Meineedzaak: het bestanddeel ‘gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt’ kan ook vervuld worden ingeval een getuige op de voet van artikel 216, tweede lid Sv is beëdigd

Rechtbank Oost-Brabant 3 september 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:4888

In deze zaak gaat het om de vraag of verdachte meineed heeft gepleegd toen zij bij de rechter-commissaris op 19 december 2011 als getuige een verklaring aflegde in de strafzaak tegen politie-ambtenaar. Deze betrokkene was in een strafzaak betrokken geraakt (mede) doordat verdachte in 2010 bij het het Bureau Interne Onderzoeken (BIO) van politieregio Brabant Zuid-Oost een gesprek had aangevraagd en toen belastende informatie had verteld over die betrokkene, onder meer met betrekking tot het bezit van verdovende middelen. De relatie tussen beiden was toen kort daarvoor verbroken.

Verdachte werd op 21 juni 2010, toen de relatie weer hersteld was, door de Rijksrecherche gehoord. Tijdens dat verhoor heeft verdachte een op schrift gestelde verklaring met haar naam eronder en ondertekend, aan de Rijksrecherche overhandigd. Verdachte vertelde tijdens dat verhoor dat dat betrokkene niet wist dat zij op dat moment een verklaring aflegde bij de Rijksrecherche.

Na voornoemd verhoor van verdachte op 21 juni 2010 wordt verdachte op haar initiatief, omdat zij naar eigen zeggen last had van haar geweten, op 31 augustus 2010 wederom verhoord door de Rijksrecherche. Zij verklaart dan dat zij bij het vorige verhoor aan verbalisanten een verhaal heeft laten lezen dat zij niet alleen gemaakt heeft, maar samen met betrokkene had gemaakt. Zij verklaart dan dat betrokkene wel wist dat zij verhoord zou worden en dat zij op een gegeven moment zelf een verhaal op papier heeft gezet en dat zij dat aan betrokkene heeft gemaild op zijn werk. “Daar heeft betrokkene zijn ins en outs al zo’n beetje bijgezet en afgehaald.” Daarna heeft zij het uitgeprint en toen heeft betrokkene het nog een keer gelezen toen hij tegenover haar aan tafel zat. Dat heeft zij gedaan om zijn hachje te redden zodat hij bij haar terug zou komen en dat was het liefste wat zij wilde, aldus verdachte toen.

Betrokkene heeft op 14 januari 2011 verklaard dat hij niet uitsluit dat verdachte hem via zijn werkmailadres voorafgaande aan haar eerste verhoor door de Rijksrecherche, op 21 juni 2010, een mailtje heeft gestuurd met betrekking tot de door haar af te leggen verklaring en dat hij niet uitsluit dat hij de door haar aan hem gemailde verklaring heeft gelezen en daar enkele wijzigingen in heeft aangebracht. Voorts heeft betrokkene verklaard dat, indien er in deze verklaring aanvullingen zijn aangebracht, hij niet uitsluit dat deze door hem zijn aangebracht, in het bijzijn van verdachte.

Op 19 december 2011 is verdachte te ’s-Hertogenbosch door de rechter-commissaris als getuige gehoord in de strafzaak contra betrokkene. Zij werd vervolgens onder ede gehoord, en heeft daartoe de belofte afgelegd. Vervolgens heeft verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris -onder meer- verklaard: “Ik heb die verklaring niet samen met betrokkene opgesteld. Ook heeft betrokkene die verklaring niet aangepast, behalve spelfouten (…) U, rechter-commissaris, vraagt mij waarom ik de verklaring juist aan betrokkene laat lezen. Uit netheid. Toen was sprake van een hele erge knipperlichtrelatie. Ik heb de verklaring laten lezen in de zin van: “Kijk er eens naar, wat vind je ervan.. (…)”

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de mailwisseling en de verschillen tussen de door verdachte op 15 juni opgestelde en de uiteindelijk op 21 juni 2010 ingeleverde verklaring, dat betrokkene een wezenlijke, inhoudelijk inbreng heeft gehad in de totstandkoming van die verklaring. Er is niet sprake van enkel spel- of taalfouten, zoals verdachte bij de rechter-commissaris beweert. Betrokkene heeft zich wezenlijk bemoeid met de strekking van die verklaring, suggesties gedaan en een plan gemaakt. De rechtbank acht de verklaring van verdachte van 31 augustus 2010 betrouwbaar nu de inhoud daarvan wordt ondersteund door de inhoud van de hiervoor vermelde e-mailberichten en deze spontaan en – naar eigen zeggen – uit wroeging over eerdere leugens is afgelegd. Mede op basis van deze verklaring concludeert de rechtbank dat de verklaring van verdachte op 19 december 2011 ten overstaan van de rechter-commissaris, dat verdachte de door haar op 21 juni 2010 aan de Rijksrecherche overgelegde verklaring niet samen met betrokkene heeft opgesteld, in strijd is met de waarheid. Gelet op het voorgaande kan niet gezegd worden dat verdachte niet wist van de bemoeienis van betrokkene bij de door haar overhandigde verklaring. Gelet ook op haar verklaring van 31 augustus 2010 was zij zich bovendien bewust van het belang voor de strafzaak van betrokkene van haar verklaringen over de vermeende betrokkenheid van betrokkene bij het opstellen van de verklaring. Er zijn de rechtbank geen omstandigheden gebleken die tot de conclusie zouden moeten leiden dat deze wetenschap en bewustheid niet meer aanwezig waren toen verdachte in de strafzaak van betrokkene in 2011 bij de rechter-commissaris werd gehoord.

Daarmee acht de rechtbank ook het opzet op het afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid bewezen en wordt het verweer dienaangaande verworpen.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijs bestaat voor dat deel van de tenlastelegging dat stelt dat verdachte in strijd met de waarheid heeft verklaard dat betrokkene in de verklaring geen aanpassingen heeft aangebracht, behalve spelfouten en dat verdachte ten aanzien van de pillen en vloeistof in de koffer van betrokkene niet wist wat het was. Verdachte wordt van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.

Ambtshalve bijzondere bewijsoverweging

Om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen moeten alle bestanddelen van de delictsomschrijving van artikel 207, eerste lid Sr vervuld worden. Ten aanzien van de vervulling van het bestanddeel ‘gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt’ overweegt de rechtbank ambtshalve het navolgende.

Verdachte is op 19 december 2011 als getuige gehoord bij de rechter-commissaris en tijdens dat verhoor – naar de rechtbank het proces-verbaal van de rechter-commissaris begrijpt – op de voet van artikel 216, tweede lid Sv als getuige beëdigd. De rechter-commissaris heeft, zo blijkt uit het door de rechter-commissaris opgemaakte proces-verbaal, op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte afgenomen dat zij de waarheid en niets anders dan de waarheid zal verklaren.

De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of het proces-verbaal van de rechter-commissaris, op grond waarvan blijkt dat verdachte is beëdigd, het bestanddeel ‘gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt’ kan vervullen.

Om dit bestanddeel te kunnen vervullen moet er sprake zijn van ofwel een wettelijk voorschrift dat een verklaring onder ede vordert, ofwel een wettelijk voorschrift dat rechtsgevolgen aan een verklaring onder ede verbindt.

Artikel 216 Sv schrijft slechts voor een beperkt aantal gevallen dwingend aan de rechter-commissaris voor dat hij een getuige onder ede moet horen (eerste lid). Deze gevallen zijn bij het getuigenverhoor van verdachte op 19 december 2011 niet aan de orde.

Daarnaast geeft het tweede lid van artikel 216 Sv de rechter-commissaris de bevoegdheid een getuige te beëdigen, indien hij dat noodzakelijk acht in verband met de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring.

Kan van deze bepaling gezegd worden dat dit een geval betreft waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert?

In 1994 liet de Hoge Raad (11-10-1994, LJN ZC9823 / NJ 1995, 82 – r.o. 5.2) nog in het midden of zich te dezen (beëdiging van een getuige bij de rechter-commissaris) voordoet een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, aangezien, gelet op het bepaalde in artikel 295 Sv, zich te dezen voordoet een geval waarin een wettelijk voorschrift aan een verklaring onder ede rechtsgevolgen verbindt, zodat het desbetreffende bestanddeel van de in artikel 207 Sr vervatte delictsomschrijving is vervuld.

Tot 1 februari 1998 luidde artikel 295 Sv als volgt:

“Indien een getuige, tijdens het gerechtelijk vooronderzoek beëedigd (…) overleden is of, naar het oordeel der rechtbank, niet op de terechtzitting heeft kunnen verschijnen, of van wiens verhoor overeenkomstig het bepaalde in artikel 280, zevende lid, is afgezien, (…) zal zijne vroegere verklaring, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd worden aangemerkt.”

Nu evenwel de voorheen als artikel 295 Sv geldende bepaling niet meer bestaat en er geen ander wettelijk voorschrift is dat aan een verklaring onder ede (als onderhavige verklaring bij de rechter-commissaris) rechtsgevolgen verbindt, kan thans niet langer gezegd worden dat zich te dezen voordoet een geval waarin een wettelijk voorschrift aan een verklaring onder ede rechtsgevolgen verbindt, zodat hiermee niet het desbetreffende bestanddeel vervuld kan worden.

Waar de Hoge Raad in 1994 derhalve de vraag nog in het midden kon laten of zich te dezen voordoet een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, ziet de rechtbank zich thans voor deze vraag gesteld.

Gezien de redactie van artikel 216, tweede lid Sv, is het niet direct duidelijk of dit een wettelijk voorschrift betreft dat een verklaring onder ede vordert. Het is immers een zogenaamde ‘kan-bepaling’. De rechter-commissaris kanovergaan tot beëdiging.

De rechtbank slaat bij beantwoording van de vraag of hier sprake is van een zodanig voorschrift daarom nadrukkelijk acht op de bedoeling van de wetgever.

In de Memorie van Toelichting behorend bij de invoering van artikel 207 Sr staat:

“Wat de wet hier heeft strafbaar te stellen, is (…) de wederregtelijke schending van een door haar erkenden waarborg. Als eenig wettelijk voorschrift de bevestiging van een verklaring door den eed vordert of, zonder zoodanige vordering, aan eene door den eed bevestigde verklaring regtsgevolgen verbindt, dan is dit omdat zij in die bevestiging een waarborg voor de waarheid ziet, daaraan een vermoeden van waarheid hecht.”

En:

“Bij de wet van 26 November 1873 (Staatsblad nr. 175) is art. 96 wetb. van strafv. in dien zin aangevuld, dat het mogelijk wordt, reeds vóór de behandeling van de zaak ter openbare teregtzitting beëedigde getuigenissen te doen afleggen, opdat het gemis daarvan geen beletsel zoude zijn tot verkrijging van uitlevering. Valschheid in zoodanig getuigenis is thans niet strafbaar. Er bestaat echter in het stelsel van dit ontwerp geen voldoende grond, eene uitzondering aan te nemen ten einde deze getuigenissen te onttrekken aan de werking van art. 228 (thans 207, rb) waarin zij volkomen passen.”

In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 23251, nr. 3) staat met betrekking tot de verruiming van artikel 216 Sv – onder meer –:

“Ingevolge het voorgestelde tweede lid van artikel 216 vindt een beëdiging tevens plaats ingeval de rechter-commissaris deze in verband met de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige of deskundige nodig acht. Door de beëdiging zal de getuige ervan doordrongen zijn dat hij de waarheid dient te vertellen. Doet hij (dat, rb)niet, dan maakt hij zich schuldig aan meineed(…)”

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest om de bij de rechter-commissaris beëdigde getuige, ook die welke op de voet van het tweede lid van artikel 216 Sv is beëdigd, ervan te doordringen dat hij de waarheid dient te vertellen, op straffe van een veroordeling wegens meineed.

Uit de toelichting bij het voorstel tot wijziging van artikel 216 Sv volgt bovendien dat het de bedoeling van de wetgever is dat, ingeval de rechter-commissaris beëdiging in verband met de betrouwbaarheid nodig acht, beëdiging plaatsvindt. In deze formulering ziet de rechtbank geen ‘kan-constructie’. Wanneer de rechter-commissaris zulks nodig acht, dan beëdigt hij.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat wanneer de rechter-commissaris beëdiging in verband met de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring noodzakelijk acht, zich voordoet een geval waarin artikel 216, tweede lid Sv vordert dat deze getuige ook wordt beëdigd.

Aldus is de rechtbank van oordeel dat zich te dezen voordoet een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, zodat het desbetreffende bestanddeel van de in artikel 207 Sr vervatte delictsomschrijving is vervuld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF