Ondanks dat in de tenlastelegging essentiële bestanddelen ontbreken komt het hof toch tot een kwalificatie van artikel 6 WVW 1994

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 september 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6942

Verdachte heeft op pleegdatum een café bezocht, waar hij een aanzienlijke hoeveelheid alcohol heeft gedronken. Hij is daar tegen twee uur ‘s nachts met zijn auto vertrokken. Hij is met die door hem bestuurde auto van de weg geraakt en in een droogstaande greppel beland. Verdachte heeft een in de buurt wonende boer gevraagd of die hem uit de sloot kon trekken, waarna verdachte zijn weg naar huis heeft vervolgd. Onderweg heeft verdachte een voetganger aangereden. Verdachte heeft niet geremd toen hij de voetganger waarnam. Het slachtoffer is op de motorkap beland en is als gevolg van de aanrijding ter plekke overleden.

De kern van het verwijt is dat verdachte roekeloos, dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gereden waardoor hij een voetganger heeft aangereden, die als gevolg daarvan is overleden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit, en wel voor de roekeloosheid. Namens verdachte is vrijspraak bepleit van de roekeloosheid en is voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof constateert dat de officier van justitie ervoor heeft gekozen om een scala aan handelingen en gedragingen ten laste te leggen, die allemaal hebben plaatsgevonden op de pleegdatum.

Die handelingen en gedragingen, inhoudend dat verdachte in de periode tussen het verlaten van het café (omstreeks 02.00 uur) en de aanrijding (om 3.05 uur) het aanbod van een vriend heeft afgeslagen om de auto te laten staan en een fiets te lenen, dat hij een eenzijdig ongeval heeft gehad, dat hij iemand heeft gevraagd om hem uit de sloot te trekken en dat hij vervolgens een afstand van 5,7 kilometer heeft gereden, hebben plaatsgevonden, maar het hof oordeelt dat er een te ver verwijderd verband bestaat tussen al deze beschreven gedragingen en de schuld van verdachte aan het uiteindelijke ongeval.

Om die reden worden deze onderdelen van het tenlastegelegde feit niet bewezenverklaard.

Het hof neemt in aanmerking dat verdachte heeft verklaard dat hij teveel had gedronken om te mogen rijden. Hij heeft die nacht een voetganger op het trottoir zien lopen. Verdachte heeft echter onvoldoende gelet op overige weggebruikers, onder wie het slachtoffer.

Uit het proces-verbaal van de reconstructie VerkeersOngeval blijkt dat niet is komen vast te staan dat verdachte ten tijde van het ongeval met een overschrijding van de maximumsnelheid heeft gereden. Wel was zijn snelheid te hoog om zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen.

Het hof is van oordeel dat voor roekeloos rijgedrag van verdachte onvoldoende bewijs in de stukken te vinden is, mede bezien in het licht van de hoge eisen die de Hoge Raad in zijn arresten stelt aan het bewijs van roekeloosheid in het verkeer.

Wel is het verkeersgedrag van verdachte aan te merken als zeer onoplettend, onvoorzichtig en/of zeer onachtzaam. Verdachte heeft dit feit immers begaan terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Uit het van hem afgenomen ademonderzoek is een uitslag gekomen van 555 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Verdachte was nog geen vijf jaar in het bezit van een rijbewijs en was dus een beginnend bestuurder.

Naar het oordeel van het hof is ook de strafverzwarende omstandigheid daarmee bewezen.

Het hof heeft geconstateerd dat in het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit de bij verkeersongevallen gebruikelijke en aan artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 ontleende bestanddelen ‘dat hij zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood’, ontbreken.

Nu deze passage niet is ten laste gelegd, is deze evenmin in de bewezenverklaring opgenomen.

In de tenlastelegging en de bewezenverklaring is daarentegen wél vermeld waaruit het gewraakte verkeersgedrag van verdachte heeft bestaan, neerkomend op een omschrijving van de handelingen waaruit de schuld aan het ongeval concreet heeft bestaan.

Uit de feitelijke omschrijving van de toedracht van het ongeval zoals dat hiervoor is bewezenverklaard, blijkt dat verdachte, door zeer onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam te rijden een aanrijding met een voetganger heeft veroorzaakt, als gevolg waarvan deze om het leven is gekomen. Dit is aan te merken als grove schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Naar het oordeel van het hof kan dit bewezenverklaarde feit daardoor, ook al ontbreken de essentiële bestanddelen, toch worden gekwalificeerd als het ‘zich zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander wordt gedood’, zoals strafbaar is gesteld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Tevens doet zich de strafverzwarende omstandigheid voor van het alcoholgebruik, zoals vermeld in artikel 175, derde lid, Wegenverkeerswet 1994.

Bewezenverklaring

Het onder 1 subsidiair en onder 2 bewezen verklaarde levert op: de eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel a, van deze wet en overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafoplegging

De rechtbank Zutphen heeft verdachte veroordeeld voor doodslag en heeft hem daarvoor een gevangenisstraf opgelegd van vier jaren waarvan zes maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden, en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor roekeloos rijden, het subsidiair tenlastegelegde feit, en heeft een gevangenisstraf geëist van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijf jaren. Namens verdachte is een lagere straf bepleit.

Het hof spreekt verdachte vrij van doodslag en ook van roekeloos rijden, maar acht bewezen dat het aan de schuld van verdachte is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een ander is gedood, terwijl hij verkeerde onder invloed van alcohol. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte is gaan rijden terwijl hij wist dat hij te veel had gedronken. Verdachte was destijds pas 20 jaren oud. Hij was op dat moment beginnend bestuurder en al eens eerder beboet omdat hij met teveel alcohol op had gereden. Hij was een bij uitstek gewaarschuwd man. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden om toch te gaan rijden. Hij heeft het aanbod van een vriend om een fiets te lenen afgeslagen en is een uur voor de aanrijding met zijn auto in een droge greppel beland. Deze laatstgenoemde aspecten heeft het hof weliswaar buiten de bewezenverklaring gelaten, maar deze spelen wel een rol bij de waardering van de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden. Hij heeft zeer onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam gereden waardoor hij uiteindelijk een voetganger heeft aangereden met fataal gevolg. De nabestaanden van het slachtoffer, onder wie zijn ouders, zus en zijn twee jonge kinderen, zullen de rest van hun leven moeten leven met dit grote verlies. Een dergelijk feit is niet alleen zeer schokkend voor de nabestaanden maar ook voor de maatschappij in zijn algemeenheid. Een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van na te melden duur is naar het oordeel van het hof dan ook passend en geboden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast ontzegt het hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF