OM niet-ontvankelijk in vervolging: gerechtvaardigd vertrouwen dat verdachte niet zou worden vervolgd & evidente schending van de redelijke termijn vormen dusdanig ernstige inbreuk op beginselen behoorlijke procesorde

Rechtbank Noord-Holland 30 januari 2014,ECLI:NL:RBNHO:2014:1128

De raadsman van verdachte heeft zich bij wijze van preliminair verweer op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte wegens schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en - zo begrijpt de rechtbank - wegens schending van de beginselen van een goede procesorde, te weten het vertrouwensbeginsel. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte is op 27 januari 2010 in verzekering gesteld wegens onderhavig feiten. Blijkens het parketnummer dat eindigt op 12, is het dossier pas in 2012 ingeboekt. De verdediging heeft in de tussentijd vele malen (telefonisch) contact gezocht met het openbaar ministerie en gevraagd naar de stand van zaken. Telkens kreeg de verdediging te horen dat er – terwijl er was gezocht op naam, geboorteplaats, verblijfplaats van verdachte en het proces-verbaalnummer – geen zaak bestond tegen verdachte. Ook ten tijde van de bestuursrechtelijke procedure in het kader van de (mogelijke) uitkeringsfraude had het er alle schijn van dat het openbaar ministerie het onnodig vond om een vervolgingsprocedure tegen verdachte in te stellen.

Verdachte krijgt uiteindelijk – tot grote verbazing van de verdediging – begin januari 2014 een dagvaarding in huis. In de tussengelegen periode heeft de verdediging niet de mogelijkheid gehad om de nodige onderzoekswensen te uiten, aangezien er – zoals telkens weer mondeling werd medegedeeld – geen zaak was tegen verdachte en het aldus ook geen zin had om zich te stellen als raadsman. Dientengevolge heeft de verdediging niet de mogelijkheid gehad een deugdelijke verdediging voor te bereiden. Een schriftelijke mededeling van geen verdere vervolging bleek – zo werd aangegeven door het parket – niet mogelijk nu er geen zaak bestond tegen verdachte. Desgevraagd heeft de raadsman aangegeven dat een onderzoekswens in ieder geval was geweest het nader laten horen van de buren, die in het proces-dossier voorkomen als getuige.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft beaamd dat het een oude zaak is. Het parketnummer eindigt op 12, nu de zaak pas in december 2012 bij de beoordelaar binnen is gekomen. In de tussentijd heeft de zaak waarschijnlijk wel ergens op het parket gelegen, maar waar dat is geweest is niet meer na te gaan. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ondanks het feit dat het hier gaat om een oude zaak, het openbaar ministerie wel ontvankelijk is, nu termijnoverschrijding blijkens vaste jurisprudentie verdisconteerd kan worden in de (mogelijk) op te leggen straf. Voorts is de officier van justitie van oordeel dat nu de raadsman geen verzoek gedaan heeft ex artikel 36 Wetboek van Strafvordering, - en het aldus kennelijk gebleven is bij mondelinge mededelingen van parketmedewerkers - het beroep op het vertrouwensbeginsel niet moet worden gehonoreerd. De officier van justitie verzoekt de rechtbank het Openbaar Ministerie ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt allereerst vast dat sprake is van een zeer aanzienlijk tijdsverloop.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de hennepkwekrij op 27 januari 2010 is ontdekt, en de zaak pas op 30 januari 2014 op zitting staat, de redelijke termijn in onderhavige zaak ruim is overschreden. De rechtbank is zich ervan bewust dat in beginsel schending van de redelijke termijn slechts tot strafvermindering kan leiden.

Echter, in onderhavig geval gaat het niet enkel om overschrijding van de redelijke termijn, maar ook om het door het Openbaar Ministerie bij de verdachte opgewekt vertrouwen dat zij niet zou worden vervolgd.

De verdediging heeft, zo blijkt uit hetgeen de raadsman van verdachte naar voren heeft gebracht, keer op keer vanuit de zijde van het openbaar ministerie de mededeling gehad dat er geen zaak tegen verdachte bij het parket bekend was. De rechtbank overweegt dat deze door de verdachte geschetste gang van zaken ondersteund wordt door de vaststelling dat het dossier dat op 14 april 2010 bij het parket binnengekomen is, eerst in december 2012 bij het parket ingeboekt is. Dientengevolge was verdachte en met haar haar advocaat lange tijd in de veronderstelling dat de verdachte niet verder strafrechtelijk zou worden vervolgd, totdat zij op 8 januari 2014, dus vier jaar na het ontdekken van de hennepkwekerij door het uitbrengen van de dagvaarding op de hoogte werd gesteld dat zij toch vervolgd werd.

De rechtbank is van oordeel dat van de zijde van de verdediging niet meer inspanning in welke vorm dan ook verwacht kon worden, nu er kennelijk tot eind december 2012 bij het parket geen zaak tegen verdachte bekend was, en het onder die omstandigheid niet redelijk is om van de raadsman te verlangen dat hij een verzoek ex artikel 36 Wetboek van Strafvordering doet.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel, dat het bovenomschreven tijdsverloop van vier jaar, in combinatie met de aan de raadsman meermalen verschafte inlichtingen dat er bij het parket geen zaak tegen verdachte liep, bij de verdachte een gerechtvaardigd vertrouwen hebben opgewekt dat zij niet zou worden vervolgd. Dit gerechtvaardigde vertrouwen en de evidente schending van de redelijke termijn vormen tezamen een dusdanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat hier slechts de sanctie past van niet ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in de vervolging.

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF