Niet-aanvaarding uos ten aanzien van betrouwbaarheid verklaringen getuigen

Hoge Raad 23 april 2013, LJN BZ7143

Feiten

Het gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 25 maart 2011 wegens doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren.

Middel

Het middel klaagt in de kern dat het Hof heeft verzuimd te motiveren waarom het afwijkt van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt integraal deel uitmakende verweer dat het vrijwel niet mogelijk c.q. onmogelijk is dat de getuigen 1, 2 en 3 de waarnemingen waarover zij hebben verklaard hebben gedaan als wordt uitgegaan van de bij de reconstructie ingenomen posities en het beperkte zicht als gevolg van de geringe belichting.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv dient een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat door de rechter niet is aanvaard, in de uitspraak beargumenteerd te worden weerlegd. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393).

Het Hof heeft, in afwijking van hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, de verklaringen van getuige 1, 2 en 3 betrouwbaar geacht. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de kern van hun verklaringen is dat zij hebben gezien dat het slachtoffer door de verdachte uit het raam is gegooid en dat zij deze essentie betreffende de gang van zaken rondom het incident steeds op geloofwaardige en betrouwbare wijze hebben bevestigd. Daarin ligt als (gemotiveerd) oordeel van het Hof besloten dat genoemde personen de handelingen van de verdachte waarover zij hebben verklaard, hebben kunnen waarnemen. Aldus heeft het Hof ook ten aanzien van het in het middel bedoelde onderdeel van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt de redenen opgegeven, als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, die ertoe hebben geleid dat dit standpunt niet door het Hof is aanvaard. Het Hof hoefde niet nader in te gaan op hetgeen door de raadsman overigens met betrekking tot "het beperkte zicht" is aangevoerd.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF