefoonnummer 2 (#4375) zouden toebehoren aan de verdachte. Het telefoonnummer #2483 heeft gekoppeld gezeten aan IMEI-nummer imei-nummer. Uit de historische gegevens van dit IMEI-nummer blijkt dat onder andere het telefoonnummer 3 (#3190) hieraan gekoppeld heeft gezeten. Daarnaast noemt de gebruiker van het telefoonnummer #3190 in een telefoongesprek op 24 februari 2017 zijn naam en omschrijft hij zichzelf. De gebruiker van het andere telefoonnummer vraagt namelijk: ‘Wie is dit?’, waarop de gebruiker van het telefoonnummer #3190 antwoordt: ‘verdachte. Ikke van de buurt, verdachte, rood, blond, gatier weet je wie?’.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de verdachte de gebruiker is van dit telefoonnummer.

Het telefoonnummer #3190 heeft ten tijde van de babbeltrucs en het pinnen in de zaken 1, 3, 4, 5, 7, 9 en 2 meermalen contact gehad met het telefoonnummer 4 (#0275). De Medeverdachte 1 heeft verklaard dat dit nummer in gebruik is bij zijn broertje. Uit de historische gegevens van het telefoonnummer #0275 blijkt echter onder meer dat het telefoonnummer contact heeft met telefoonnummers die zouden toebehoren aan naam 1 en naam 2. Uit de politiesystemen blijkt dat de Medeverdachte 1 met deze personen is gecontroleerd. Bovendien blijkt uit Whatsapp-berichten die op 14 en 15 maart 2017 door gebruiker broertje verdachte, het broertje van de verdachte, zijn verstuurd dat dit Whatsapp-account is gekoppeld aan het telefoonnummer 5 (#4597) en niet aan het telefoonnummer #0275.

Op de telefoon is tevens een schermafbeelding gevonden waarop valt te zien dat voor het adres adres 1 te Amsterdam meterstanden zijn doorgegeven aan het bedrijf Nuon. Onder het kopje contactgegevens staan het telefoonnummer #0275 en het e-mailadres imai-adres.

De Medeverdachte Medeverdachte 1 is op 6 januari 2017 samen met de verdachte gecontroleerd.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de Medeverdachte 1 als gebruiker van het telefoonnummer #0275 kan worden aangemerkt.

In de zaaksdossiers 1, 2, 3, 4, 5 en 7 hebben de verdachte en Medeverdachte 1 telefonisch contact met elkaar voor, omstreeks en/of na het delict.

Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat met betrekking tot de verschillende zaaksdossiers sprake is van sterke overeenkomsten in de modus operandi, in de bij de verdachte en de Medeverdachte 1 in de woning aangetroffen kleding en de kleding die op de camerabeelden in de verschillende zaaksdossiers te zien is en in de historische gegevens van de beide telefoonnummers die laten zien dat de verdachte in de verschillende zaaksdossiers voor, tijdens en na het delict contact heeft gehad met de Medeverdachte 1. Bovendien is telkens sprake geweest van een gering tijdsverloop tussen de oplichtingen en de diefstallen. Dit brengt met zich dat het hof van oordeel is dat de bewijsmiddelen elkaar versterken in en onderling verband en samenhang moeten worden bezien.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

Op 6 januari 2017 tussen 14.00 uur en 14.17 uur is geprobeerd aangeefster benadeelde 7 bij haar woning aan de adres 2 te Amsterdam op te lichten door middel van een babbeltruc. De poging tot oplichting verliep volgens de eerder beschreven modus operandi totdat de aangeefster tegen de ‘pakketbezorger’ zei dat zij iemand moest bellen om voor haar te pinnen. Hierop liep de ‘pakketbezorger’ weg in de richting van een witte bestelbus.

Op diezelfde dag omstreeks 13.45 uur heeft een voltooide oplichting door middel van een babbeltruc plaatsgevonden aan de adres 2 te Amsterdam bij aangever benadeelde 2 (zaaksdossiers 3, onder 1 en 2 ten laste gelegd). Beide delictslocaties liggen circa vierhonderd meter uit elkaar. De modus operandi en het signalement van de dader komen grotendeels overeen en beide aangevers spreken van een wit bestelbusje. Nu het hof tot een bewezenverklaring komt van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en de telefoon van de verdachte omstreeks het tijdstip van het delict ‘uitpeilt’ in de directe omgeving van de woning van aangeefster benadeelde 7, komt het hof eveneens tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat bij dit feit sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking van de verdachte met een ander of anderen. De verdachte zal om die reden van dit gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 4 en 5

Zaaksdossiers 14

Op 8 februari 2017 is tussen 17.00 uur en 17.30 uur door middel van een babbeltruc de pinpas van aangeefster benadeelde 8 verkregen. Kort hierna is tweemaal gepind met deze pinpas. Op de camerabeelden van de wederrechtelijke pintransactie bij de ABN-AMRO op de Overschiestraat 1 te Amsterdam om 17.08 uur is een manspersoon te zien met een groene jas, een donkere muts en een sjaal waarmee hij zijn gezicht bedekt. De tweede wederrechtelijke pintransactie vond om 17.17 uur plaats bij de ING op de Derkinderenstraat te Amsterdam. Kinderdagverblijf ‘De Lieve Schoot’ ligt op de logische route vanaf de pinlocatie Overschiestraat 1 naar de pinlocatie Derkinderenstraat. Op de camerabeelden van dit kinderdagverblijf is te zien dat op 8 februari 2017 om 17.23 uur een man voorbij fietst. Hij draagt een donkerkleurige muts, een donkerkleurige sjaal die hij voor zijn mond heeft en een donkergroene, gewatteerde jas. De man fietst in die richting van de Postjesweg te Amsterdam. Om 17.17 uur is dezelfde man te zien. Hij fietst op dezelfde fiets en komt uit de richting van de Postjesweg. Gelet op de tijdstippen van de wederrechtelijke pintransacties en de overeenkomende signalementen van de pinner en de persoon op de fiets moet worden vastgesteld dat de persoon op de fiets beide wederrechtelijke pintransacties heeft verricht.

Daarnaast zijn de beveiligingsbeelden van het flatgebouw van de woning van de verdachte aan de adres 3 te Amsterdam opgevraagd. Op 8 februari 2017 is de verdachte tweemaal waargenomen (om respectievelijk 15.00 uur en 15.08 uur). Verbalisant herkent de verdachte aan zijn gezicht en zijn postuur. De verdachte draagt een donkerkleurige muts, een donkerkleurige sjaal tot aan zijn mond en een groenkleurige jas met horizontale stiksels/banen. Nu dit signalement van de verdachte overeenkomt met het signalement van de persoon op de fiets, van wie is vastgesteld dat hij beide wederrechtelijke pintransacties heeft verricht, komt het hof tot een bewezenverklaring ten aanzien van dit onderdeel van het ten laste gelegde. Het hof is van oordeel dat ook voor wat betreft dit feit er onvoldoende bewijs is voor een nauwe en bewuste samenwerking met een andere persoon, zodat de verdachte van medeplegen zal worden vrijgesproken.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
  • Feit 3: poging tot oplichting.
  • Feit 4: oplichting, meermalen gepleegd.
  • Feit 5: Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
     

Strafoplegging

  • Een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF