OM zendt sepotbrief per gewone post aan adres gewezen verdachte: onvoldoende om ontvangst aan te nemen

Gerechtshof Amsterdam 17 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:912

De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank heeft de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoekschrift, nu de verzoeker zijn verzoek tot schadevergoeding niet heeft ingediend binnen de in artikel 89, derde lid, Sv genoemde termijn van drie maanden na beëindiging van de zaak.

Het hoger beroep is ingesteld namens de verzoeker (appellant).

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep daar de appellant niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, nu het verzoek niet binnen drie maanden na beëindiging van de zaak is ingediend. De advocaat-generaal heeft onder overlegging van stukken in raadkamer aangevoerd dat uit het BOSZ-systeem, het systeem van de politie, waarin ook (OM) afdoeningsbeslissingen worden verwerkt, onder meer blijkt dat de sepotbeslissing (sepotgrond 01: ten onrechte als verdachte aangemerkt) in de onderhavige strafzaak op 4 september 2014 is aangemaakt. Daarna wordt de sepotbrief volgens de procesbeschrijving direct door het systeem gegenereerd, zodat de beoordelaar deze kan printen en verzenden. Uit de registratie blijkt dat beoordelaar naam 4 de strafzaak op 5 september 2014 de status ‘afgerond’ heeft gegeven. Daaruit kan worden opgemaakt dat alle voorgeschreven opdrachten en handelingen zijn uitgevoerd, inclusief het printen en verzenden van de sepotbrief. De sepotbrief is verstuurd naar het in de sepotbrief vermelde adres, te weten adres 2 Amsterdam. Blijkens het historisch Basisregistratie Persoonsgegevens-overzicht (BRP) is dit het adres waarop de appellant destijds in de BRP stond ingeschreven. Geconcludeerd kan worden dat de appellant kort na verzending van de sepotbrief kan worden geacht op de hoogte te zijn geraakt van de beslissing tot seponering van de strafzaak.

De gemachtigde advocaat van de appellant heeft geconcludeerd tot toewijzing van het beroep, nu niet kan worden vastgesteld dat de sepotbrief op 4 september 2014 daadwerkelijk is verzonden naar, én is aangekomen bij de appellant. Slechts met zekerheid kan worden vastgesteld dat het openbaar ministerie mr. naam 1, de toenmalige advocaat van de appellant, eerst per e-mailbericht van 18 december 2015 te kennen heeft gegeven dat de tegen de appellant aanhangige strafzaak reeds op 4 september 2014 was geseponeerd. Voornoemde mr. naam 1 heeft de appellant op 18 december 2015 telefonisch op de hoogte gebracht van het feit dat zij per e-mailbericht had vernomen dat het openbaar ministerie de tegen de appellant aanhangige strafzaak had geseponeerd. Derhalve is het verzoekschrift tijdig ingediend, nu deze op 9 maart 2016 ter strafgriffie van de rechtbank Amsterdam is ingekomen.
 

Beoordeling van het hoger beroep

Een verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 89 Sv dient op grond van het bepaalde in het derde lid van dat artikel binnen drie maanden na beëindiging van de zaak te worden ingediend. Een onvoorwaardelijke sepotbeslissing wordt beschouwd als beëindiging van de zaak. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 89, derde lid, Sv, eerst een aanvang neemt nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan op grond waarvan kan worden aangenomen dat de gewezen verdachte van het einde van de (straf)zaak kennis heeft kunnen nemen dan wel redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn. De door de advocaat-generaal gehuldigde opvatting zou medebrengen dat de gewezen verdachte die meer dan drie maanden na de sepotbeslissing daarvan op de hoogte raakt, nimmer een verzoek op de voet van artikel 89 Sv zou kunnen indienen.

Indien in het stadium van het opsporingsonderzoek tot een sepot is besloten door politie of door justitie op grond van het bepaalde in artikel 167 Sv, stelt de wet geen eisen aan de vorm waarin dit gebeurt of de wijze waarop de gewezen verdachte in kennis moet worden gesteld van de sepotbeslissing. In de praktijk pleegt dit bij gewone brief te gebeuren.

Anders is dit wanneer er al sprake is geweest van een daad van vervolging jegens de verdachte doordat een de rechter-commissaris in zijn strafzaak is betrokken. In dat geval, analoog aan de inmiddels vervallen regeling van het gerechtelijk vooronderzoek, dient, wanneer de officier van justitie de strafvervolging niet wil doorzetten, een kennisgeving van niet verdere vervolging aan de verdachte te worden betekend.

Om aan te kunnen nemen dat een gewezen verdachte door de daadwerkelijke ontvangst van een sepotbrief van het einde van zijn (straf)zaak kennis heeft kunnen nemen, dan wel daarvan redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn, is onvoldoende dat het openbaar ministerie aan de hand van digitale stukken kan aantonen dat een sepotbrief is aangemaakt en ter verzending is aangeboden. Van zo een aanname kan evenmin sprake zijn wanneer het openbaar ministerie kan aantonen dat een sepotbrief per gewone post aan het GBA-adres of een anderszins bekend adres van de gewezen verdachte is verzonden. Post kan immers zoekraken of verkeerd worden bezorgd. Voorts dient, gelet op het bepaalde in artikel 51 Sv, de raadsman die zich heeft gesteld van een dergelijke brief een afschrift te ontvangen. Dat geldt ook wanneer de raadsman zich eerst na het verzenden van de sepotbrief heeft gesteld. In dat geval moet hem alsnog onverwijld een afschrift worden verzonden.

Beoordeling van de ontvankelijkheid van de appellant in zijn verzoek

Uit de door de advocaat-generaal in raadkamer overgelegde stukken kan niet meer worden afgeleid dan dat de sepotbrief op 4 september 2014 in het BOSZ-systeem, het systeem van de politie, waarin ook (OM) afdoeningsbeslissingen worden verwerkt, is aangemaakt en geprint, alsmede dat beoordelaar naam 4 de zaak in dit systeem als ‘afgerond’ heeft geregistreerd.

Derhalve is het hof van oordeel dat in hoger beroep niet is gebleken van een omstandigheid op grond waarvan is komen vast te staan dat de appellant op enig tijdstip vóór 18 december 2015, zijnde de datum waarop het openbaar ministerie mr. naam 1, de advocaat van de appellant, per e-mailbericht te kennen heeft gegeven dat de tegen de appellant aanhangige strafzaak is geseponeerd en mr. naam 1 de appellant hiervan direct telefonisch op de hoogte heeft gebracht, op de hoogte was dan wel redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de sepotbeslissing namens de officier van justitie van 4 september 2014.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de termijn van drie maanden na het eindigen van de zaak, waarbinnen het verzoekschrift had moeten worden ingediend, niet is overschreden, nu het verzoekschrift op 9 maart 2016 ter strafgriffie van de rechtbank Amsterdam is ingekomen. Derhalve is de appellant ontvankelijk in zijn verzoek. Het hof acht het hoger beroep gegrond. Dit brengt mee dat de beschikking waarvan beroep moet worden vernietigd. Het hof zal bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet had behoren te geschieden.

Beoordeling van het verzoek

De appellant is op 4 mei 2014 in verzekering gesteld op verdenking van -kort gezegd- overtreding van de artikelen 45 jo 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De appellant is op 5 mei 2014 in vrijheid gesteld.

De strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer is namens de officier van justitie geseponeerd met als grond dat de appellant ten onrechte als verdachte is aangemerkt en derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

Het hof acht in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de verzochte vergoeding ter zake van de door de verzoeker ondergane verzekering tot het bedrag van € 105,00.
 

Beslissing

Het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep en kent ten laste van de Staat aan de appellant een vergoeding toe van € 105.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF