Ontnemingsvordering ex-notaris in Klimopzaak

Rechtbank Noord-Holland 26 mei 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:4874

Bij vonnis van deze rechtbank van 21 december 2012 heeft de rechtbank betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden ter zake van onder meer (feit 1 subsidiair) Schuldwitwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.

De officier van justitie heeft zich bij conclusie van eis onder verwijzing naar de aan de vordering tot ontneming ten grondslag liggende ontnemings- rapportage van 16 november 2012 en de daarbij behorende bijlagen, op het standpunt gesteld dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat dient te worden op €607.089.

De raadsman van veroordeelde heeft zich op het standpunt gesteld dat een groot deel van de in depot gehouden gelden en de ter zake daarvan gedeclareerde bedragen betrekking hebben op depotgelden die niet op de tenlastelegging en dus evenmin in de bewezenverklaring voorkomen, dan wel niet in de tenlastegelegde periode vallen. In het bijzonder heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van de ten laste gelegde projecten, Hollandse Meester, Coolsingel en Solaris geldt dat in de ontnemingsrapportage facturen ten grondslag zijn gelegd aan de voordeelsberekening. Een groot aantal van deze facturen is gedateerd op een tijdstip dat ligt vóór het moment dat de litigieuze bedragen zijn overgemaakt op de derdengeldrekening. Op het moment van facturering was derhalve van schuldwitwassen nog geen sprake. De desbetreffende facturen kunnen om die reden geen rol spelen bij de voordeelsberekening.

Dit argument geldt ook voor het project Paasheuvelweg. Te dien aanzien geldt bovendien dat dit project niet ten laste is gelegd en ook niet kan worden aangemerkt als “soortgelijk feit” in de zin van artikel 36e lid 2 Sr. Het project Paasheuvelweg dateert immers van voor 14 december 2001. Voor die datum was het witwassen van opbrengsten van misdrijven nog niet strafbaar. Facturen uit 2000 en 2001 hebben dan ook betrekking op een niet strafbare gedraging en kunnen daarom niet aan de voordeelsberekening ten grondslag worden gelegd.

Ten onrechte gaat de officier van justitie er van uit dat al het “voordeel” aan veroordeelde is toegekomen. De facturen zijn immers voldaan aan de maatschap. De betalingen betroffen derhalve een deel van de jaaromzet van de maatschap en het desbetreffende resultaat is – na aftrek van kosten – tussen de twee maten verdeeld. Het voordeel dat medeverdachte 1 door middel van zijn vennootschap heeft genoten, is niet het voordeel van veroordeelde en kan hem dan ook niet worden ontnomen.

De conclusie van de raadsman, op grond van in de conclusie van antwoord nader toegelichte berekeningen, is dat het wederrechtelijk genoten voordeel van veroordeelde een bedrag van €6.253,61 betreft. Volgens de raadsman dienen daarop nog in mindering te worden gebracht de gepretendeerde hoge vorderingen van de Rabo Vastgoedgroep en het Philips Pensioenfonds, zodat een bedrag van nihil resteert.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onder voormeld parketnummer aangelegd straf- en ontnemingsdossier aannemelijk is geworden dat veroordeelde door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Bij vonnis van deze rechtbank van 21 december 2012 is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarbij onder meer is bewezen verklaard dat:

Stichting in de periode van 14 december 2001 tot en met 17 september 2003 te Heemstede telkens een voorwerp, te weten

  • een geldbedrag van circa Euro 5.982.712,- (exclusief btw) inzake het project “Solaris” en
  • een geldbedrag van circa Euro 1.843.400,- (exclusief btw) inzake het project “Coolsingel” en
  • een geldbedrag van circa 1.179.829,- (exclusief btw) inzke het project “Hollandse Meester”

voorhanden heeft gehad, terwijl die rechtspersoon stichting redelijkerwijs moest vermoeden dat die geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, aan welke vorenomschreven gedragingen hij, verdachte, telkens feitelijk leiding heeft gegeven (feit 1 subsidiair).

Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feiten.

Op 16 november 2012 heeft verbalisant T.E. Flinterman, financieel rechercheur bij de Belastingdienst/FIOD kantoor Zwolle, een rapport opgesteld betreffende het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage.

Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.

Ten aanzien van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt het volgende overwogen. Veroordeelde verdachte en medeverdachte 1 waren beiden bestuurder van de stichting, welke in 1992 is opgericht. Tot 2004 werden de derdengeldenrekeningen van de maatschap maatschap beheerd door deze stichting. De maatschap maatschap bestond uit twee maten, namelijk besloten vennootschap 1, de vennootschap van veroordeelde verdachte en besloten vennootschap 2, de vennootschap van medeverdachte 1.

De afspraken omtrent de winstverdeling van de maatschap maatschap zijn vastgelegd in een overeenkomst. De afspraken over de verdeling van het resultaat zijn via de overeenkomst van 30 november 2000 gewijzigd waarbij de volgende resultaatsverdeling is overeengekomen:

rentevergoeding over de maandelijkse stand van de kapitaalrekeningen;

  • een voorwinst van fl. 200.000 voor besloten vennootschap 1 uitsluitend over de jaren 2000 en 2001;
  • de (resterende) winst over de jaren 2001 en verder wordt na een rentevergoeding over de gemiddelde maandelijkse stand van de kapitaalrekeningen op een 50%-50% basis verdeeld.

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van de declaraties die zijn betaald en/of verrekend voor het zogenaamde “depotdossier”. Verdachte hield voor (vennootschappen van) de inmiddels veroordeelde medeverdachte 2 en medeverdachte 3 grote bedragen in depot op de derdengeldrekening, waaronder de in de bewezenverklaring opgenomen bedragen ter zake van de hiervoor genoemde projecten Solaris, Coolsingel en Hollandse Meester alsmede bedragen ter zake van het project Paasheuvelweg. De in depot gegeven bedragen zijn op aangeven van medeverdachte 2, medeverdachte 3 en hun mededader medeverdachte 4 in de periode van 18 februari 2002 tot en met 19 april 2005 vanaf de derdengeldrekening uitgekeerd aan vennootschappen van medeverdachte 2 en medeverdachte 3. De op het depot ontvangen rente is echter niet uitgekeerd. Op aanwijzing van veroordeelde zijn alle facturen die de maatschap in rekening heeft gebracht voor het “depotdossier” namelijk in overleg met medeverdachte 2 uiteindelijk verrekend met de ontvangen rente over het depot. Aldus is door de maatschap van veroordeelde een bedrag van per saldo fl. 1.100.000 gedeclareerd, welk bedrag nagenoeg geheel overeenkwam met de over het depot ontvangen rente, te weten fl. 1.099.223.

De raadsman heeft als verweer gevoerd dat op het project Paasheuvelweg betrekking hebbende depotgelden niet mogen worden betrokken in de berekening. Dit project is volgens de raadsman niet ten laste gelegd, omdat schuldwitwassen tot 14 december 2001 niet strafbaar was.

Ten aanzien van het verweer met betrekking tot het project Paasheuvelweg heeft te gelden dat uit een onderzoek naar de geldstromen binnen het project Paasheuvelweg blijkt dat de bedragen die op basis van dit project zijn overgemaakt naar de derdenrekening van veroordeelde en aldus zijn terechtgekomen in meergenoemd depot, op soortgelijke wijze zijn verkregen als de bedragen die zijn overgemaakt in het kader van de projecten Solaris, Coolsingel en Hollandse Meester. Het standpunt van de raadsman luidt dat dit project niet in de berekeningen mag worden betrokken, aangezien het dateert van voor 14 december 2001 en witwassen toen nog niet strafbaar was gesteld.

Dit verweer wordt echter reeds verworpen om de reden dat de desbetreffende gedragingen vóór 14 december 2001 konden worden gekwalificeerd als schuldheling, zodat sprake is van een soortgelijk strafbaar feit. Bovendien geldt voor alle op de derdenrekening terecht gekomen bedragen, dus ook voor de bedragen die zijn overgemaakt in het kader van het project Paasheuvelweg, dat deze ook na 14 december 2001 meerdere jaren op de derdenrekening van veroordeelde zijn blijven staan. Gedurende die gehele periode is sprake geweest van schuldwitwassen van de desbetreffende bedragen door veroordeelde. medeverdachte 2, medeverdachte 3 en medeverdachte 4 hebben veroordeelde verzocht de opbrengsten van alle hiervoor genoemde projecten “op één hoop” te gooien en daarbij medegedeeld dat zij die opbrengsten met elkaar wilden delen. Alle desbetreffende bedragen zijn inderdaad op de derdenrekening van veroordeelde terecht gekomen, aldus met elkaar vermengd en uiteindelijk op verschillende momenten in de periode van 18 februari 2002 tot en met 19 april 2005 vanaf de derdengeldrekening uitgekeerd.

Naar het oordeel van de rechtbank geldt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dat veroordeelde zich ter zake van al het geld dat in het depot “medeverdachte 2” terecht is gekomen heeft schuldig gemaakt aan schuldwitwassen.

De raadsman van veroordeelde heeft verder aangevoerd dat het gedeelte van de facturen dat stamt van een datum gelegen voor de stortingen van bedragen, niet bij de voordeelsberekening zou mogen worden betrokken. Ook dit verweer kan veroordeelde niet baten, reeds omdat de data van de facturen geen verband hebben gehouden met betalingen of verrichtte werkzaamheden. Veroordeelde heeft verklaard dat op enig moment een vast bedrag van fl. 1.000.000 met medeverdachte 2, medeverdachte 3 en medeverdachte 4 is afgesproken, dat in termijnen zou worden gedeclareerd. De rechtbank heeft in het strafvonnis overwogen dat veroordeelde zich ten aanzien van het opmaken van zijn facturen liet leiden door medeverdachte 4, getuige het feit dat een groot aantal facturen niet werd betaald en uiteindelijk is vervangen door twee facturen, die evenmin zijn betaald en dat alle facturen uiteindelijk zijn verrekend met de over het depot ontvangen rente. De aldus opgestreken rente is naar het oordeel van de rechtbank – als vrucht van het schuldwitwassen – wederrechtelijk verkregen.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat niet het gehele bedrag bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel mag worden betrokken, aangezien dit bedrag niet rechtstreeks ten bate is gekomen aan veroordeelde. Het bedrag is immers door de maatschap gedeclareerd en volgens de maatschapsovereenkomst tussen de maten verdeeld.

Dit verweer wordt door de rechtbank eveneens verworpen. Uit het strafdossier blijkt dat veroordeelde degene is geweest die “over het depotdossier” ging en gesteld noch gebleken is dat zijn maat medeverdachte 1 bij de in het strafvonnis omschreven schimmige wijze van facturering en betaling enige rol heeft gespeeld. Integendeel, medeverdachte 2 deed exclusief zaken met verdachte, het was niet aan de orde dat zijn collega medeverdachte 1 zaken met medeverdachte 2 deed. Het hele kantoor wist: “verdachte doet medeverdachte 2”. Veroordeelde heeft er voor gekozen de exorbitante rentebedragen door middel van verrekening te laten uitbetalen aan de maatschap. Indien en voor zover veroordeelde meent dat dientengevolge ten onrechte een bedrag is toegekomen aan zijn voormalige maat medeverdachte 1, zou hierdoor – in theorie – een vordering van veroordeelde op medeverdachte 1 kunnen zijn ontstaan. Dit laat onverlet dat het bedrag dat wederrechtelijk is verkregen, uitsluitend aan veroordeelde moet worden toegerekend.

De raadsman heeft nog betoogd dat de kosten van de maatschap die verband houden met dit strafbare feit van het voordeel zouden moeten worden afgetrokken, doch ook dit verweer wordt verworpen, reeds omdat uit het dossier blijkt dat er geen substantiële werkzaamheden zijn verricht in het depotdossier, zodat moet worden aangenomen dat de kantoorkosten te verwaarlozen zijn geweest.

Alles overwegende is de rechtbank op grond van het ontnemingsrapport met de officier van justitie van oordeel dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een totaalbedrag van €607.089, namelijk het door veroordeelde in het kader van het depotdossier ontvangen rentebedrag van 1,1 miljoen gulden, omgerekend naar euro’s een bedrag van €499.158, vermeerderd met het onweersproken vervolgprofijt van €107.931,11.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Hiervoor is reeds overwogen dat veroordeelde – nu het wederrechtelijk verkregen voordeel in de maatschap is terecht gekomen – in theorie een vordering zou kunnen hebben op zijn voormalige maat medeverdachte 1. De kans van slagen van een dergelijke vordering acht de rechtbank, mede in aanmerking genomen dat de maatschap inmiddels met gesloten beurzen is ontbonden, echter illusoir. Een en ander in aanmerking genomen ziet de rechtbank aanleiding het van veroordeelde te ontnemen bedrag in redelijkheid vast te stellen op een lager bedrag dan het hiervoor geschatte voordeel. De rechtbank zal het te ontnemen bedrag vaststellen op € 500.000.

De raadsman heeft nog verzocht de aanspraken van de benadeelden in deze zaak in mindering te brengen op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit verzoek wordt echter afgewezen, reeds omdat de desbetreffende aanspraken nog niet zijn voldaan en evenmin onherroepelijk in rechte zijn vastgesteld.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd op na te melden wijze.

Lees hier de volledige uitspraak

Print Friendly and PDF