Onjuiste huisvesting legkippen, gepleegd door een rechtspersoon. Gedoogbeleid?

Rechtbank Oost-Brabant 3 juni 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:3093

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 januari 2014. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op een of meer tijdstippen in of om- streeks de periode 27 september 2012 tot en met 4 april 2013 te Venhorst, gemeente Boekel, althans in Nederland, een hoeveelheid legkippen heeft ge- huisvest en/of verzorgd terwijl dit niet overeenkomstig de artikelen 4 en/of 7 en/of 8, eerste en/of tweede lid, en/of 9 en/of 10 van het Legkip- penbesluit 2003 geschiedde, aangezien de dieren werden gehouden in (een) niet-aangepaste kooi(en) (traditionele legbatterij(en)).

Gedoogbeleid?

De raadsman van verdachte heeft op de in de pleitnota aangevoerde gronden gesteld dat er in Nederland een aantal legkippenbedrijven waarin legkippen worden gehouden in strijd met het Legkippenbesluit 2003 hierna: het Besluit wordt gedoogd, omdat deze bedrijven, naast het produceren van con- sumptie-eieren ook deelnemen aan een fokprogramma, de zogenaamde “recurrentbedrijven”. Deze bedrijven worden niet vervolgd en verdachte wel. In de ogen van de raadsman wordt daardoor gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Volgens de verdediging moet de officier van justitie om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank overweegt het navolgende.

Uit het onder nummer 75029 door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op 11 september 2013 opgemaakte proces-verbaal blijkt dat bedrijf op een twaalftal locaties in Nederland basisfokbedrijven voert, waarin via uitgebalanceerde fok- en research- en developmentprogramma’s leg- hennen genetisch worden verbeterd. De basisfokkerij vindt plaats op de basisfokbedrijven waarbij eigenschappen aan individuele dieren worden gemeten. De bepalingen van het Besluit over het houden van legkippen zijn niet geschikt voor gebruik in de basisfokkerij zoals de recurrentbedrijven die uitvoeren. Omdat de recurrentbedrijven een essentieel onderdeel zijn van de basisfokkerij, heeft het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in 2010 bepaald dat het Besluit niet van toepassing is op deze bedrijven. Er is gezocht naar een oplossing door het aanpassen van de legbatterijen op de recurrentbedrijven. Essentiële uitgangspunten voor deze aanpassingen zijn de kleine groepen en de voorwaarde dat er op deze bedrijven geen gangbaar legpluimvee wordt gehouden.

Vaststaat dat verdachte niet bij het fokprogramma van bedrijf is aangesloten en niet als een recurrentbedrijf is aangemerkt. Bovendien hield verdachte de kippen uitsluitend voor de gebruikelijke productie van (onbevruchte) eieren, en niet in het kader van een fokprogramma of anderszins ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek. Er is derhalve geen sprake van gelijke gevallen bij vergelijking van de recurrentbedrijven met het bedrijf van verdachte.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat door de vervolging van verdachte het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. De rechtbank verwerpt het daarover door de raadsman gevoerde verweer.

Bewijsoverweging

Door verdachte is ter terechtzitting van 20 mei 2014 erkend dat er in de periode van 27 september 2012 tot en met 4 april 2013 op haar bedrijf ge- legen aan de adres 2 kippen in kooien werden gehouden. De raadsman heeft met betrekking tot die kooien aangevoerd, dat na juli 2012 door verdachte in de verouderde kooien alsnog verrijkingselementen zijn aangebracht en dat die kooien voldeden aan de aan verrijkte kooien gestelde eisen, behalve voor wat betreft hoogte.

De officier van justitie is van oordeel dat het verdachte niet was toegestaan vanaf 1 juli 2012 legkippen in kooien te houden omdat de verdachte niet heeft voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 2, vierde lid van het besluit.

Oordeel rechtbank

Verdachte heeft erkend dat zij in de tenlastegelegde periode legkippen heeft gehouden in kooien die qua maatvoering niet voldeden aan de daaraan in het Besluit gegeven voorschriften.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 27 september 2012 tot en met 4 april 2012 legkippen heeft gehuisvest in strijd met het bepaalde in het Besluit.

Dat verdachte in die periode legkippen in strijd met het Besluit heeft ver- zorgd, acht de rechtbank evenals de officier van justitie, niet wettig en over- tuigend bewezen. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 45 eerste lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtsper- soon, artikelen 2 en 4 van het Legkippenbesluit 2003.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 15.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF