Niet-ontvankelijkheid OM: recht op een eerlijk proces is grof en onherstelbaar in het gedrang gekomen

Rechtbank Limburg 26 februari 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:1757

Verdenking

De verdenking komt er op neer dat verdachte als verzekeringsagente:

  • geld van klanten heeft verduisterd;
  • geprobeerd heeft een klant op te lichten;
  • valsheid in geschrift heeft gepleegd en gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat de officier van justitie voor de overige feiten (ook) niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Volgens de raadsman heeft de politie uit de in beslag genomen administratie van het verzekeringskantoor van verdachte vooral belastende stukken geselecteerd en onvoldoende acht geslagen op ander relevant en mogelijk ontlastend materiaal in die administratie.

Verder is nagelaten bij de betrokken verzekeringsmaatschappijen informatie op te vragen, die een ander licht op de feiten had kunnen werpen, gelet op de verweren die verdachte al bij het politieverhoor naar voren heeft gebracht. Ook later, nadat verdachte haar verweren ter zitting had herhaald en onderbouwd had met ontlastende stukken uit voornoemde administratie, is dit niet (alsnog) gedaan.

Daarmee heeft het openbaar ministerie zijn taak verzuimd een compleet dossier aan te leveren dat alles bevat wat redelijkerwijs van belang is voor de beoordeling van de feiten, belastend of ontlastend. Het resultaat is geweest dat verdachte gedwongen is haar onschuld aan te tonen, wat in strijd is met de eisen die het EVRM stelt aan een behoorlijk strafproces.

De belangen van verdachte zijn voorts ernstig geschaad, omdat verbalisanten die in een eerdere fase van de zaak bij de rechter-commissaris moesten getuigen, vooraf hebben kunnen vernemen waar het verhoor over zou gaan. Eén getuige is zelfs door het hof te ’s-Hertogenbosch gehoord, zonder dat de verdediging daarbij is betrokken.

Met dit alles kan niet meer worden gesproken van een eerlijk proces. Het recht van verdachte op een eerlijk proces is door de werkwijze van het openbaar ministerie in deze zaak op zo’n grove manier geschonden dat niet-ontvankelijkheid de enige passende reactie is, aldus de raadsman.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in reactie op het verweer van de raadsman naar voren gebracht dat er geen sprake is van een bewuste schending van de belangen van verdachte. Het verweer moet dan ook worden verworpen, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de onder feit 1 ten laste gelegde verduisteringen met zaaksnummers 20, 21 en 24 en van feit 5. Voor het overige acht zij het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft voor die feiten een gevangenisstraf van 12 maanden geëist.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ontvankelijkheid

Inleiding

Verdachte is gedagvaard voor de onderhavige feiten, nadat deze feiten bij een eerdere dagvaarding ad informandum waren gevoegd. Daarmee was door de officier van justitie beoogd deze feiten op eenvoudige wijze af te doen bij de feiten die door de rechtbank zijn beoordeeld bij vonnis van 13 april 2011 en in hoger beroep door het hof te ’s-Hertogenbosch bij arrest van 23 november 2012.

Alle feiten hebben zich afgespeeld in het kader van de werkzaamheden van verdachte als verzekeringsagente. In de kern wordt verdachte verweten dat zij premies van haar klanten inde, maar niet doorbetaalde aan de verzekeringsmaatschappijen, waardoor deze klanten geroyeerd werden met alle gevolgen van dien.

Verdachte heeft zich echter verzet tegen het vereenvoudigd afdoen van de ad info-feiten en naar voren gebracht dat deze specifieke verwijten van de officier van justitie niet terecht zijn. De officier van justitie heeft daarop de onderhavige dagvaarding uitgebracht.

Het verweer van verdachte

Verdachte is op 27 juli 2010 in verzekering gesteld. Tijdens haar verhoren in juli en augustus 2010 is verdachte ingegaan op de feiten die haar werden voorgelegd. Uit deze verhoren komt voor de rechtbank -kort en zakelijk geschetst- het volgende beeld naar voren.

Verdachte erkende dat zij haar administratie niet op orde had. Zij had langdurig een saldo-tekort op haar zakelijke rekening en nam bedragen op voor privé-uitgaven, waardoor verschuldigde verzekeringspremies mogelijk niet waren (door)betaald. Verdachte erkende voorts dat zij zelfs internetoverboekingen vervalst heeft om klanten aan te tonen dat zij hun verzekeringspremie doorbetaald had, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was.

Ter verdediging bracht verdachte naar voren dat zij niet de enige was die fouten maakte. Ook aan de kant van de verzekeringsmaatschappijen en zakenpartners bedrijf 1 en volmachtbedrijf bedrijf 2 werden fouten gemaakt. Daarentegen gaf verdachte ook aan dat bepaalde aangiften/verwijten onjuist en weerlegbaar waren.

Met verdachte zijn door de politie veel specifieke aangiften van klanten besproken. Over andere aangiften is zij niet meer gehoord. In de verhoren leest de rechtbank terug dat zij op veel zaken gedetailleerd is ingegaan. Daarbij heeft verdachte ter verdediging aangegeven dat:

  • de polissen van verzekeringsmaatschappijen overgevoerd werden naar volmachtbedrijf bedrijf 2 en dat daarbij zaken misliepen, die voor haar moeilijk te controleren waren;
  • zij met verzekeringsmaatschappijen en met bedrijf 1/bedrijf 2 een rekening-courant verhouding had, waarin zij werd belast voor de premies die verschuldigd waren;
  • zij rekeningafschriften ontving van verzekeringsmaatschappijen van provisies, waarop premies, belasting en kosten in mindering werden gebracht en dat deze rekening-courant overzichten zich in haar administratie bevonden en opvraagbaar waren bij verzekeringsmaatschappijen;
  • aangevers, in weerwil van wat zij zelf dachten, wel degelijk verzekerd waren;
  • als er zaken misliepen, correcties plaats hadden gevonden en/of polissen met terugwerkende kracht hersteld waren;
  • zij premies voor de verzekeringen van de desbetreffende aangevers had voldaan en dat dat uit haar administratie bleek.

Op de terechtzitting op 2 augustus 2013 en voorafgaand aan de terechtzitting van 12 februari 2014 heeft de raadsman stukken overgelegd, afkomstig uit de door de politie geretourneerde administratie van verdachte. Verdachte heeft ter zitting ten aanzien van specifieke zaken op de tenlastelegging voornoemde verweren herhaald en nader toegelicht.

Het onderzoek van de rechtbank aan de hand van de bescheiden in het dossier

De rechtbank heeft aan de hand van de stukken van het door de officier van justitie samengestelde dossier, waaronder de dagafschriften van de zakelijke rekening van verdachte, de feiten onderzocht. Bij het bestuderen van de stukken heeft de rechtbank de verweren van de verdachte betrokken en bekeken of de stellingen van verdachte, mede in het licht van het Meer- en Vaartleerstuk, als juist of minst genomen als aannemelijk konden worden beschouwd. Daarbij is de rechtbank het volgende gebleken.

In een aantal zaken kon eenvoudig worden nagegaan dat verdachte, zoals zij stelde, premies van klanten had (door)betaald. De rechtbank noemt in dit verband als voorbeeld de zaken met nummers 12 (feit 3) en 22 (feit 1): de zaken van aangevers aangever 1 en aangever 2.

Zaak 12

In deze zaak zou verdachte volgens de tenlastelegging (poging tot oplichting) een overzicht hebben gestuurd aan aangever aangever 1 waarop verdachte premiebedragen zou hebben vermeld, die aangever verschuldigd zou zijn, maar die door verdachte verzonnen zouden zijn.

Op de dagafschriften van de zakelijke rekening zijn echter de meeste bedragen als betaald teruggevonden door de rechtbank. Twee andere bedragen komen precies overeen met de premies die voor de inboedel- en de opstalverzekering moesten worden voldaan. Met andere woorden: verdachte heeft die premiebedragen niet gefingeerd. In beginsel had zij in civielrechtelijke zin die premiebedragen gewoon van aangever 1 te vorderen.

Zaak 22

In deze zaak zou verdachte premies van de familie aangever 2 niet hebben doorbetaald aan bedrijf 1 of bedrijf 2. Op de dagafschriften zijn echter de meeste premiebedragen als betaald terug te vinden.

Verder zijn er documenten die de conclusie toelaten dat bepaalde verzekeringen, in weerwil van wat aangevers dachten, niet geroyeerd waren. Ook kan uit de stukken worden opgemaakt dat verdachte premie verrekende door middel van een rekening-courantverhouding met de verzekeraar.

In andere gevallen gingen er zaken mis, maar zijn deze kennelijk hersteld. De rechtbank noemt in dit verband als voorbeeld de zaken met nummers 7 en 15 (beide feit 1): de zaken van aangevers aangever 3 en aangever 4.

Zaak 7

In deze zaak stelt aangever aangever 3 dat hij jarenlang premie heeft betaald aan verdachte voor zijn autoverzekering, maar dat hij niet verzekerd was. Uit brieven van deurwaarders komt naar voren dat er problemen zijn met premiebetalingen, maar dat bewijst niet zonder meer dat een verzekering geroyeerd is. bedrijf 3 stuurt ook brieven aan verdachte, van respectievelijk 28 september 2007 en 6 april 2009, waaruit kan worden opgemaakt dat de premie verrekend werd in rekening-courant en dat de verzekering gewoon nog liep. Nergens volgt uit dat die verzekering geroyeerd was.

Zaak 15

Ook aangever 4 heeft aangifte gedaan van verduistering, omdat hij premies heeft betaald aan verdachte, maar desondanks boetes en post van de RDW kreeg wegens onverzekerd rijden.

Het betreft verzekeringen bij verzekeringsmaatschappij bedrijf 4. Op 14 juli 2005 is er een fax gestuurd aan het kantoor van verdachte waarin namens bedrijf 4 wordt medegedeeld dat het probleem inzake “niet betaalde premie” en “geen dekking” is opgelost en dat het bedrijf van verdachte in rekening courant belast zal worden voor de openstaande premies.

Deze voorbeelden illustreren dat de stellingen van verdachte niet zonder meer naar het rijk der fabelen kunnen worden verwezen. In tegendeel. Verder constateert de rechtbank dat er ook in andere dan de hiervoor vermelde zaken maar weinig documenten in het dossier te vinden zijn die evident aantonen dat verzekeringen van aangevers daadwerkelijk geroyeerd waren.

Normaal gesproken leidt dat alles in een strafzaak tot vrijspraak en niet tot niet-ontvankelijkheid, maar in de onderhavige zaak is er meer aan de hand. Wanneer namelijk bij het onderzoek naar de feiten de bescheiden betrokken worden die, kennelijk afkomstig uit het beslag, door de raadsman zijn ingebracht, ontstaat een schrijnend beeld ten aanzien van het aanvankelijk aan de rechtbank gepresenteerde dossier. Als voorbeeld noemt de rechtbank de zaken 8 en 14 (beide feit 1) van aangevers aangever 5 en aangever 6.

Zaak 8

Aangever aangever 5 zegt dat hij van de verzekeraar vernomen heeft dat hij nooit verzekerd is geweest, terwijl hij wel premie voor zijn autoverzekering aan verdachte had betaald. Verdachte heeft bij haar verhoor op 29 juli 2010 verklaard dat dit niet klopte. Verdachte stelde dat zij voor de premie belast was in rekening-courant en dat aangever 5 gewoon verzekerd was.

In het dossier van de rechtbank zit een belastende brief van 6 januari 2010 van bedrijf 2 namens bedrijf 3 met de mededeling dat de verzekering van aangever 5 met ingang van 1 februari 2009 wegens wanbetaling geroyeerd is. Verdachte heeft echter twee documenten in de administratieve stukken aangetroffen met betrekking tot de verzekering van aangever 5, die een ander licht op die zaak werpen. In een Prolongatie overzicht van de maand november 2009, afkomstig van bedrijf 2, wordt vermeld dat de verzekering van aangever 5 geprolongeerd is en verrekend wordt in de rekening courant van verdachte. Tevens is er een Rekening courant overzicht met betrekking tot boekperiode december 2009, waarin een boeking plaatsvindt op 6 januari 2010.

Dit voorbeeld illustreert voor de rechtbank dat niet zonder meer op basis van de royementsbrief kan worden aangenomen dat de verzekering beëindigd was en verdachte derhalve premie heeft verduisterd. De zaak ligt kennelijk gecompliceerder dan de officier van justitie heeft gepresenteerd met het dossier, hetgeen verdachte vanaf het begin duidelijk heeft willen maken. In elk geval zijn stukken die een aanzienlijk genuanceerder beeld laten zien en mogelijk voor verdachte zelfs ontlastend zijn niet in het dossier beland. Datzelfde doet zich voor in zaak 14.

Zaak 14

Aangeefster aangever 6 stelde dat zij alle privé- en bedrijfsverzekeringen via verdachte had lopen, maar dat gebleken was dat zij slechts voor één polis daadwerkelijk verzekerd was geweest. Toegespitst op de verzekeringen van aangever 6 bij bedrijf 5, verklaart de verdachte bij haar verhoor op 29 juli 2010 ter verdediging dat er problemen waren met een polis van bedrijf 5, omdat privé en zakelijk door elkaar verstrengeld waren, maar dat dat probleem gecorrigeerd was.

Het dossier van de rechtbank bevat belastende brieven uit de administratie van verdachte, afkomstig van bedrijf 5 met betrekking tot de verzekering voor de detailhandel met polisnummer nummer 1, waaruit blijken kan dat premies niet waren betaald en dat de verzekering was beëindigd wegens wanbetaling (brief van bedrijf 1 d.d. 9 januari 2008).

Verdachte heeft echter twee documenten in de administratieve stukken aangetroffen met betrekking tot deze verzekering, waaruit geconcludeerd kan worden dat de verzekering toch is doorgelopen. Een brief van bedrijf 5 van 12 mei 2009 vermeldt namelijk dat de desbetreffende verzekering, met contractsvervaldatum 1 februari 2011, zal worden voorgezet via een andere intermediair. Een nota van bedrijf 1 van 14 september 2009 vermeldt een negatief boekingsbedrag in rekening courant en een vervaldatum van de polis van 1 juni 2010.

Ook ten aanzien van de woonhuisverzekering van aangever 6 bij bedrijf 5 met polisnummer nummer 2 speelt iets vergelijkbaars. Aangeefster heeft van bedrijf 5 een brief ontvangen d.d. 27 januari 2009 waarin wordt aangegeven dat de verzekering wegens wanbetaling per 1 februari 2007 is beëindigd. In het dossier zit echter ook een brief van bedrijf 5 van 10 november 2008 aan verdachte, waarin deze maatschappij verontschuldigingen aanbiedt voor het feit dat zij verdachte niet eerder gewezen heeft op een premieachterstand voor de verzekering met vervaldatum 1 februari 2007.

Vervolgens zijn door verdachte in de administratieve stukken brieven van bedrijf 5 van later datum aangetroffen, waaronder een brief van 16 april 2009, waarin wordt medegedeeld dat de verzekering wordt verlengd met ingangsdatum 1 februari 2008.

Deze voorbeelden illustreren opnieuw dat niet zonder meer op basis van de brieven van het oorspronkelijke dossier van 9 januari 2008 respectievelijk 27 januari 2009 geconcludeerd kan worden dat de verzekeringen beëindigd waren en dat verdachte derhalve premie heeft verduisterd. In tegendeel. De ontlastende stukken duiden erop dat er inderdaad problemen waren die later kennelijk zijn rechtgetrokken. Duidelijk is in elk geval dat niet alle ontlastende stukken in het dossier zijn beland, maar door de verdediging zijn aangevuld. Dat speelt bovendien in meer zaken dan alleen de hiervoor genoemde.

Dit alles roept de vraag op waarom zo veel relevant materiaal niet onder de aandacht van de rechtbank is gebracht in deze zaak, terwijl verondersteld mag worden dat de politie en het openbaar ministerie hier langdurig de beschikking over hebben gehad. In dat verband moet ook nog worden opgemerkt dat bij de aangiften niet alle door die aangevers overhandigde stukken als bijlage bij de processen-verbaal zijn gevoegd. De officier van justitie is daarop gewezen door de rechtbank op de zitting van 2 augustus 2013, maar dat heeft er niet toe geleid dat zij het dossier daarop heeft laten aanpassen, terwijl het om een groot aantal mogelijk relevante stukken gaat.

De omstandigheid dat het een grote zaak is, vormt geen excuus. Van het openbaar ministerie mag verwacht worden dat het een zo volledig mogelijk dossier presenteert met betrekking tot alle specifieke zaken, ook als aanvankelijk het idee was om deze zaken vereenvoudigd af te doen.

Een nadere analyse van deze tekortkoming kan de rechtbank maken aan de hand van de manier waarop is omgegaan met het beslag en de manier waarop de politie onderzoek heeft gedaan in deze zaak, zoals dat uit het dossier en het horen van getuigen op 12 februari 2014 ter zitting naar voren komt. Ook hier ontstaat dan een schrijnend beeld van de zaak.

Het beslag en het onderzoek van de politie. Nadere overwegingen van de rechtbank.

Van de in beslag genomen administratie is geen volledige beschrijving gemaakt, maar slechts enkele handgeschreven notities die de stukken zeer globaal duiden. De stukken zijn ook niet integraal gekopieerd. De administratie zoals aangetroffen, was duidelijk niet op orde. Uit het beslag dat bestond uit 16 verhuisdozen, zijn vervolgens stukken geselecteerd en in kopie toegevoegd aan het dossier. Hetgeen uiteindelijk aan de rechtbank is gepresenteerd past in welgeteld één verhuisdoos. Verder hebben aangevers stukken aan de politie overgelegd. Van deze bescheiden is, zoals gezegd, ook een selectie toegevoegd aan het dossier. Na de selecties door de verbalisanten is het beslag aan verdachte geretourneerd, waarna een deel vervolgens weer verloren is gegaan ten gevolge van waterschade. De rechtbank stelt vast dat thans niet meer kan worden vastgesteld wat zich in het beslag heeft bevonden.

Ter terechtzitting zijn twee betrokken opsporingsambtenaren als getuige gehoord over de administratie en het onderzoek.

De administratie van verdachte is onderzocht door financieel expert S. Hij heeft uitgelegd dat hij stukken geselecteerd heeft uit de administratie met het oog op de bewijslast van verduistering naar aanleiding van de verklaringen van de aangevers dat zij premies aan verdachte betaald hadden, maar wegens wanbetaling waren geroyeerd. S heeft gezocht naar stukken die een indicatie opleverden dat er iets mis zou kunnen zijn gegaan of niet klopte met betrekking tot de verzekeringen van de aangevers.

Op de vraag hoe het kan dat stukken onder de naam van een slachtoffer zijn gevoegd (in zaak 3 van aangever aangever 7, feit 1), die op een andere, niet in het onderzoek betrokken persoon betrekking hebben, heeft hij verklaard dat hij zocht op achternaam en vervolgens de gehele set onder die naam aan het dossier toevoegde. Hij heeft deze stukken niet nader onderzocht.

Verder heeft S de zakelijke rekening onderzocht en een overzicht gemaakt van betalingen aan verdachte door klanten en van betalingen door verdachte ten behoeve van de klanten.

S heeft zich beperkt tot het voorgaande en geen verder onderzoek gedaan naar de royementen of de rekening-courant verhouding van verdachte bij de verzekeringsmaatschappijen. Achteraf kan hij niet meer zeggen of hij de stukken die door de raadsman zijn ingebracht, onder ogen heeft gehad.

Rechercheur C had de leiding over het onderzoek en heeft het dossier samengesteld. C heeft verklaard dat hij de stukken die S geselecteerd had, heeft doorgenomen. In opdracht van de officier van justitie heeft C de administratieve stukken aan verdachte geretourneerd. Voor het overige heeft C onvoldoende herinneringen aan het onderzoek. Reeds eerder bij de rechter-commissaris heeft C verklaard dat hij door tijdgebrek de door collega's opgestelde processen-verbaal niet heeft gelezen.

In welgeteld twee specifieke zaken heeft de politie gerelateerd dat zij telefonisch navraag heeft gedaan bij verzekeringsmaatschappij bedrijf 3 met betrekking tot royementen. Dit betreft de zaken 3 en 4 van aangevers aangever 7 en aangever 8. Hetgeen hierover is gerelateerd is verder niet nader onderzocht en gestaafd met schriftelijke documenten. Ook voor het overige heeft men niet bij verzekeraars, bij de bedrijf 1 of bij bedrijf 2 navraag gedaan of stukken opgevraagd met betrekking tot de verzekeringen van de zaken op de tenlastelegging, teneinde een compleet beeld te krijgen van de (communicatie met betrekking tot de) beëindiging.

Gelet op de ongeordende staat van de administratie lag het echter niet voor de hand erop te vertrouwen dat zo’n volledig beeld uit die administratie zou kunnen worden gehaald. Dit zou wellicht bij een bekennende verdachte niet problematisch zijn, maar verdachte betwistte juist dat in specifieke gevallen de verzekering was geroyeerd. Daarmee ontstond er een zwaardere bewijslast voor het openbaar ministerie en de rechtbank begrijpt niet waarom in die gevallen niet verder is gekeken.

Evenmin is nagegaan of de premies, voor zover niet traceerbaar op de dagafschriften, verrekend en dus voldaan zijn via de rekening-courant verhouding tussen verdachte en verzekeringsmaatschappijen. Dat die er was, moet niet alleen kenbaar zijn geweest uit de mededelingen van verdachte, maar ook uit de stukken die de politie geselecteerd had en de dagafschriften. Die laten immers regelmatig uitbetalingen zien van verzekeraars aan verdachte onder vermelding van “uitbetaling rekening courant” of “vereffeningssaldo rekening courant”, hetgeen erop duidt dat verdachte premies, kosten en provisies verrekende.

Naar aanleiding daarvan had de politie overzichten kunnen opvragen. Dit heeft de politie nagelaten. Uit de verklaring van S ter zitting en opmerkingen van C in het verhoor wordt daarbij duidelijk dat de politie het verwijt aan het adres van verdachte vooral zag in het verschil tussen de betalingen van klanten op de bankrekening van verdachte en de betalingen door verdachte vanaf de bankrekening in relatie tot de verzekeringen van klanten. Die balans viel uit in het nadeel van verdachte, waarmee kennelijk de kous af was en er voldoende bewijs geleverd was voor verduistering. Die opvatting is echter in het licht van het verweer van verdachte en de hogere eisen die daardoor aan het bewijs moeten worden gesteld, te beperkt. Dat had de officier van justitie moeten triggeren tot nader (sturen van het) onderzoek, maar zij heeft dit niet geëntameerd. De rechtbank komt hier nog op terug.

Verder heeft men de heer medewerker van bedrijf 1, aan wie verdachte haar verzekeringsportefeuille heeft overgedaan en bij wie zij vervolgens in dienstbetrekking heeft gewerkt, niet gehoord. Evenmin is onderzocht of er in relatie tot de verzekeringen van aangevers sprake is geweest van (problemen vanwege) het overvoeren van de verzekeringen naar volmacht bedrijf 2.

Dit op meer fronten achterwege laten van nader onderzoek is gelet op de verweren die verdachte reeds in een zeer vroeg stadium naar voren heeft gebracht en waarbij zij later nadrukkelijk persisteerde, onbegrijpelijk en verwijtbaar. Niet alleen het belang dat een verdachte heeft bij het verzamelen van óók ontlastend bewijs speelt daarbij een rol, maar ook het belang van de benadeelde partijen en de maatschappij bij waarheidsvinding. De rechtbank kan immers niet met zekerheid zeggen dat nader onderzoek in alle gevallen voordeel voor verdachte zou hebben opgeleverd. Zij acht het niet uitgesloten dat de administratie naast ontlastend, ook meer belastend materiaal heeft bevat. Dat kan echter achteraf niet meer geverifieerd worden, omdat niet te achterhalen is wat er precies in beslag is genomen. Verder ontbreken stukken van de aangevers.

Het ligt ook niet primair op de weg van de rechtbank om, op basis van haar bevoegdheid van artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering, alsnog gedetailleerd aanvulling van het dossier te gelasten. Van de verdediging wordt principieel niet verwacht bewijs aan te leveren.

Helder is voor de rechtbank dat in het politieonderzoek onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van verdachte. Daarmee is niet gezegd dat de politie doelbewust in het nadeel van verdachte heeft geopereerd. Zij heeft immers ook ontlastend bewijs aangeleverd aan de hand waarvan bepaalde verwijten aan het adres van verdachte eenvoudig te pareren vallen. Wel was het aangeleverde dossier vergaand incompleet en het onderzoek onvolledig.

Dat roept weer de vraag op of er, nadat de politie het dossier had aangeboden aan het parket, aldaar kritisch gekeken is of het dossier en het onderzoek wel volledig genoemd konden worden. Voor juristen min of meer eenvoudig te vinden ontlastend materiaal is evident door de officier van justitie gemist en de verweren van verdachte vormden geen aanleiding voor haar nader onderzoek te entameren, noch na de weigering van de verdachte om de feiten ad info mee te nemen, noch na de zitting van 2 augustus 2013. Dit rekent de rechtbank de officier van justitie aan. Zij moet immers begrepen hebben dat in een zaak als de onderhavige niet alleen volstaan kan worden met in meer algemene zin bewijsbare verwijten, maar dat ook in detail voldoende bewijs moet worden aangeleverd.

Ook hier geldt weer dat het niet primair de rechtbank is die daarop zou moeten aansturen. De officier van justitie was van meet af aan bekend met de verweren van verdachte. Zij heeft daarmee geruime tijd rekening kunnen houden en die verweren kunnen houden naast iedere afzonderlijke zaak. Pas op de terechtzitting van 12 februari 2014 is de officier van justitie echter tot het inzicht gekomen dat er nader onderzoek door een forensisch accountant nodig was naar de rekening-courant relatie van verdachte met verzekeraars. Gelet op het feit dat de zaak al zo lang loopt én het beslag niet meer compleet is, is dat mosterd na de maaltijd.

Dit alles brengt met zich mee dat niet alleen de werkwijze van de politie de belangen van verdachte heeft benadeeld, maar ook de werkwijze van de officier van justitie.

Daarmee is verdachte in een dusdanige positie gemanoeuvreerd dat zij, met de moed der wanhoop, getracht heeft haar stellingen te onderbouwen met schriftelijk bewijs. Dat is in strijd met elementaire uitgangspunten van het straf(proces)recht. Door het lange tijdsverloop tussen de verhoren van de verdachte en heden is zij bovendien extra geschaad in haar verdediging, nu een nader diepgaand onderzoek naar geschriften en het horen van relevante betrokkenen, zo niet onmogelijk, dan toch in elk geval alleen maar moeilijker is geworden. Van een voor de verdachte eerlijke behandeling van de zaak kan dan ook geen sprake meer zijn. Hier kan op geen enkele wijze worden gesproken van vormfouten ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, maar is sprake van een schending van fundamentele rechtsbeginselen. Ten aanzien van verdachte heeft te gelden dat elementaire rechtsbeginselen en met name het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het EVRM, grof en onherstelbaar in het gedrang zijn gekomen. Tevens heeft echter ook in meer algemene zin te gelden dat het beginsel dat de burger moet kunnen vertrouwen op een zorgvuldig handelende overheid, in het gedrang is gekomen. Het een en ander kan naar het oordeel van de rechtbank niet op een minder vergaande manier worden rechtgetrokken dan door middel van het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie.

Nu de rechtbank op basis van het voorgaande tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie oordeelt, ziet zij geen reden uitgebreid in te gaan op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de gang van zaken rondom de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris eerder in de zaak. Het kernverwijt van de raadsman is dat opsporingsambtenaren door middel van het proces-verbaal van de terechtzitting instructie hadden gekregen aangaande het onderwerp van de verhoren bij de rechter-commissaris. De rechtbank acht het weliswaar juist dat vermeden moet worden dat getuigen in detail op de hoogte worden gebracht van de inhoud van een verhoor, maar daarvan, noch van een feitelijke instructie van deze getuigen door de officier van justitie, is niet gebleken. Het vooraf bekend zijn met een in beginsel openbaar stuk, als een proces-verbaal van een terechtzitting, is niet van dien aard dat daardoor de ontvankelijkheid van de officier van justitie aangetast wordt.

Tot slot zal de rechtbank gelet op haar beslissing tot niet-ontvankelijkheid, ook alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF