Ook als raadsman zich niet tijdig meldt, mag niet met het politieverhoor worden begonnen

Gerechtshof 's-Gravenhage 18 maart 2013, LJN BZ4352

Essentie

Raadsman meldt zich (om onbekende redenen) niet binnen de tussen politie en balie in het ressort Den Haag in de piketregeling afgesproken termijn op het politiebureau. De politie begint het verhoor van de verdachte die wel tevoren een raadsman wilde consulteren. Nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden die zulks zouden kunnen rechtvaardigen dient de niet-honorering van het consultatierecht tot bewijsuitsluiting te leiden.

Feiten

Op 8 mei 2012 om 19.45 uur is de verdachte op heterdaad aangehouden op grond van verdenking van overtreding van artikel 2, onder B, van de Opiumwet.

Na zijn aanhouding heeft de verdachte de cautie ex art 29 Wetboek van strafvordering gekregen. Vervolgens is hij gewezen op zijn recht om voorafgaande aan zijn verhoor een raadsman te consulteren. De verdachte heeft te kennen gegeven van dat recht gebruik te willen maken.

Op 8 mei 2012 om 21.29 uur heeft de politie de piketcentrale over de wens van de verdachte ingelicht.

In verband met de omstandigheid dat de raadsman nog niet was verschenen, is het verhoor van de verdachte - met toestemming van de hulpofficier van justitie - op 9 mei 2012 om 9.20 uur aangevangen. Niet gebleken is dat de verdachte voorafgaand aan dat verhoor afstand heeft gedaan van het recht op consultatie van een raadsman.

Met het oog op de inverzekeringstelling van de verdachte is het verhoor om 10.07 uur onderbroken, waarna het om 10.09 uur is hervat. Vervolgens is het verhoor om 10.40 uur nogmaals onderbroken teneinde de verdachte een bevel inverzekeringstelling te kunnen uitreiken.

Het verhoor van de verdachte is om 11.20 uur beëindigd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de op 9 mei 2012 tegenover de politie afgelegde verklaring van de verdachte van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu de verdachte - ondanks zijn uitdrukkelijke verzoek daartoe - niet in de gelegenheid is gesteld om voorafgaande aan dat verhoor een raadsman te consulteren. In dat verband heeft de raadsman betoogd dat de enkele omstandigheid dat de politie zich heeft gehouden aan de - recentelijk gewijzigde - piketregeling niet meebrengt dat afbreuk aan dat recht kan worden gedaan.

Oordeel Hof

Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad en het EHRM kan een door de politie aangehouden verdachte aan artikel 6 van het EVRM aanspraak op rechtsbijstand ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen.

Uit de inhoud van de piketregeling leidt het hof af dat de piketcentrale vanaf 7.00 uur operationeel is. Vanaf dat tijdstip worden piketmeldingen per sms aan de advocatuur doorgegeven. Volgens de regeling dient de raadsman binnen twee uur nadat de melding aan de piketcentrale heeft plaatsgevonden op het politiebureau aanwezig te zijn.

Naleving van de piketregeling brengt in de onderhavige zaak dus mee dat de raadsman zich uiterlijk om 9.00 uur op het politiebureau had dienen te melden.

Uit de omstandigheid dat het verhoor van de verdachte om 9.20 uur is aangevangen zonder dat de verdachte daaraan voorafgaand een raadsman heeft kunnen consulteren, leidt het hof af dat ondanks het bestaan van de piketregeling het beoogde doel daarvan - het tijdig kunnen consulteren door de verdachte van een raadsman - niet is gerealiseerd. Hetzij de raadsman heeft zich niet gehouden aan het in de piketregeling gestelde voorschrift dat een raadsman zich binnen twee uur na de melding aan de piketcentrale op het politiebureau dient te melden, hetzij de melding door de politie aan de piketcentrale is niet goed doorgekomen dan wel de melding van de piketcentrale aan de raadsman is niet goed doorgekomen.

In de onderhavige zaak ziet het hof zich dus gesteld voor de vraag of het enkele niet tijdig op het politiebureau verschijnen van een raadsman kan leiden tot een beperking van het consultatierecht van de aangehouden verdachte. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof kan de omstandigheid dat zich niet tijdig een raadsman meldt in beginsel geen afbreuk doen aan het recht van een aangehouden verdachte om voorafgaande aan zijn eerste politieverhoor een raadsman te consulteren. Dit beginsel zou wellicht uitzondering kunnen leiden als er sprake is van zodanig bijzondere, ook aan de verdachte toe te rekenen, omstandigheden dat de met het verhoor gemoeide belangen van waarheidsvinding moeten prevaleren boven verdachtes recht op voorafgaande consultatie. Bovendien zou de verdachte in de ontstane vertraging aanleiding kunnen vinden om alsnog in te stemmen met (de aanvang van) het verhoor. De beoordeling of de politie terecht met het verhoor is begonnen is uiteindelijk aan de strafrechter.

Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in de onderhavige zaak echter niet aannemelijk geworden.

Nu het verhoor van de verdachte heeft plaatsgehad zonder dat de verdachte daaraan voorafgaand een raadsman heeft kunnen consulteren, is het hof dan ook van oordeel dat de op 9 mei 2012 afgelegde verklaring van de verdachte van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF