OM niet-ontvankelijk nu de materiele bepaling van het ten tijde van het tenlastegelegde geldende (artikel 3 Wet inzake geldtransactiekantoren) is vervallen?

Rechtbank Rotterdam 6 december 2012, LJN BY5836 Het Openbaar Ministerie heeft bepleit (primair) dat het niet kan worden ontvangen in de vervolging van het onder 8 ten laste gelegde feit, nu het toen geldende artikel 3 van de Wet inzake geldtransactiekantoren (Wgt), waarop de officier van justitie de vervolging baseert inmiddels is vervallen.

De officier van justitie baseert zich in deze kennelijk op het bepaalde in artikel 1, tweede lid Sr, dat inhoudt dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast. Nu de verandering in de wetgeving hier inhoudt dat de Wgt inmiddels is vervallen, is daarmee, volgens de officier van justitie, het recht op strafvervolging vervallen, dan wel dient verdachte om die reden te worden vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

De verdediging heeft zich in deze aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

De rechtbank overweegt het volgende.

De Wgt van 27 juni 2002 is met ingang van 1 juli 2012 vervallen. Door middel van de Wijzigingswet financiële markten 2012 zijn de materiële bepalingen van de Wgt thans opgenomen in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Hierdoor is van een verandering in de wetgeving als bedoeld in artikel 1, tweede lid Sr geen sprake. Reeds daarom kan aan het vervallen van de Wgt geen reden worden ontleend om het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging ter zake van het - op de Wgt gebaseerde - onder 8 ten laste gelegde feit. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aan strafvervolging in de weg staan, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF