Ne bis in idem geldt ook in tuchtrecht

Raad van Discipline 18 MAART 2016, ECLI:NL:TADRAMS:2016:61 Verweerder heeft klager vanaf 2003 bijgestaan in een procedure tegen Dexia Nederland B.V. en een verzekeringstussenpersoon met betrekking tot een effectenleaseovereenkomst die klager met Dexia had gesloten door tussenkomst van de tussenpersoon.

Klager heeft over de behandeling door verweerder een klacht bij de deken Amsterdam ingediend. De klacht is (onder zaaknummer 14-053A) behandeld ter zitting van 13 mei 2014 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam. Een van de klachtonderdelen (klachtonderdeel c) hield in dat verweerder had verzuimd een specifieke vordering betreffende “kredietrente” in te dienen waardoor die vordering niet door de kantonrechter is behandeld. Bij beslissing van 8 juli 2014 heeft de raad de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. De raad heeft ten aanzien van klachtonderdeel c) onder meer overwogen:

“4.5 (…) Verweerder heeft de akte overgelegd waarin – naar de raad heeft kunnen vaststellen – hij de post “kredietrente” heeft opgevoerd en een toelichting bij die post heeft gegeven. (…)

4.6 De raad heeft niet kunnen vaststellen dat de afwijzing van dit deel van de vordering te wijten is aan enig nalaten of onzorgvuldig handelen van verweerder.(…) Dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten zijn eis aan te passen, is dan ook niet gebleken. Evenmin is gebleken dat een nadere toelichting van verweerder tot toewijzing van dit deel van de vordering had kunnen leiden.”

Klager is van de beslissing van de raad in hoger beroep gekomen. Bij beslissing van 23 februari 2015 heeft het Hof van Discipline de beslissing van de raad van 8 juli 2014 bekrachtigd.

Klager heeft zich vervolgens opnieuw over verweerder beklaagd bij de deken Amsterdam. De klacht hield onder meer in dat verweerder klager cruciale informatie heeft onthouden – over het verzuim van de kantonrechter om te oordelen over de vordering jegens Dexia omtrent de kredietrente. De klacht is bij beslissing van 22 mei 2015 door de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (onder zaaknummer15-106A) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Klager is van de voorzittersbeslissing in verzet gekomen. Het verzet is behandeld ter zitting van de raad van 17 augustus 2015. Bij beslissing van 12 oktober 2015 is het verzet voor wat betreft klachtonderdeel a) gegrond verklaard – en voor wat betreft klachtonderdeel b) ongegrond – doch het klachtonderdeel is ongegrond verklaard.

Bij brief van 17 oktober 2015 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

Klacht

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a) verweerder bij de behandeling door de raad van discipline op 17 augustus 2015 een foute c.q. valse verklaring heeft afgelegd;

b) verweerder in de procedure bij de rechtbank geen specifieke vordering uit hoofde van de leaseovereenkomst heeft ingesteld en geen grond heeft aangevoerd waaruit zou volgen dat Dexia was gehouden tot vergoeding van het (gehele) bedrag.

Klager stelt ter toelichting op klachtonderdeel a) dat verweerder ter zitting heeft gesproken over ‘afkoop’ van de polis terwijl het om ‘belening’ gaat. Ingeval van belening had klager aanspraak kunnen maken op een rentevergoeding. Met klachtonderdeel b) verwijt klager verweerder dat hij heeft nagelaten om de vordering die daartoe had moeten worden ingediend, in te dienen.

Verweer

Verweerder wijst erop dat reeds door de raad van discipline is vastgesteld – in de beslissing van 8 juli 2014 – dat verweerder de renteschadepost heeft gevorderd. Het Hof van Discipline heeft dat oordeel van de raad bekrachtigd. Klager is mitsdien niet-ontvankelijk, aldus verweerder.

Beoordeling

Klachtonderdeel a)

Met klachtonderdeel a) verwijt klager verweerder dat hij ter zitting van de raad van 17 augustus 2015 ten onrechte heeft gesproken over afkoop van rente terwijl sprake was van belening van rente. Belening van rente schept een grondslag voor een (“rente schade”) vordering, afkoop van rente niet, zo begrijpt de voorzitter klager. Door te spreken over ‘afkoop’ zou verweerder wegblijven bij de op hem rustende verplichting om namens klager een vordering tegen Dexia in te stellen, zo begrijpt de voorzitter de klacht verder.

De voorzitter stelt vast dat klager zijn stelling geen steun vindt in het klachtdossier en ook overigens niet in de beslissingen van de raad van 8 juli2 014 (14-053A) en 12 oktober 2015 (15-106A) en van het Hof van 23 februari 2015 (7237). De voorzitter stelt vast dat in voornoemde tuchtprocedures tussen partijen nu juist is komen vast te staan dat een vordering inzake kredietrente is ingesteld. Uit de beslissingen van de raad en het Hof blijkt niet dat voor het oordeel bepalend is geweest de vraag of sprake was van afkoop of belening. De voorzitter is tegen die achtergrond van oordeel dat, zo verweerder ter zitting al gesproken zou hebben over afkoop – hetgeen door klager niet aannemelijk is gemaakt – niet is gebleken dat klager daardoor daadwerkelijk op relevante wijze in zijn belang is geschaad. Immers, niet kan worden vastgesteld dat de door verweerder gekozen bewoordingen van invloed zijn geweest op de inhoud van het gegeven oordeel.

Nu klager het klachtonderdeel overigens niet nader met stukken heeft onderbouwd, zal de voorzitter dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel b)

Ook in tuchtrechtelijke procedures geldt het zogenaamde ne bis in idem-beginsel. Dat betekent dat dezelfde klacht niet twee maal ter beslissing kan worden voorgelegd. Het huidige verwijt is inhoudelijk gelijk aan de eerdere klacht van klager over – kort gezegd – het niet instellen door verweerder van een specifieke vordering uit hoofde van de leaseovereenkomst. Die klacht (klachtonderdeel c) is door de raad op 8 juli 2014 (14-053A) ongegrond verklaard. De tegen die beslissing aangevoerde grieven zijn door het Hof van Discipline op 23 februari 2015 verworpen. Er zijn geen feiten gesteld of gebleken die nopen tot afwijking van het ne bis in idem-beginsel in dit geval. Klager is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdeel b).

Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, dan ook deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

De voorzitter verklaart:

  • klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
  • klager, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdeel b).

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF