Ongeval Den Uylbrug Zaandam: Vraag of brugbedienaar op afstand dood door schuld kan worden verweten wordt door de rechtbank bevestigend beantwoord

Rechtbank Noord-Holland 26 september 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:7955

Op 6 februari 2015 heeft zich op de dr. J.M. den Uylbrug in Zaandam een noodlottig ongeval voorgedaan, waarbij het slachtoffer mevrouw slachtoffer om het leven is gekomen. Terwijl zij nog met haar fiets op het beweegbare deel van de brug stond, heeft de brugbedienaar op afstand het commando gegeven de brug te openen. Op het moment dat de brug bijna op het hoogste punt was, maakte het slachtoffer een dodelijke val.

De rechtbank dient te beoordelen of de verdachte, die op 6 februari 2015 tijdens het ongeval de brug bediende, schuld heeft aan het ongeval en zo ja de mate van schuld vast te stellen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

In zijn requisitoir heeft de officier van justitie geconcludeerd dat verdachte geen normen heeft overschreden bij het geven van het commando “stop landverkeer”, nu het slachtoffer op het moment van het geven van dat commando zich nog niet op een plek bevond waardoor dat commando niet gegeven mocht worden.

De officier van justitie concludeert voorts dat verdachte bij het geven van de commando’s ‘overbrugging VRI’ en ‘openen brug’ heeft gehandeld in strijd met de geldende voorschriften en normen. In beide gevallen is er een causaal verband tussen het geven van deze commando’s en het overlijden van het slachtoffer, waarbij dit rechtstreeks geldt voor het openen van de brug zelf en, in onderlinge samenhang met dat commando bezien, ook voor het commando ‘overbrugging VRI’. Verdachte heeft bij het geven van die commando’s niet of onvoldoende opgelet, terwijl dit nadrukkelijk wel van hem werd verwacht. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ongeval en het ernstige gevolg daarvan aan verdachte kunnen worden toegerekend in die zin dat sprake is van aanmerkelijke onachtzaamheid.

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Verdachte heeft bij het starten van het brugproces en bij het geven van het commando ‘overbrugging VRI’ niet gehandeld in strijd met de geldende normen en voorschriften. De raadsman stelt dat het schouwmoment van de brugbedienaar vóór het geven van het commando ‘openen brug’ van belang is en dat het schouwen tijdens het geven van het commando ‘start brugproces’ niet van belang is omdat de brugbedienaar op dat moment nog niets hoeft te beslissen. Indien de rechtbank wel overschrijding van de normen en voorschriften aanwezig acht bij het geven van de commando’s ‘start brugproces’ en ‘overbrugging VRI’, dan ontbreekt het causaal verband tussen het geven van die commando’s en het overlijden van het slachtoffer, aldus de raadsman.

Vóór het geven van het commando ‘openen brug’ is het slachtoffer het best te zien op de camera ZDU FBO, aldus de raadsman. De verdachte heeft het slachtoffer op haar fiets ook gezien maar heeft die visuele informatie achteraf niet verwerkt zoals hij deze zou moeten verwerken. Hij heeft jarenlang waargenomen dat fietsers door rood fietsen en vervolgens de overkant van de brug gemakkelijk haalden. De raadsman stelt dat tijdens en kort voor het ongeval bij verdachte sprake geweest zou kunnen zijn van “change blindness”, het onvermogen veranderingen in een situatie op te merken doordat men een selectieve aandacht heeft voor één specifieke taak binnen het totaal van gebeurtenissen, waardoor andere belangrijke dingen worden gemist. Door alle veranderingen in de centrale brugwachterspost, waaronder het wijzigen van de indeling van de monitoren, de aandacht bij een telefoongesprek dat verdachte voerde, de drukte in de centrale post die dag en de onverwachte handelingen van het slachtoffer op de brug, heeft verdachte het slachtoffer ten tijde van het geven van het commando ‘openen brug’ niet gezien.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat niet is komen vast te staan dat verdachte onachtzamer en nalatiger is geweest dan een normale andere brugbedienaar in die omstandigheden.

Een ongelukkige samenloop van omstandigheden is volgens de raadsman de oorzaak van het ongeval. Het valt de verdachte niet te verwijten.

Bewijsverweren

Door de raadsman is aangevoerd dat het ongeval, door de veranderde omstandigheden in de centrale post, waarbij jarenlange routine en ervaring van de brugbedienaars teniet werd gedaan, alsmede door de drukte in de werkruimte van de brugbedienaars op die dag en het onverwachte gedrag van het slachtoffer op de brug, niet aan verdachte kan worden verweten.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De omstandigheden op de centrale post, wat betreft de opstelling en indeling van de beeldschermen waarop de bruggen van afstand te zien waren, waren in ieder geval al sinds 2014 gewijzigd en derhalve is sindsdien geruime tijd verstreken om hierop ingesteld te raken. De werkomstandigheden van verdachte zoals die zijn gebleken uit het onderzoek waren tijdens het ongeval niet dusdanig dat daardoor een onveilige situatie is ontstaan. Dat er nadien door de gemeente Zaanstad veranderingen zijn aangebracht in de bedieningsruimte door het bijplaatsen van monitors en er sprake is van verbeterde werkomstandigheden, te weten een ruimere personele bezetting, maakt dit niet anders. Als er sprake zou zijn geweest van een onveilige werksituatie zouden de brugbedienaars om die reden hebben besloten hun werk (tijdelijk) niet uit te oefenen, zoals overigens ook op een eerder moment in 2012 is gebeurd. Toen hebben zij vanwege onvoldoende camerazicht geweigerd om van afstand de Den Uylbrug te bedienen. Veiligheid stond ook voor verdachte voorop in zijn werk. Op 6 februari 2015 konden de brugbedienaars op voldoende veilige wijze hun werk doen en zij hebben dat ook gedaan.

De raadsman heeft aangevoerd dat bij verdachte sprake geweest zou kunnen zijn van zogenaamde “change blindness”. Hij heeft dit tijdens zijn pleidooi toegelicht door te verwijzen naar psychologisch onderzoek. Ter zitting is dat geïllustreerd door een filmpje, waarbij de kijker de instructie mee krijgt te tellen hoe vaak een aantal personen een basketbal overgooit. Uit het onderzoek zou blijken dat ongeveer 50% van de kijkers niet ziet dat er gedurende 8 seconden een gorilla door het beeld loopt. Uit het onderzoek zou verder blijken dat de kijkers deze gorilla op het beeld wel hebben gezien, maar niet bewust geregistreerd. De verklaring hiervoor is dat de kijkers de aandacht primair richten op de taak die ze is opgedragen en daardoor andere beelden missen.

Wat er ook zij van de resultaten van dit onderzoek, in het onderhavige geval was de kerntaak van de brugwachter nu juist dat hij moest schouwen en beoordelen of de situatie veilig was, voordat hij het commando ‘open brug’ zou geven, zodat aan dit verweer verder wordt voorbijgegaan.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij als brugbedienaar werkzaam was voor de gemeente Zaanstad. Ten tijde van het ongeval voerde hij deze werkzaamheden uit op de Centrale Post voor brugbedienaars. De verdachte heeft verklaard dat de bediening van de dr. J.M. den Uylbrug vaak tot zijn taak hoorde.

Op 6 februari 2015 vonden er onderhoudswerkzaamheden plaats aan de dr. J.M. Den Uylbrug. Tijdens deze onderhoudswerkzaamheden moest de brug twee maal open en dicht in verband met smeerwerkzaamheden. Om 11.35.02 uur belde één van de monteurs met de centrale post met het verzoek de brug te openen1. Dit gesprek duurde 12 seconden.

Op dat moment reed het slachtoffer met haar fiets de brug op. Om 11.35.42 uur gaf de brugbedienaar het commando ‘stop landverkeer’ zodat de gele voorwaarschuwingslampen begonnen te branden. Op dat moment was de fietser dit sein net gepasseerd. Om 11.36.12 uur gaf de brugbedienaar het commando ‘overbrugging VRI’ waarmee het proces van het sluiten van de slagbomen op de autobrug versneld in gang werd gezet. Terwijl de oprijbomen van de naastgelegen autobrug daalden, reed de fietser langs de eerste nog geopende slagboom van de fietsbrug het beweegbare brugdek op. Zij passeerde daarmee het rode verkeerslicht waarvoor ze geacht werd te stoppen. Op de camerabeelden in de Centrale Post was de fietser zichtbaar toen zij de eerste slagboom passeerde en het beweegbare brugdek opreed. Gedurende de periode van sluiten van de slagbomen van de autobrug was op de camerabeelden van de fietsbrug te zien hoe de fietser over het beweegbare deel van de brug reed. Om 11.36.34 klonk de bel ter hoogte van de slagbomen. In plaats van door te fietsen en het beweegbare brugdeel te verlaten heeft de fietser vaart geminderd en is zij om 11.36.36 uur afgestapt voor de tweede (afrij-)slagboom van de fietsbrug, die op dat moment nog open stond. Om 11.36.37, zodra de slagbomen van de autobrug gesloten waren, sloten de slagbomen van de fietsbrug automatisch. Terwijl de bomen daalden deed de fietser een paar stappen terug.

Het voor de brugbedienaars geldende ‘Processchema bedienen bruggen’ luidt op dit punt:

Functionaris: Operator

Activiteit: Beoordelen of brug geopend kan worden

Omschrijving: Kijken of het brugdek vrij is en de brug veilig geopend kan worden (let op fietspad)

Applicatie: Camera’s

Om 11.36.49 uur werd door de brugbedienaar het commando ‘openen brug’ gegeven. De fietser stond toen nog steeds op het beweegbare deel van de brug en op de camerabeelden is te zien dat zij op dat moment met haar fiets een stukje naar beneden liep. Om 11.37.05 was zij nog steeds in beeld van de camera en ging zij met haar fiets in de richting van de brugleuning. Hierna was zij niet meer zichtbaar op de camerabeelden.

Verschillende automobilisten die voor de slagbomen van de autobrug stonden te wachten waren getuige van de penibele situatie van de fietser. Zij zagen dat de fietser, op het moment dat de brug om 11.37.35 bijna de hoogste stand had bereikt, naar beneden viel.

Op 6 februari 2015 heeft de forensisch arts drs. betrokkene de niet natuurlijke dood van het slachtoffer vastgesteld. Als gevolg van de val van de brug heeft zij ernstig neurotrauma opgelopen, ten gevolge waarvan zij is overleden.

De verdachte heeft tijdens de behandeling op de terechtzitting verklaard dat hij op 6 februari 2015, tijdens het ongeval, de dr. J.M. Den Uylbrug heeft bediend en dat hij op verzoek van een monteur de brug heeft geopend. Tijdens het geven van de commando’s ‘stop landverkeer’, ‘(overbrugging) VRI’ en ‘openen brug’ heeft hij wel gekeken op de monitors maar heeft hij de fietser niet gezien.

De rechtbank heeft met betrekking tot haar oordeel over het bewijs, met name ten aanzien van de volgorde van de gebeurtenissen, mede gebruikt gemaakt van het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Dit rapport maakt (los toegevoegd) deel uit van het procesdossier en de inhoud hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, voor het bewijs worden gebezigd.

Ook de overige schriftelijke bescheiden kunnen in samenhang met de overige bewijsmiddelen voor het bewijs worden gebezigd.

Bewijsoverwegingen

Ter zitting is in overleg met de officier van justitie, de raadsman en verdachte de situatie van de centrale post zoveel mogelijk nagebouwd. Zodoende heeft de rechtbank van gelijke afstand en op schermen van gelijke grootte de beelden gezien, zoals die op 6 februari 2015 voor de brugwachter ook te zien moeten zijn geweest.

De rechtbank heeft tijdens het afspelen van de bewegende camerabeelden waargenomen dat de fietser tijdens het geven van het commando ‘stop landverkeer’ nauwelijks zichtbaar in beeld was. Het geven van dit commando was in overeenstemming met de geldende normen en voorschriften en verdachte zal daarom – overeenkomstig de eis van de officier van justitie – van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit ook geldt voor het daaropvolgend gegeven commando ‘overbrugging VRI’. Ook dat is in lijn met de voor de brugwachter geldende norm, die luidt: “De operator beoordeelt of de slagbomen neergelaten kunnen worden”. Op de beelden was te zien dat er geen snelverkeer meer op de brug reed in oostelijke richting, terwijl tevens te zien was dat het snelverkeer in westelijke richting voor de rode knipperlichten stond te wachten. Het was dus veilig om op dat moment dit commando te geven. Zoals ter zitting werd toegelicht zou het niet geven van dat commando, terwijl er al auto’s voor de knipperende lichten stonden te wachten, mogelijk zelfs een onveilige situatie kunnen opleveren doordat de ervaring heeft geleerd dat automobilisten regelmatig weer gaan rijden wanneer het dichtgaan van de slagbomen lang duurt.

Op de bewegende beelden was tevens te zien dat de fietser zich op dat moment nog vóór de eerste slagbomen bevond. Ook haar aanwezigheid was dus geen reden om dit commando niet te geven. Aangezien het causaal verband tussen dit commando en het ongeval ontbreekt, zal de rechtbank verdachte daarom ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Met de officier van justitie en anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte door het geven van het commando ‘openen brug’ wel heeft gehandeld in strijd met de voorschriften en de normen zoals hiervoor aangehaald. In het Kwaliteitshandboek is de norm opgenomen dat voor iedere brughandeling het verkeer op de brug moet worden geschouwd. Ook is in het Kwaliteitshandboek de norm opgenomen dat er geen brughandeling wordt verricht indien er zich verkeer tussen de slagbomen bevindt.

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen blijkt dat het slachtoffer tijdens de momenten van stoppen, afstappen en een paar passen terug doen gedurende vijftien seconden zichtbaar in beeld van de brugcamera’s is geweest. Vlak voor het openen van de brug was zichtbaar dat zij vóór de tweede slagboom met haar fiets stil stond op het beweegbare brugdeel.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de brug niet of niet voldoende heeft geschouwd, alvorens het commando ‘openen brug’ te geven. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte het slachtoffer in het geheel niet heeft gezien. Ook tijdens het openen van de brug bleef het slachtoffer nog zes seconden zichtbaar en in beweging in beeld. Ook toen heeft de verdachte haar niet opgemerkt.

Voor de vraag of het handelen van verdachte dood door schuld als bedoeld in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht oplevert, heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank terecht gewezen op de zogenaamde Garantenstellung. Dat houdt in dat een grotere verantwoordelijkheid rust op een persoon met een bijzondere kwaliteit. Aan verdachte zijn in zijn functie als daartoe opgeleide brugwachter hogere eisen te stellen dan aan een gemiddelde mens, als het om onachtzaamheid gaat in de uitoefening van die functie.

Afgemeten aan de norm van een redelijk bekwame en redelijk handelende brugwachter is de rechtbank van oordeel dat verdachte kort vóór en tijdens het geven van het commando ‘openen brug’ aanmerkelijk onachtzaam heeft gehandeld.

Deze onachtzaamheid wordt nog bevestigd door de gebeurtenissen nadat het slachtoffer naar beneden was gevallen. De rechtbank heeft op de afgespeelde beelden kunnen waarnemen dat om 11.38.56 uur de eerste getuige onder de slagboom doorkruipt en zich naar het slachtoffer begeeft. Om 11.40.50 uur verzocht één van de onderhoudsmonteurs onder de brug, die zich niet bewust was van wat er op de brug gebeurd was, per telefoon aan de centrale post om de brug te sluiten. Om 11.41.06 uur, acht seconden na het einde van het telefoongesprek, gaf de brugbedienaar het commando ‘sluit brug’ en even later begon te brug te dalen. De getuigen getuige 1 en getuige 2 die op dat moment probeerden hulp te verlenen aan het slachtoffer zagen dat de brug weer begon te dalen.

De verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2 kwamen omstreeks 11.42 uur ter plaatse en zij zagen ter hoogte van de scharnieren van de brug een persoon op de grond liggen. Toen zagen zij dat het brugdeel ongeveer twee seconden naar beneden ging. Het brugdeel stopte met zakken toen zij per portofoon hadden doorgegeven dat de brug moest stoppen met zakken. Verdachte heeft verklaard dat hij toen op het scherm zag dat er wat aan de hand was en onmiddellijk de noodknop heeft ingedrukt.

Gedurende in ieder geval twee minuten waren dus meerdere omstanders onafgebroken en duidelijk in beeld te zien zonder dat zij werden opgemerkt door verdachte.

Bewezenverklaring

  • Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn.

Strafoplegging

Als men in een trein stapt, wordt verwacht dat de machinist oplettend zijn werk uitvoert. De veiligheid van de reizigers staat daarbij voorop. Die reizigers mogen erop vertrouwen dat hun veiligheid is gewaarborgd.

Wanneer de machinist in een moment van onoplettendheid onverhoopt een rood sein over het hoofd ziet, kunnen de gevolgen daarvan rampzalig zijn. Aangezien in beginsel geen sprake is van opzet, is het de vraag of in een dergelijk geval een strafrechtelijke vervolging op zijn plaats is. Die afweging wordt door het openbaar ministerie gemaakt na ongevallen en incidenten. Het lijkt er daarbij op dat maatschappelijke beroering zich vertaalt in de wens om een schuldige aan te wijzen en dat als gevolg daarvan de laatste jaren steeds vaker vervolging wordt ingesteld.

De rechtbank is van oordeel dat het belangrijkste gevolg van noodlottige incidenten als het onderhavige zou moeten zijn dat ervan geleerd wordt, opdat de kans vermindert dat het nog eens gebeurt. Dat is ook het uitgangspunt geweest bij het onderzoek door de Onderzoeksraad voor veiligheid en ook van de activiteiten van de zoon van het slachtoffer (zo blijkt uit de voorgelezen slachtofferverklaring): het verbeteren van de veiligheid van de verkeerssituatie bij bruggen. De Onderzoeksraad en de nabestaanden hadden hierbij hun pijlen niet zozeer gericht op de brugwachter, als wel op de situatie, zoals deze was ten tijde van het incident. De Onderzoeksraad concludeert onder meer dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid teveel bij de brugwachter lag. Een aanbeveling uit het rapport is dat normen en richtlijnen zouden moeten worden aangepast, waarbij de menselijke factoren van brugbedienaars en verkeersdeelnemers meer tot hun recht moeten komen. Een andere aanbeveling is dat de voorschriften meer zouden moeten worden toegespitst op de specifieke brugsituatie, waarbij de veiligheidssituatie van iedere brug vanuit het perspectief van de verschillende gebruikers zou moeten worden beschouwd.

In deze zaak is een ongeluk gebeurd met een noodlottig gevolg. In dit geval ging het niet om een enkel moment van onoplettendheid, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, maar om een aaneengesloten periode van onachtzaamheid. Daarom is het belangrijkste deel van het ten laste gelegde feit door de rechtbank bewezen verklaard. 

Desondanks blijft de vraag wat in deze zaak het doel is van een strafrechtelijke vervolging van de brugwachter. Dat dient namelijk geen automatisme te zijn. 

De rechtbank had gehoopt dat de officier van justitie hierover ter zitting een toelichting zou geven. In het requisitoir heeft de officier van justitie echter slechts aangegeven dat tot vervolging is overgegaan, omdat het hier na vergelijking met andere zaken om een bewijsbare zaak leek te gaan. Het gegeven dat een feit bewezenkan worden, hoeft echter nog niet als vanzelfsprekend in te houden dat er ook vervolgd moet worden.

De raadsman heeft gelet op zijn pleidooi tot vrijspraak kennelijk evenmin aanleiding gezien om de vraag naar het doel van de vervolging aan de orde te stellen.

De rechtbank zal die vraag daarom zelf proberen te beantwoorden. 
Het strafrecht wordt veelal toegepast met een van de volgende doelen: speciale preventie, generale preventie of vergelding.

Het strafdoel lijkt in deze zaak niet de zogenaamde speciale preventie te zijn: de afschrikwerkende werking van een straf om te stimuleren dat deze verdachte niet nogmaals een soortgelijk feit zal begaan. Uit getuigenverklaringen in het dossier blijkt dat verdachte zijn werk altijd zorgvuldig en nauwgezet verrichtte. Uit niets valt af te leiden dat er een risico is dat dat zonder strafoplegging in de toekomst anders zou worden. Bovendien was het juist verdachte die tijdens werkoverleggen altijd zeer kritisch was over de veiligheidsaspecten van de verkeerssituaties bij de bruggen in Zaanstad. Niets lijkt zich dan ook te verzetten tegen het opnieuw uitoefenen door verdachte van zijn functie als brugwachter, zonder gevaar voor herhaling.

Een tweede mogelijk strafdoel is de generale preventie; de afschrikwekkende werking van strafoplegging die tot gevolg zou moeten hebben dat functionarissen zoals brugwachters gewaarschuwd worden dat bij normovertreding een strafrechtelijke veroordeling zal volgen. Zij dienen zich ervan bewust te zijn dat het vertrouwen dat in hen wordt gesteld, niet beschaamd mag worden, omdat zij anders strafrechtelijke vervolging riskeren. 

Een ieder, ook de officier van justitie, gaat ervan uit dat het hier een ongeluk betreft. Daarom zullen collega brugwachters (en soortgelijke functionarissen) mogelijk nog beter opletten dan voorheen, maar meer als gevolg van de dodelijke afloop van dit incident, dan als gevolg van de mogelijke straf die aan verdachte zal worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank speelt het strafdoel van de generale preventie (de afschrikking) in deze zaak eigenlijk geen rol van betekenis.

Resteert het strafdoel van de vergelding. Het gaat erom dat een norm is overschreden, wat niet onbestraft mag blijven. Gezien publicaties in de media, de opstelling van de nabestaanden en de slachtofferverklaring lijkt de wens van nabestaanden en maatschappij tot vergelding niet voorop te staan. Hiermee zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank allereerst meegewogen dat ook verdachte de gevolgen van zijn fout de rest van zijn leven zal meedragen. Behalve het feit dat hij zich heeft gerealiseerd dat zijn fout het leven heeft gekost van een medemens, heeft hij enkele uren na het ongeval ook de beelden gezien en die zullen ook in zijn geheugen gegrift staan.
Voorts heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte meegewogen dat hij zijn functie als brugwachter twaalf jaar lang zonder incidenten heeft verricht. Ten slotte is gebleken dat verdachte sinds het ongeval is ontzegd zijn functie te mogen uitoefenen, in afwachting van de uitspraak in deze strafzaak, nu dus al meer dan anderhalf jaar.

Dit alles neemt niet weg dat de rechtbank ook rekening dient te houden met de vreselijke gevolgen die dit feit voor het slachtoffer en de nabestaanden heeft gehad. Het slachtoffer stond nog actief midden in het leven. Aan dat leven is abrupt een eind gekomen. Haar man, kinderen en kleinkinderen moeten haar opeens missen. Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat haar gemis op dit moment, ruim anderhalf jaar later, nog steeds dagelijks wordt gevoeld.

Al het voorgaande afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat strafoplegging toch op zijn plaats is. Evenals de officier van justitie acht de rechtbank een gevangenisstraf of geldboete niet passend, maar zal een taakstraf worden opgelegd. Voor de hoogte daarvan heeft de rechtbank onder meer gelet op de LOVS-oriëntatiepunten voor dood door schuld in het verkeer bij aanmerkelijke onachtzaamheid.

Gelet op de hiervoor geschetste strafverlagende omstandigheden vindt de rechtbank een taakstraf van 120 uur passend.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF