(medeplegen van) Uitkeringsfraude, verzwijgen verrichten van werkzaamheden, inkomsten, beschikken over auto en verblijf in buitenland

Rechtbank Amsterdam 4 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3089 Bij beschikking van 20 december 2000 is met ingang van 18 november 2000 door burgemeester en wethouders van de gemeente aan verdachte een Abw-uitkering volgens de norm alleenstaande ouder + 20% toeslag toegekend. Op 1 januari 2005 is de Abw-uitkering omgezet naar een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB). Aan de toekenning van de uitkering werd onder meer de voorwaarde verbonden dat verdachte op verzoek of onverwijld eigener beweging mededeling moest maken van alle feiten en omstandigheden waaronder werkzaamheden en/of inkomsten en leefsituatie, waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij van invloed konden zijn op het recht, hoogte en continuering van de uitkering. Voor de verstrekking van deze gegevens diende verdachte destijds gebruik te maken van verstrekte formulieren, zijnde inkomstenformulieren en/of mutatieformulieren. Voornoemde voorwaarde is bepaald in artikel 65 van de Abw (vanaf 1 januari 2005 artikel 17 WWB). Bij de toekenningsbeschikking van de Abw/WWB-uitkering werd een bijlage gevoegd waarop deze verplichtingen staan vermeld. Met ingang van 1 januari 2006 is hiervoor het mutatieformulier in de plaats gekomen waarop wijzigingen betreffende vakantie, leefsituatie, werkzaamheden en/of inkomen kunnen worden vermeld.

Verdachte heeft over de inkomstenformulieren die op haar naam staan verklaard dat zij deze formulieren te plaats niet naar waarheid heeft ingevuld omdat zij vond dat zij geen extra inkomsten had terwijl zij wel wist dat zij over extra geld beschikte maar wat gemakkelijker, comfortabeler wilde leven.

Verdachte beschikte in de ten laste gelegde periode over de bankrekeningen met de rekeningnummer 1 en rekeningnummer 2.

Rekeningnummer 1 stond op naam van haar broer medeverdachte 2 en verdachte maakte daar gebruik van. Zij was de enige die over het pasje van de rekening beschikte. Verdachte heeft verklaard dat zij vanaf deze rekening nota’s betaalde die op haar naam stonden. Zij heeft verder verklaard dat zij de rekening van haar broer gebruikte om haarzelf niet in de nesten te werken. De rekening werd vanaf december 2005 tot en met mei 2011 hoofdzakelijk gevoed met kasstortingen en vanaf 2010 ook met overboekingen vanaf de zakelijke rekening van stichting naam 1, te weten bankrekening rekeningnummer 2. Het totale bedrag aan kasstortingen en overboekingen in de periode van december 2005 tot en met mei 2011 bedroeg € 147.823,00. Verdachte heeft de Sociale Dienst nimmer geïnformeerd dat zij beschikte over de rekening met nummer rekeningnummer 1. De rekening met nummer rekeningnummer 2 stond op naam van Stichting naam 1. In de periode van oktober 2004 tot en met juni 2010 werd er in totaal € 41.237,00 aan donaties en/of reclamevergoedingen door middel van bancaire overschrijvingen naar rekening met nummer rekeningnummer 2 overgemaakt. Verdachte heeft de Sociale Dienst van de gemeente plaats nooit geïnformeerd dat zij over rekening nummer rekeningnummer 2 beschikte.

Verdachte heeft verklaard dat zij het eens is met de Sociale Dienst van de gemeente plaats dat zij bevoegd was op beide rekeningen, daaruit voldoende inkomsten verkreeg en dus geen of minder bijstand nodig had.

Uit informatie van de Belastingdienst is gebleken dat verdachte van 2007 tot en met 2009 jaarlijks ruim € 7.000 ten onrechte voorschotbedragen aangaande kinderopvangtoeslagen heeft ontvangen. Verdachte, die wist dat zij hier geen recht op had, heeft dit bewust niet gemeld bij de Sociale Dienst van de gemeente plaats omdat die toeslag anders in mindering zou worden gebracht op haar uitkering.

Verdachte had in de ten laste gelegde periode de beschikking over een Mercedes Benz 180 CDI met kenteken 1. De waarde van deze auto was (gebaseerd op de Bovag-koerlijstinformatie van 6 april 2010) bij verkoop ervan  € 12.050 en bij aankoop € 16.150. Verdachte heeft verklaard dat zij aan Sociale Zaken van de gemeente plaats niet heeft gemeld dat zij in het bezit was van de Mercedes Benz met kenteken 1.

Op de vraag in november 2011 van de sociale recherche aan verdachte hoe vaak zij de afgelopen vijf jaar in Suriname is geweest, heeft verdachte geantwoord dat zij elk jaar twee keer gaat en dat zij vanaf 2009 negen keer is geweest. Verdachte heeft op facebook.com een profiel aangemaakt waarop diverse vakantiefoto’s zijn geplaatst. Op 22 en 23 februari 2010 zijn vakantiefoto’s van verdachte geplaatst met als onderschrift: “Heerlijk in Suriname”, “I love Aruba”, Samen met mijn kids in Suriname” en “Als het maar effe kan, ga ik lekker op vakantie.” Op 21 maart 2010 zijn foto’s geplaatst met de volgende onderschriften: “Nickerie, Suriname!! Zeedijk”, “verdachte in Coronie!!”, “Yes it’s me in Sranang”, “verdachte in Suriname” en “I love Sranang”. Verdachte heeft verklaard dat zij niet aan de Sociale Dienst heeft gemeld dat zij met vakantie ging, was of was geweest.

Verdachte heeft verklaard dat alles wat er gedaan werd bij de stichting door haar en haar moeder werd gedaan. Verdachte verzorgde de acquisitie en regelde de (advertentie-)inkomsten, subsidieaanvragen, plande de etentjes met de vrijwilligers, deed de financiën, onderhield de contacten met het buitenland en sprak advertenties in. Verdachte heeft aan Sociale Zaken van de gemeente plaats geen melding gemaakt van deze werkzaamheden en inkomsten daaruit.

De moeder van verdachte, medeverdachte 1, heeft vanaf 1 oktober 1996 tot en met 22 november 2011 een alleenstaande uitkering met 20% woonkostentoeslag ontvangen krachtens de Abw/WWB. Zij heeft evenmin aan de uitkeringsinstantie kenbaar gemaakt dat zij werkzaamheden verrichtte en inkomsten had.

Bij de stukken bevindt zich een zogenaamde vrijwilligersovereenkomst tussen Stichting naam 1 en verdachte van 21 maart 2003. Verdachte heeft verklaard dat zij samen met een vriendin deze overeenkomst heeft opgemaakt en dat zij hem samen hebben ondertekend. Zij heeft deze overeenkomst met een begeleidend schrijven van 5 oktober 2009 aan de gemeente plaats doen toekomen. Verdachte heeft toegegeven dat die overeenkomst niet conform de waarheid is.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig het door haar overgelegde schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide onder 1 en 2 ten laste gelegde alternatieven.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde kort samengevat het volgende aangevoerd. Ten aanzien van het verwijt dat verdachte oncontroleerbare inkomsten ontving en/of had ontvangen en/of beschikte, moet zij schuld erkennen. Het beheer van de financiën was oncontroleerbaar. Het was een brei van door elkaar lopende geldstromen. Alles kwam terecht op de rekening rekeningnummer 1 en/of rekeningnummer 2 zodat dit verwijt terecht wordt gemaakt: verdachte beschikte over de gelden op deze rekeningen. Verdachte kon verder beschikken over het voertuig met het kenteken 1 en zij is ook wel een paar keer naar het buitenland gegaan zonder dit door te geven. Dit laatste is omdat de vader van haar kinderen geen verblijfsvergunning heeft voor Nederland en de enige manier om de kinderen bij hun vader te laten zijn is met hen naar het buitenland te gaan.

Ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden blijft verdachte vinden dat deze beschuldiging niet terecht is. Op de eerste plaats heeft zij de Sociale Dienst van plaats doorgegeven dat zij als vrijwilliger verbonden was aan naam 1 en op de tweede plaats blijft zij vinden dat zij slechts haar moeder ondersteunde bij haar hobby.

Met betrekking de onder 2 ten laste gelegde valsheid in geschrift en het gebruik maken van het valse geschrift heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte inderdaad de vrijwilligersovereenkomst heeft opgemaakt, maar dat die niet in strijd met de waarheid is. Hetgeen zij voor haar moeder deed, deed zij ook voor naam 1 en kan als vrijwilligerswerk worden beschouwd, aldus de raadsvrouw.

Het oordeel van de rechtbank

Het oordeel over het als eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Verdachte en haar mededaders hebben de stichting naam 1 in het leven geroepen om radio-uitzendingen te kunnen verzorgen. Voor het maken van deze uitzendingen hebben zij door middel van acquisitie en het uitzenden van advertenties, ingewilligde subsidieaanvragen en het ontvangen van donaties (advertentie)inkomsten gegenereerd. Een belangrijk deel van de advertentie-inkomsten werd contant geïnd. Met het contante geld zijn betalingen gedaan onder meer aan naam 2 Publieke Omroep. Een deel van het contante geld werd op de rekening van de stichting met nummer rekeningnummer 1 gestort. Uit afschriften van deze rekening is gebleken dat het in de periode van december 2005 tot en met mei 2011 ging om totaal ruim € 147.000. Op de rekening met nummer rekeningnummer 2 die de stichting ook aanhield is in de periode oktober 2004 tot en met juni 2010 in totaal ruim € 41.000 binnengekomen aan subsidies en advertentiegelden. Aannemelijk is dat de inkomsten hoger waren dan de via de bank zichtbare bedragen. Geld dat op de rekening met nummer rekeningnummer 2 stond, is voor een groot deel contant opgenomen. Vanaf rekeningnummer 1 zijn verschillende betalingen gedaan voor verdachte, haar broer medeverdachte 2 en haar moeder medeverdachte 1. Er is geen boekhouding bijgehouden. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande reeds volgt dat verdachte en haar medeverdachten oncontroleerbare inkomsten hadden.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat moeder de stem (en het gezicht) van de radio was, verdachte de financiën beheerde en dat medeverdachte 2 de technische man was. Uit het onderzoek is gebleken dat alle medewerkers een onkostenvergoeding kregen en bij de maandelijkse vergaderingen het eten werd betaald.

Bij de beoordeling of sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden zijn van belang de aard, de omvang, de duur en het structurele karakter van die werkzaamheden. De rechtbank is van oordeel dat de werkzaamheden van verdachte niet louter als het mogelijk maken van de hobby van haar moeder kunnen worden bestempeld, maar als op geld waardeerbaar. Verdachte regelde de financiën van de stichting, verzorgde de acquisitie en sprak ook nog (rouw)advertenties in. Haar activiteiten voor de radio moeten dan ook worden aangemerkt als op geld waardeerbare werkzaamheden waarvan het verdachte redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zij van invloed konden zijn op de omvang van haar recht op bijstand. Voor de toepassing van de WWB is niet alleen van belang of degene die een uitkering ontvangt inkomsten heeft ontvangen, maar tevens of hij werkzaamheden heeft verricht waar normaliter een beloning tegenover staat en die hij daar ook redelijkerwijs voor kan bedingen.

De slotsom is dat het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde kan worden bewezen. Verdachte ontving immers in de ten laste gelegde periode een uitkering en kende haar verplichtingen, maar heeft de uitkeringsinstantie opzettelijk niet op de hoogte gesteld van haar werkzaamheden, inkomsten, het beschikken over bankrekeningen en een auto en haar regelmatige verblijven in het buitenland, hoewel het verdachte redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat die gegevens van invloed konden zijn op (de omvang van) haar recht op bijstand en terwijl een en ander tot haar voordeel kon strekken.

Ten aanzien van het onder 2 als tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Aan verdachte wordt kort gezegd ten laste gelegd dat haar moeder medeverdachte 1 en haar broer medeverdachte 2, die beiden een uitkering ontvingen, hebben nagelaten voor het recht op die uitkering relevante inlichtingen betreffende hun werkzaamheden en/of inkomsten aan de uitkerende instantie te verstrekken (uitkeringsfraude) en dat zij, verdachte, hierbij nauw en bewust met (een van) hen heeft samengewerkt.

De rechtbank is van oordeel dat voor een bewezenverklaring van het medeplegen van uitkeringsfraude vereist is dat boven redelijke twijfel moet komen vast te staan dat verdachte wist of moet hebben geweten dat haar medeverdachte(n) een uitkering ontving(en), wist of moet hebben geweten dat haar medeverdachte(n) opzettelijk heeft/hebben nagelaten de uitkeringsinstantie in te lichten over zijn/haar/hun werkzaamheden en inkomsten en ten slotte dat verdachte nauw en bewust met haar medeverdachte(n) heeft samengewerkt in die zin dat zij het mogelijk heeft gemaakt dat haar medeverdachte(n) kon(den) nalaten de nodige gegevens te verstrekken terwijl dat tot voordeel strekte of kon strekken.

Verdachte heeft verklaard dat zij wist dat haar moeder een uitkering ontving. Zij regelde de financiën van haar moeder en moet dus hebben geweten dat haar moeder gelet op haar uitkering boven haar stand leefde, haar moeder reed immers in een Volkswagen Touareg die zij niet van haar uitkering kon betalen. Verdachte heeft deze auto voor haar moeder geregeld en betaald. Zij wist ook dat haar moeder net als zij werkzaamheden verrichtte en inkomsten had. Verdachte had zelf ook een uitkering en kende dus de verplichtingen die daaraan zijn verbonden zoals het verstrekken van inlichtingen die van invloed kunnen zijn op de omvang van de uitkering. Verdachte moet dus hebben geweten dat haar moeder gegevens voor de uitkeringsinstantie verzweeg.

Verdachte gebruikte de rekeningen met de nummers rekeningnummer 1 en rekeningnummer 2, die niet bekend waren bij de uitkeringsinstanties, voor haar en haar moeder om de uitkeringsinstanties te misleiden. Gelet op de door verdachte en haar mededader opgezette constructie rond de Stichting naam 1 en de cruciale rol van verdachte daarin, moet zij dan ook worden aangemerkt als medepleger van medeverdachte 1, die zich schuldig maakte aan uitkeringsfraude door na te laten gegevens te verstrekken aan de uitkeringsinstantie. Aangezien niet kan worden bewezen dat verdachte ook wist dat haar broer, medeverdachte 2, gegevens voor de uitkerende instantie verzweeg en niet is gebleken dat hij boven zijn stand leefde zodat ook niet gezegd kan worden dat verdachte moet hebben geweten dat hij de uitkeringsinstantie niet juist informeerde, zal zij worden vrijgesproken van het medeplegen van de door medeverdachte 2 gepleegde uitkeringsfraude.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft toegegeven dat zij de zogenaamde vrijwilligersovereenkomst samen met een ander heeft opgemaakt en ondertekend, dat die overeenkomst niet in overeenstemming met de waarheid is en dat zij deze aan de gemeente plaats heeft gegeven.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 240 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF