Mulderzaak milieuzone Utrecht: bebording ter plaatse onvoldoende duidelijk

Rechtbank Midden-Nederland 15 december 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:7189

Bij inleidende beschikking is betrokkene een administratieve sanctie opgelegd.

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van € 90,00. Het gaat om een gedraging, verricht op 14 juli 2015 om 17:44 uur te Utrecht: rijden in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan 2 wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990.

De officier van justitie heeft op het door betrokkene ingestelde administratief beroep een beslissing genomen.

Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de aan betrokkene opgelegde administratieve sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

Betrokkene voert de volgende gronden aan. Betrokkene stelt dat het beroep tegen de beslissing onterecht kennelijk ongegrond is verklaard. Het gaat namelijk om een milieuzone. De milieuzone, de handhaving van overtreding van de milieuzone bepalingen en het opleggen van een sanctie hiervoor is onzinnig, oneerlijk en in strijd met het recht. Betrokkene acht de beschikking in strijd met het recht en de beginselen van behoorlijk bestuur. De zaken kunnen wat betrokkene betreft worden gevoegd. Betrokkene zou graag de gronden van het beroep nader toelichten afhankelijk van de uitkomst van het landelijk overleg tussen de Minister van Justitie en de gemeenten die een milieuzone hebben ingevoerd of willen invoeren.

Daarnaast ook in afwachting van de uitkomst van andere soortgelijke zaken en procedures (zie zaaknummers UTR 15/2284, UTR 15/2307 en de uitspraak van 11 juni 2015; ECLI:NL:RBMNE:2015:4174). Betrokkene geeft aan dat zij haar voertuig heeft uitgeleend aan een vriend en deze dus niet bedrijfsmatig heeft verhuurd. Het is betrokkene niet duidelijk hoe geconstateerd is dat zij met haar auto op die dag op dat moment daar bewust gereden zou hebben. Over het algemeen houdt betrokkene zich aan de milieuzone, maar zij kent de geplaatste borden niet uit haar hoofd. De voorlichting, de wijzigingen en de plaatsing brachten verwarring met zich mee. Op het moment dat een bord zichtbaar voorbijgereden werd was er niets meer aan te doen; door direct te stoppen en achteruit te rijden zou betrokkene het overige verkeer in gevaar hebben gebracht. Onder deze omstandigheden is het niet redelijk dat er een sanctie wordt opgelegd. Net als de partijen in bovengenoemde zaaknummers voert betrokkene aan dat zij als eigenaar van haar auto in het bijzonder door het besluit wordt gedupeerd en kop kosten wordt gejaagd, omdat zij woonachtig is binnen de milieuzone of die milieuzone wil bereiken. De kosten zien enerzijds op de boetes die de gemeente per 1 mei 2015 oplegt aan overtreders en anderzijds op de aanschafkosten van een vervangende auto.

Daarnaast heeft deze maatregel over het algemeen geen of zelfs een negatief effect. Betrokkene geeft verder nog aan dat de bevoegdheid van de gemeente om met de gekozen bebording de milieuzone vast te stellen ter discussie is gesteld. Hierbij wordt er op gewezen dat de door de gemeente verzochte wijziging van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990) nog niet is doorgevoerd zodat een specifiek bord voor een milieuzone voor personenauto’s nog niet bestaat. De complexiteit van de zaak brengt met zich mee dat de onderhavige procedure zich niet leent voor het geven van een individueel oordeel over de rechtmatigheid van het in geding zijnde beschikking. Bovendien zou betrokkene – vanwege haar woon-werk verkeer – zich genoodzaakt zien haar auto te verkopen en kosten te maken voor een vervoermiddel waarmee zij de milieuzone wel mag betreden. Deze kosten betekenen voor betrokkene een onevenredig groot nadeel waarvoor geen uitzondering gemaakt lijkt te kunnen worden.

Ter zitting heeft de gemachtigde van betrokkene het volgende aangevoerd. Gemachtigde geeft aan dat betrokkene ten tijde van de gedraging zelf heeft gereden en verzoekt daarnaast de in het beroep aangevoerde hoorschending te passeren. Daarnaast wil gemachtigde een principieel punt en een feitelijk punt naar voren brengen, waarbij wordt verwezen naar een eerdere zaak (5097289 UM VERZ 16-3340). Principieel vraagt gemachtigde de kantonrechter te toetsen aan het recht van eigendom, artikel 1 Eerste Protocol EVRM. Als de gemeente zo’n sterke beperking oplegt voor een heel oud dieselvoertuig, kan betrokkene niet volledig over haar eigendom beschikken. Als feitelijk punt voert gemachtigde het volgende aan. Gemachtigde legt hierbij een kaart en een vijftal foto’s over. Op de kaart staat aangegeven welke route betrokkene destijds heeft gereden. Op het eerste bord dat betrokkene passeert zie je de officiële bebording van de geslotenverklaring. Als je dit bord aan ziet komen, kan je dit bord zien en nog links afslaan (zie foto 1). Op foto 2 is te zien waar je recht af moet slaan voor de milieuzone. Daarvoor staat een aankondiging die uitsluitend bedoeld is voor vrachtwagenverkeer. In de andere (hierboven genoemde) zaak heeft de rechter geoordeeld dat dit bord onvoldoende duidelijk is. Als je de straat verder doorrijd hoef je op dat moment nog geen rekening te houden met een verbod die eraan komt. Foto 3 is bewust links van de weg genomen, waar rechtsonder in de hoek de streep te zien is waar auto’s moeten stoppen voor het stoplicht. Het officiële bord is daar nog niet zichtbaar, maar pas als je afslaat en je al in die bocht zit waardoor je niet meer terug kan. De boete is derhalve onterecht opgelegd.

De officier van justitie heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter gedeeltelijk gegrond is. Het gaat bij deze overtreding niet om het eigendomsrecht, maar of de gedraging vastligt of niet en of er bijzondere omstandigheden zijn. De gedraging staat vast aangezien betrokken in de milieuzone heeft gereden. Er zijn daarnaast wel omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden. Omdat de gedraging heeft plaatsgevonden vóór 5 december 2015 – en dus vóór de extra geplaatste bebording betreffende de milieuzone – ziet de officier van justitie aanleiding de sanctie te matigen tot nihil.

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

Dat het instellen van de milieuzone door de gemeente wellicht een inbreuk maakt op het eigendomsrecht van betrokkene acht de kantonrechter in het kader van de beoordeling in deze zaak niet relevant.

In zaken op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd, geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Nu ook uit het dossier geen feiten of omstandigheden blijken die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, is naar de overtuiging van de kantonrechter komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

De kantonrechter stelt vast dat betrokkene het verrichten van de gedraging niet ontkent, maar stelt dat er omstandigheden zijn waardoor de administratieve sanctie op nihil of op een lager bedrag had moet worden vastgesteld. In de aangevoerde omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de sanctie op nihil te stellen of te matigen. Daarbij wordt als volgt overwogen.

De kantonrechter stelt aan de hand van de door gemachtigde ter zitting overgelegde foto’s en uitleg vast dat de bebording ter plaatse onvoldoende duidelijk is. Er wordt door middel van het officiële bord geen duidelijkheid gegeven over de milieuzone, met name niet voor wie deze milieuzone geldt. Pas op het moment dat betrokkene rechtsaf slaat, is de officiële bebording te zien, maar er is op dat moment geen weg meer terug en betrokkene heeft dan geen andere keuze dan de milieuzone in te rijden.

Op basis van bovenstaande acht de kantonrechter het beroep gedeeltelijk gegrond.

Er bestaat aanleiding voor vergoeding van proceskosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De volgende proceshandelingen komen voor vergoeding in aanmerking: indiening van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen van gemachtigde ter zitting (2 punten). De kantonrechter kent aan de zaak wegingsfactor 0,5 (licht) toe, zodat voor vergoeding in aanmerking komt een bedrag van € 496 (2 x € 496 x 0,5 = 496,00).

De kantonrechter verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond, wijzigt de beslissing van de officier van justitie, stelt het bedrag van de administratieve sanctie op nihil, bepaalt dat de officier van justitie aan betrokkene het teveel betaalde teruggeeft en veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 496,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

 


Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF