Klimop: ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel tot ruim 6,5 miljoen euro. Bespreking van verweren mbt onschuldpresumptie in een ontnemingsprocedure, behandeling van ontnemingsvordering naast civiele procedure & draagkracht

Rechtbank Noord-Holland 23 juni 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:5394 Bij arrest van 27 februari 2015 heeft het gerechtshof Amsterdam veroordeelde veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf ter zake van:

  • Feit 1: medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;
  • Feit 4: medeplegen van witwassen;
  • Feit 5: medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;
  • Feit 7: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
  • Feit 8: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
  • Feit 9: witwassen.

Verweren

Nietigheid van de procedure

Bij conclusie van dupliek van 24 december 2014 heeft veroordeelde zich bij monde van zijn raadsman op het standpunt gesteld dat de eerste aanleg oneerlijk is verlopen, de veroordeling oneerlijk tot stand is gekomen en dat dientengevolge ook de ontnemingsprocedure oneerlijk verloopt. Daaraan is bij die gelegenheid het standpunt verbonden dat de procedure nietig is. Blijkens de bij de conclusie van dupliek gevoegde pleitaantekeningen waarvan mr. Meijer zich heeft bediend bij gelegenheid van zijn in de strafzaak in hoger beroep gehouden pleidooi is zijdens de verdediging ook voor het gerechtshof betoogd dat de rechtbank is uitgegaan van onjuist bewijsmateriaal. In zijn arrest van 27 februari 2015 heeft het gerechtshof Amsterdam de verweren die zijn gevoerd omtrent het gestelde “onjuiste bewijsmateriaal” niet gehonoreerd. Veroordeelde is ter terechtzitting niet meer teruggekomen op zijn stelling dat de procedures bij de rechtbank oneerlijk (zijn) verlopen. De rechtbank neemt daarom aan dat dit verweer niet langer wordt gehandhaafd. Het verweer – wat daarvan overigens zij en ook daargelaten de vraag wat zou moeten worden verstaan onder de “nietigheid van een procedure” – behoeft daarom geen verdere bespreking.

De grondslag van de vordering en de onschuldpresumptie

De verdediging heeft aangevoerd dat een deugdelijk financieel onderzoek op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten, ontbreekt. Bovendien wordt betwist dat sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, althans dat de officier van justitie erin is geslaagd het bewijs daarvoor te leveren. Het saldo van de ontvangen gelden kan niet als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt en bovendien is daarvan niets aan veroordeelde toegekomen. Doordat niet nader geconcretiseerde beweringen over de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, is de bewijslast ten nadele van veroordeelde omgekeerd. Hierdoor wordt gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie bedoeld in artikel 6 EVRM, aldus nog steeds de verdediging.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vordering het volgende voorop. Bij arrest van 27 februari 2015 heeft het gerechtshof Amsterdam een oordeel gegeven over de aan veroordeelde ten laste gelegde feiten. De rechtbank is, in het kader van onderhavige ontnemingsprocedure gebonden aan het oordeel van het gerechtshof in de hoofdzaak, hetgeen onverlet laat dat aan haar een zelfstandig oordeel toekomt met betrekking tot alle verweren betreffende de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat.

Daar waar op het Openbaar Ministerie de plicht rust om aan de hand van voldoende aanwijzingen aannemelijk te maken dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit bewezenverklaarde en, op grond van de redactie van artikel 36e lid 2 Sr (oud), soortgelijke feiten, mag van de verdediging worden verlangd dat zij aan de hand van voldoende concrete en verifieerbare gegevens onderbouwt dat van wederrechtelijk verkregen voordeel geen sprake is. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer HR 5 december 1995 NJ 1996/411 en HR 28 mei 2002, NJ 2003/96) dat de ontnemingsmaatregel niet in strijd is met de onschuldpresumptie, ook niet als de officier van justitie het genoten voordeel aannemelijk maakt en het vervolgens aan de betrokkene is de ontnemingsvordering gemotiveerd te bestrijden. Anders dan in de conclusie van de advocaat-generaal bij HR 5 juni 2007, RvdW 2007, 599, op welke conclusie door de verdediging ter onderbouwing van haar stellingen een beroep is gedaan, doet zich in onderhavige zaak niet de situatie voor dat sprake is van onvoldoende concreet gemaakt voordeel waartegen het voor een veroordeelde onmogelijk is dit voldoende concreet te betwisten. Integendeel, in onderhavige zaak is bij uitstek sprake van concreet gemaakt voordeel aangezien het voordeel is berekend op basis van concrete transacties en concrete facturen, van een abstracte berekening is in het geheel geen sprake.

Het ontnemingsrapport, waarvoor onder meer gebruik is gemaakt van gegevens verkregen uit een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek tegen veroordeelde, betreft een wettig bewijsmiddel, dat zodanig is ingericht dat daarin, onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens, gevolgtrekkingen worden gemaakt omtrent de verschillende posten die aan het totale in het rapport weergegeven wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd. Geen rechtsregel staat eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk voordeel uitsluitend op de inhoud van een dergelijk financieel rapport te doen berusten. Indien een gevolgtrekking uit het rapport voldoende gemotiveerd is betwist, zal de rechtbank dienen te motiveren op grond waarvan, ondanks hetgeen tegen deze gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, deze gevolgtrekking toch wordt aanvaard. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen gaat de rechtbank tevens voorbij aan de stelling van de verdediging dat veroordeelde ‘zelf moet berekenen/raden hoe het bedrag is opgebouwd’.

De civiele procedure naast de ontnemingsvordering

Door de verdediging is aangevoerd dat door Rabobank inmiddels een civiele vordering is ingesteld op dezelfde grondslag als waarop het Openbaar Ministerie thans de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseert. De civiele vordering gaat het ontnemingsbedrag echter ruimschoots te boven. Het bedrag dat veroordeelde zal moeten betalen komt in beide procedures aan de benadeelde partij toe, aldus de verdediging. Doordat het Openbaar Ministerie de ontnemingszaak toch doorzet, hoewel het op de hoogte is van de civiele procedure tegen veroordeelde, handelt het Openbaar Ministerie in strijd met zijn eigen beleidsregels. In deze beleidsregels staat immers te lezen ‘Indien wederrechtelijk voordeel is verkregen en er sprake is van een derde, dient het Openbaar Ministerie in beginsel een ontnemingsvordering in. Indien het een actieve en weerbare derde betreft die te kennen heeft gegeven via een civiele vordering bij de burgerlijke rechter verhaal te willen halen en diens vordering ten minste gelijk is aan het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, kan worden overwogen af te zien van het indienen van een ontnemingsvordering.’ Nu veroordeelde zich in twee procedures moet verdedigen doordat de zaak op precies dezelfde gronden aan twee verschillende rechters wordt voorgelegd, is sprake van een onredelijke situatie en strijd met een deugdelijke procesorde. De verdediging heeft geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsvordering, dan wel dat de ontnemingsvordering – rekening houdend met toewijzing van de civiele vordering – nihil zou moeten zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank gaan deze verweren niet op. In de eerste plaats is daarvoor van belang dat de uitkomst van de civiele procedure nog hoogst onzeker is. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is de stelling dat een ontnemingsvordering achterwege dient te blijven indien verwacht mag worden dat de benadeelde schadevergoeding zal vorderen, onjuist (HR 9 september 1997, NJ 1997/91). Evenmin is de stelling juist dat de rechter bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening dient te houden met een nog niet onherroepelijk geworden civiel vonnis waarin de betrokkene is veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan een benadeelde in de strafzaak (HR 16 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD5996, JOW, 1999/80). Bovendien heeft te gelden dat als in de civiele procedure veroordeelde wordt veroordeeld tot vergoeding van schade aan Rabobank, artikel 577b lid 2 Sv de mogelijkheid biedt om in het geval (een deel van) de schade is vergoed het ontnemingsbedrag te doen matigen door de rechter.

Aanpassing hoogte ontnemingsvordering

Bij conclusie van repliek heeft de officier van justitie aangegeven dat een bedrag van €83.300, welk bedrag vennootschap 1 op basis van een door haar verzonden factuur van vennootschap 2 heeft ontvangen, op de ontnemingsvordering in mindering moet worden gebracht aangezien de rechtbank veroordeelde voor de tenlastegelegde valsheid van deze factuur, heeft vrijgesproken. Zoals aangekondigd bij brief van 17 april 2015 heeft de officier van justitie bij requisitoir gevorderd dat genoemd bedrag toch als wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden aangemerkt aangezien het gerechtshof, anders dan de rechtbank, wel bewezen heeft verklaard dat deze betaling is gebaseerd op een valse factuur. De verdediging heeft ter terechtzitting bezwaar gemaakt tegen de aanpassing van de ontnemingsvordering zoals gedaan bij requisitoir.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de officier van justitie de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij requisitoir aanpast. In casu komt het er op neer dat de officier van justitie afziet van de bij conclusie van repliek gedane vermindering van de vordering en terugvalt op de oorspronkelijke vordering zoals uitgewerkt in het ontnemingsrapport. Niet is gesteld dat veroordeelde door deze handelwijze in enig belang is geschaad, hetgeen ook overigens niet aannemelijk is geworden. Het voorgaande geldt te meer nu de officier van justitie ongeveer een maand voor de terechtzitting deze aanpassing van de vordering reeds heeft aangekondigd, zodat het voor veroordeelde voldoende duidelijk was waartegen hij zich moest verweren.

Het standpunt van veroordeelde omtrent (de hoogte van) het wederrechtelijk verkregen voordeel

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Ter onderbouwing van die stelling heeft zij aangevoerd dat tegenover de facturen die door of namens veroordeelde zijn gestuurd, werkzaamheden hebben gestaan. Partijen bij de facturen waren het bovendien eens over de hoogte van deze facturen en deze zijn zonder protest betaald. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde niet was betrokken bij ‘potjes’ die bij of door vennootschap 2 waren gecreëerd.

Ten aanzien van ‘de onverklaarbare geldstromen’ waarvan in de ontnemingsrapportage sprake is heeft de verdediging gesteld dat in de rapportage niet wordt onderbouwd waaruit zou moeten worden geconcludeerd dat deze geldstromen wederrechtelijk verkregen voordeel betreffen.

Met betrekking tot het bedrag van €345.000 dat vennootschap 3 in het project Eurocenter zou hebben gekregen, heeft de verdediging aangevoerd dat ook hiervan niet blijkt dat dit bedrag wederrechtelijk verkregen voordeel is. Hetzelfde geldt voor het geldbedrag dat vennootschap 3 heeft ontvangen op het project Herengracht.

Beoordeling wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank beoordeelt op basis van de ontnemingsrapportage per transactie beoordelen of sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Geldstromen in de projecten Paasheuvelweg, Coolsingel, Hollandse Meester en Solaris

In voornoemd arrest van het gerechtshof Amsterdam is ten laste van veroordeelde onder feit 4 bewezenverklaard dat veroordeelde op basis van een valse brief een bedrag van €675.000 heeft ontvangen van vennootschap 2 in de vennootschap 3, terwijl hij wist dat dit bedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. Daarnaast is bewezenverklaard dat veroordeelde op basis van zes valse facturen een bedrag van circa €707.500 heeft ontvangen van vennootschap 2 in vennootschap 3.

Op basis van deze bewezenverklaring staat in het kader van deze procedure vast dat veroordeelde een bedrag van €1.382.500 als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontvangen.

Voorts is, ook onder feit 4, bewezenverklaard dat veroordeelde in de vennootschap 6 op basis van acht valse facturen een bedrag van circa €837.500 heeft ontvangen van vennootschap 2, terwijl hij wist dat dit bedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Op basis van deze bewezenverklaring staat in het kader van deze procedure vast dat veroordeelde een bedrag van €837.500 als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontvangen.

Ten slotte is onder feit 4 bewezenverklaard dat veroordeelde op basis van vijf valse facturen in de vennootschap 1 een bedrag van €150.000 heeft ontvangen, terwijl hij wist dat dit bedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Op basis van deze bewezenverklaring staat in het kader van deze procedure vast dat veroordeelde een bedrag van €150.000 als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontvangen.

Met betrekking tot de betaling van een bedrag van €554.976,45, welk bedrag vennootschap 3 op 30 december 2003 heeft ontvangen van vennootschap 15 overweegt de rechtbank het volgende. Voornoemd bedrag is door vennootschap 15 betaald aan vennootschap 3 onder de noemer ‘winstdeling’. Vaststaat dat vennootschap 15 een vennootschap van medeveroordeelde betrokkene 1 is. Ten laste van veroordeelde is bewezenverklaard dat hij zich met anderen schuldig heeft gemaakt aan het verduisteren van een bedrag van ongeveer €16,5 miljoen ten koste van vennootschap 4. Het gerechtshof heeft voorts geoordeeld dat veroordeelde hier een essentiële bijdrage heeft geleverd door als controller daaraan mee te werken en daarvan – door het sturen van valse facturen naar ondernemingen van medeverdachten – ook volop heeft meegeprofiteerd. Daarnaast heeft het gerechtshof geoordeeld dat veroordeelde wel degelijk heeft geparticipeerd in een poolovereenkomst waaruit hij zich later heeft laten weghalen maar waarin nadien feitelijk geen wijzigingen zijn aangebracht.

De rechtbank acht voorts van belang dat gedelegeerd projectontwikkelaar vennootschap 16 op 22 juli 2003 een bedrag van €1.365.525 heeft overgemaakt aan vennootschap 15. Uit de verklaringen van notaris betrokkene 5 en betrokkene 9 volgt dat veroordeelde een actieve betrokkenheid heeft gehad bij het beheer van het ‘potje’ met criminele gelden uit de diverse projecten die onder meer door vennootschap 16 werden overgemaakt op de kwaliteitsrekening van betrokkene 5. betrokkene 5 heeft voorts verklaard dat betrokkene 1, betrokkene 2 en veroordeelde wilden dat de opbrengsten uit de overeenkomsten met vennootschap 16 en vennootschap 2 op één hoop werden gegooid en dat zij het met elkaar wilden verdelen. Op het kantoor van betrokkene 5 zijn verscheidene concept winstdelingsovereenkomsten aangetroffen waarin vennootschappen van veroordeelde partij zijn. Uiteindelijk zijn deze vennootschappen uit de winstdelingsovereenkomsten geschrapt. Gelet op de datum van de betaling en de afspraken tussen partijen zoals die aanvankelijk waren neergelegd in de winstdelingsovereenkomsten acht de rechtbank het – bij gebrek aan een op enigerlei wijze onderbouwde andersluidende verklaring van veroordeelde – aannemelijk dat voornoemd geldbedrag dat vennootschap 15 aan vennootschap 3 heeft betaald wederrechtelijk verkregen voordeel betreft.

Een bedrag van €554.976,45 merkt de rechtbank dan ook aan als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het voorgaande brengt met zich dat ook de betaling van €50.000 die vennootschap 15 op 16 augustus 2002 aan vennootschap 17 heeft verricht als wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden aangemerkt.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het bedrag van €28.361,26 dat door vennootschap 17 aan het notariskantoor is betaald als kosten heeft te gelden ter voltooiing van de verschillende delicten. Deze kosten dienen derhalve op het te ontnemen bedrag in mindering te worden gebracht.

Op 27 december 2002 heeft vennootschap 3 een bedrag van €317.646 (exclusief omzetbelasting) ontvangen van vennootschap 9 op basis van een door vennootschap 3 verstuurde factuur. Uit de verklaring van betrokkene 8 volgt dat deze factuur vals is. betrokkene 8 heeft immers verklaard dat de factuur ‘fake’ is omdat ‘het omschrevene als zodanig niet is gebeurd’.

Op basis van die verklaring acht de rechtbank het aannemelijk dat het bedrag van €317.646 wederrechtelijk verkregen voordeel betreft.

Het voorgaande brengt met zich dat ook aannemelijk is dat de betaling van 27 december 2002 van vennootschap 9 aan vennootschap 1 van €70.000 exclusief €13.300 omzetbelasting op basis van een door vennootschap 1 verzonden factuur, op basis van een valse factuur is geschied.

De rechtbank merkt een bedrag van €70.000 aan als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Met betrekking tot de bedragen die vennootschap 18 heeft ontvangen overweegt de rechtbank het volgende. Op 13 juni 2002 heeft vennootschap 18 een bedrag van €59.000 exclusief omzetbelasting ontvangen van vennootschap 19. Vennootschap 19 is een vennootschap van medeveroordeelde betrokkene 1. Uit onderzoek is gebleken dat in de periode van betaling de omzet van vennootschap 19 nagenoeg geheel bestond uit betalingen van notariskantoor vennootschap 7 en van vennootschap 2.

betrokkene 5 heeft over betalingen uit het depot verklaard dat deze geschiedden op verzoek van betrokkene 1, betrokkene 2 en veroordeelde en dat veroordeelde aangaf wanneer een betaling uit het depot kon worden gedaan. In het depot bevonden zich de opbrengsten van de overeenkomsten die waren gesloten met vennootschap 16 en vennootschap 2 en deze opbrengsten wilden de betrokkenen met elkaar verdelen door middel van

poolovereenkomsten waarbij vennootschappen van veroordeelde aanvankelijk ook partij waren. Betrokkene 4 en betrokkene 3 hebben verklaard dat zij overwinst in projecten moesten doorbetalen op instigatie van betrokkene 1, betrokkene 2 en veroordeelde. Op basis hiervan acht de rechtbank het aannemelijk dat het bedrag dat vennootschap 19 aan vennootschap 18 heeft betaald als wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden aangemerkt. Een onderbouwde andersluidende verklaring voor deze betaling is door veroordeelde niet gegeven.

Op 22 januari 2001 en 10 juni 2002 heeft vennootschap 15 een bedrag van in totaal €49.091 (exclusief omzetbelasting) betaald aan vennootschap 18. Onderzoek heeft uitgewezen dat dit geldbedrag aan vennootschap 15 is betaald via vennootschap 8. Betrokkene 7 heeft verklaard dat zijn vennootschap de werkzaamheden die op de door haar verzonden facturen staan vermeld, niet heeft verricht en dat hij voor het doen van betalingen instructies kreeg van betrokkene 1, betrokkene 2 en veroordeelde. De rechtbank acht aannemelijk dat het bedrag dat vennootschap 18 van vennootschap 15 heeft ontvangen wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Bij dat oordeel is tevens van belang dat ten laste van veroordeelde bewezen is verklaard dat hij als leidinggever heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Dit brengt met zich dat het aannemelijk is dat veroordeelde wist dat het door vennootschap 15 doorbetaalde bedrag wederrechtelijk verkregen was. Overigens geldt ook voor deze betaling dat door of namens veroordeelde geen andersluidende verklaring is gegeven.

Namens veroordeelde is aangevoerd dat vennootschap 18 geen vennootschap van hem is en dat – althans zo vat de rechtbank het verweer op – om die reden de bedragen die vennootschap 19 en vennootschap 15 hebben overgemaakt niet als wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank verwerpt dat verweer en overweegt daartoe het volgende. Op zichzelf moet de verdediging worden nagegeven dat uit de stukken niet kan volgen dat vennootschap 18 thans een vennootschap van veroordeelde is. Om die reden is het ook voorstelbaar dat veroordeelde naast de volledige administratie van zijn vennootschappen niet ook de administratie van vennootschap 18 heeft overgelegd. Echter, voor de beantwoording van de vraag of het aannemelijk is dat de geldbedragen die aan vennootschap 18 zijn betaald, wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde betreft, is dit niet van belang. Uit onderzoek is gebleken (en veroordeelde heeft geen andersluidende verklaring afgelegd) dat vennootschap 6 tussen 1 mei 2002 en 15 april 2005 (naast anderen) bestuurder is geweest van vennootschap 18. vennootschap 6 is een vennootschap van veroordeelde.

Om die reden acht de rechtbank het aannemelijk dat genoemde betalingen (€59.000 + €49.091 = €108.091) wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde betreffen.

Ten aanzien van het door vennootschap 20 ontvangen bedrag van €45.378,02 exclusief btw overweegt de rechtbank het volgende. In de ontnemingsrapportage wordt uiteengezet dat op 26 augustus 2002 door vennootschap 2 een bedrag van €45.378,02 exclusief btw is betaald aan vennootschap 20 op basis van een valse factuur omdat daarmee werkzaamheden in rekening zijn gebracht die in werkelijkheid niet zijn uitgevoerd. Over deze betaling heeft betrokkene 10 verklaard dat vennootschap 20 in november 2000 een opdracht van vennootschap 21 had ontvangen om een applicatie te ontwikkelen. Omdat voor de applicatie geen klanten werden gevonden ontstonden betalingsproblemen voor vennootschap 21. Voor vennootschap 20 was het gevolg dat declaraties voor de ontwikkeling van de applicatie onbetaald bleven. Op enig moment heeft veroordeelde aangegeven te willen investeren in vennootschap 21 en is na gesprekken met de crediteuren de schuldenpositie van vennootschap 21 flink afgenomen. Vanaf dat moment zijn veroordeelde en betrokkene 10 gaan samenwerken in vennootschap 21 waarbij veroordeelde en vennootschap 20 (een vennootschap van betrokkene 10) beiden voor 50% aandeelhouder in vennootschap 21 zijn geworden, waarbij is afgesproken dat een managementfee van fl. 100.000 voor betrokkene 10 als vergoeding zou worden betaald, omgerekend €45.378,02. Op initiatief van veroordeelde is dit bedrag door vennootschap 20 gedeclareerd bij vennootschap 2 en door hen betaald.

In de ontnemingsrapportage wordt aan het voorgaande de conclusie verbonden dat door de betaling door vennootschap 2 aan vennootschap 20 in feite de managementvergoeding van betrokkene 10 is betaald en dat dit bedrag om die reden als een besteding van veroordeelde moet worden aangemerkt. Hoewel namens veroordeelde geen expliciet verweer is gevoerd is de rechtbank van oordeel dat zonder nadere toelichting - die ontbreekt -, niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

Op zichzelf kan worden geoordeeld dat vennootschap 20 een factuur heeft gestuurd aan vennootschap 2 zonder dat daar een deugdelijke grondslag voor bestond en dat het initiatief daartoe van veroordeelde afkomstig is. Ook is aannemelijk dat de betaling uiteindelijk uit een ‘potje’ afkomstig is dat door veroordeelde en zijn mededaders bij vennootschap 2 was ondergebracht. Echter, niet aannemelijk is gemaakt dat gelden in het vermogen van veroordeelde zijn gevloeid dan wel dat op deze manier betalingsverplichtingen van veroordeelde zijn voldaan. Het is veeleer aannemelijk dat een betalingsverplichting van vennootschap 21 op deze manier is betaald. De stelling dat veroordeelde hierdoor zelf wederrechtelijk voordeel heeft genoten tot het bedrag van de managementfee, is onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank wijst dit deel van de vordering af.

Project Herengracht 603

Onderzoek heeft uitgewezen dat in het project Herengracht 603 tussen vennootschap 4 en vennootschap 13 een aannemingsovereenkomst is gesloten voor een bedrag van €1.724.372 (exclusief omzetbelasting). In deze overeenkomst is opgenomen dat de bouwdirectie wordt gevoerd door vennootschap 15. Voorts is een overeenkomst aangetroffen tussen vennootschap 13 als aannemer en vennootschap 15 als onderaannemer voor een bedrag van €689.749 (exclusief omzetbelasting). Betrokkene 6 heeft verklaard dat in de aannemingsovereenkomst tussen vennootschap 13 en vennootschap 4 op verzoek van veroordeelde of van betrokkene 1 is opgenomen dat vennootschap 15 de bouwdirectie doet en dat de overeenkomst tussen vennootschap 13 en vennootschap 15 ook op verzoek van veroordeelde of betrokkene 1 is opgesteld. Het verschil tussen de aanneemsom die vennootschap 4 heeft betaald en waarvoor vennootschap 15 uiteindelijk via onderaanneming de bouwdirectie voert bedraagt €1.034.623. De verkoopopbrengst van het pand Herengracht 603 bedroeg uiteindelijk €750.000. betrokkene 6 heeft middels een brief van 24 juli 2008 verklaard dat vennootschap 15 de werkzaamheden aan het pand heeft verricht en dat het bedrag van €690.000 een redelijke vergoeding voor de werkzaamheden is. Uit een opgaaf van betrokkene 6 van 24 juli 2008 blijkt dat het volledige bedrag dat vennootschap 13 heeft ontvangen is doorbetaald aan derden. betrokkene 6 heeft voorts verklaard dat het mogelijk is dat vennootschap 13 als doorgeefluik is gebruikt. betrokkene 6 heeft verklaard dat veroordeelde voor zover hij weet niets heeft gedaan met betrekking tot het pand Herengracht 603. Gebleken is dat tussen 24 mei 2004 en 17 november 2005 door vennootschap 22 in veertien deelbetalingen in totaal €862.500 (exclusief omzetbelasting) is betaald aan vennootschap 3 inzake ‘Herengracht 498’. Betrokkene 6 heeft hierover verklaard: ‘Het hele verhaal van veroordeelde is in mijn beleving een lulverhaal als het betrekking heeft op het pand Herengracht 498, het zou heel goed kunnen dat er ook een ondertekende versie van de overeenkomst is. Ik weet niets van handjeklap tussen veroordeelde en mij in het pand Herengracht 498, ik blijf er bij dat deze overeenkomst dossiervulling is. Dit geld heeft niets te maken met het pand Herengracht 498, dit geld komt uit de pot met geld van vennootschap 4 die betrekking heeft op het vennootschap 4project Herengracht 603.’ Voorts heeft betrokkene 6 verklaard: ‘veroordeelde heeft mij gevraagd om dit bedrag €862.500 op een andere vennootschap te willen boeken dan vennootschap 13. Vandaar dat dit bedrag is geboekt op het pand Herengracht 498 omdat dit pand van vennootschap 22 is. Ik heb aan zijn verzoek voldaan.’

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd wordt naar het oordeel van de rechtbank in de ontnemingsrapportage en het onderliggende SFO waar in de rapportage naar wordt verwezen voldoende geconcretiseerd waarom de door vennootschap 3 ontvangen bedragen als wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden aangemerkt. Voor zover veroordeelde zich op het standpunt stelt dat de bedragen niet wederrechtelijk zijn ontvangen vindt deze stelling zijn weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het gelet op voorgaande aannemelijk dat in het project Herengracht 603 bij vennootschap 13 door middel van het ophogen van de aanneemsom een pot met geld is gecreëerd, waaruit veroordeelde via een mede op zijn initiatief gecreëerde omweg een bedrag van €862.500 heeft ontvangen.

De rechtbank merkt het bedrag van €862.500 aan als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Project Waasland

In het project Waasland heeft projectontwikkelaar vennootschap 23 op 17 december 2002 aan vennootschap 4 een factuur gestuurd voor een bedrag van €2.600.000 met als omschrijving ‘overeengekomen afkoop winstrechten’. Een onderliggende overeenkomst is nooit aangetroffen, maar uiteindelijk is de factuur wel betaald door vennootschap 4. Ook in de door veroordeelde ter zake opgestelde kosten-batenanalyse wordt geen melding gemaakt van een overeenkomst tussen vennootschap 4 en vennootschap 23. Wel staat onder de kop toelichting bij de KBA vermeld: ‘3. Projectkosten ivm project Sint Niklaas (geboekt bij vennootschap)’. Hoewel vennootschap 4 voor 50% eigenaar is van het project komen deze kosten volledig voor haar rekening.

Over de werkzaamheden die vennootschap 23 in het project Waasland heeft verricht is door het hoofd compliance van vennootschap 4, betrokkene 11, verklaard dat geen enkele betrokkenheid van vennootschap 23 is gebleken en dat er geen contract is aangetroffen. Voorts volgt uit de diverse getuigenverklaringen dat door betrokkene 12 dan wel vennootschap 23 niet tot nauwelijks werkzaamheden zijn verricht in het project Waasland.

Op 30 juni 2003 wordt door vennootschap 23 €1.300.000 overgemaakt op de derdenrekening van vennootschap 7 onder vermelding van ‘vennootschap 24’. Dit bedrag is exact de helft van het bedrag dat vennootschap 23 van vennootschap 4 ontving. Op 15 augustus 2003 maakt vennootschap 7 €390.813,94 over aan vennootschap 24, een vennootschap van medeveroordeelde betrokkene 2, en €911.899,18 aan vennootschap 25, een vennootschap van veroordeelde. Beide betalingen zijn gedaan onder vermelding van ‘onbekend’. In totaal heeft vennootschap 7 €1.302.713,12 doorbetaald waarbij een bedrag van €2.713,12 als rentevergoeding moet worden aangemerkt. Over de betalingen die vennootschap 7 heeft verricht is door financieel manager bij het notariskantoor betrokkene 9 verklaard dat zij met veroordeelde sprak over betalingen uit het depot waarbij veroordeelde aangaf op welke bankrekeningen moest worden betaald. Aan de hand van de gesprekken met veroordeelde werden door betrokkene 9 overzichten gemaakt waarop bedragen en rente staan vermeld, waaronder het overzicht dat zich in het dossier bevindt onder D-1905 en waarop de bedragen die naar vennootschap 24 en vennootschap 25 moesten worden betaald staan vermeld alsmede de bijgeboekte rente.

Tussen vennootschap 23 en vennootschap 24 is een winstdelingsovereenkomst gesloten waarin partijen overeenkomen dat zij gezamenlijk de ontwikkeling van het winkelcentrum in Sint Niklaas ten behoeve van vennootschap 4 ter hand hebben genomen op basis van een verdeling van 50% voor ieder. Over de betrokkenheid van betrokkene 2 bij het project Waasland is door betrokkene 13 (indertijd directeur van vennootschap 4 België) verklaard dat betrokkene 2 geen enkele betrokkenheid heeft gehad en er geen relatie is tussen het project en betrokkene 2 en dat hij vennootschap 24 niet kent. Ook uit het derdenonderzoek dat door de Belastingdienst bij vennootschap 23 is verricht is niets gebleken van werkzaamheden die door vennootschap 24 zijn verricht.

In het onderzoek is ook een winstdelingsovereenkomst tussen vennootschap 24 en vennootschap 25 naar voren gekomen. In deze overeenkomst komen partijen overeen dat zij in staat waren het project Waasland Shoppingcenter te Sint Niklaas, België, vlot te trekken en dat zij een exclusief samenwerkingsverband aangaan dat erop is gericht om voor gezamenlijke rekening en risico, op basis van vennootschap 24 30% en vennootschap 25 70%, het traject ter hand te nemen, en de resultaten ook volgens deze verdeelsleutel te delen. Deze overeenkomst is gedateerd 15 juni 2005, bijna twee jaar na de datum waarop door vennootschap 7 de doorbetalingen in dit project zijn gedaan. Over de betrokkenheid van vennootschap 25 dan wel veroordeelde zelf is door betrokkene 13 verklaard dat veroordeelde slechts zijdelings betrokken was bij het project en dat veroordeelde, hoewel bestuurder van de NV Waaslandcombinatie, inhoudelijk niet of nauwelijks betrokken was, maar slechts een rol speelde bij de financiering van de realisatie waarbij, ondanks de 50-50 verhouding met ING, vennootschap 4 toch voor 100% de realisatie financierde. Ook heeft betrokkene 13 verklaard dat hij nog nooit van vennootschap 25 heeft gehoord en dat vennootschap 25 geen partij was in het project. Ook is betrokkene 13 er niets van bekend dat vennootschap 24 en vennootschap 25 het project hebben vlot getrokken.

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde via zijn vennootschap 25 wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat de geschetste werkwijze sterke gelijkenis vertoont met andere projecten die wel in het kader van het strafrechtelijk onderzoek nader zijn onderzocht. Zo is onder meer in de projecten Coolsingel, Hollandse Meester en Solaris te zien dat ook binnen die projecten de projectontwikkelaar te veel ontvangen gelden overboekt naar de derdenrekening van vennootschap 7 waarna gelden zijn gevloeid richting veroordeelde en zijn mededaders terwijl daar geen of geen reële werkzaamheden tegenover hebben gestaan. Door veroordeelde is ook op geen enkele wijze onderbouwd dat wel reële werkzaamheden tegenover deze betaling hebben gestaan.

De rechtbank merkt het door vennootschap 25 ontvangen bedrag van €911.899,18 aan als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Project Eurocenter

Binnen het project Eurocenter is de oorspronkelijke aanneemsom van €49.950.000 verhoogd onder meer door vanuit vennootschap 4 betalingen te verrichten aan vennootschap 23 op basis van een detailengineeringsovereenkomst voor detailengineering, meerwerk en winstdeling van in totaal €6.195.000.

Tijdens het onderzoek zijn bij betrokkene 14 aantekeningen gevonden waaruit een verrekening naar voren komt van het door vennootschap 23 wederrechtelijk ontvangen bedrag. Deze verrekening heeft betrekking op de verdeling van deze extra vergoedingen tussen de partijen die aanspraak maken op een vergoeding uit deze gelden. Deze partijen zijn vennootschap 23, betrokkene 1, betrokkene 2 en veroordeelde.

Voorts is bij betrokkene 14 een powerpointpresentatie gevonden waarin staat te lezen dat partijen onderling hebben afgesproken dat afrekening van de winst zoveel mogelijk plaatsvindt met gesloten beurs, door middel van verrekening van rechten en plichten. Ook staat te lezen dat de winst op oude projecten in de verhouding 50%-50% verdeeld zal worden tussen vennootschap 23 enerzijds en betrokkene 1 c.s. (waaronder ook veroordeelde) anderzijds. De winst op nieuwe projecten zal in de verhouding 70% - 30% verdeeld worden tussen vennootschap 23 enerzijds en vennootschap 26 (een vennootschap van betrokkene 1) anderzijds, zo staat ten slotte in de powerpointpresentatie te lezen.

Op 10 november 2002 heeft vennootschap 6 een factuur gestuurd aan vennootschap 23 waarbij een bedrag van €100.000 (exclusief omzetbelasting) in rekening wordt gebracht. De omschrijving op de factuur luidt: ‘Rapportage Nederlandse investeerders en Duits vastgoed’. Vennootschap 6 heeft in andere projecten (Hollandse Meester, Coolsingel en Solaris) drie facturen gestuurd met exact dezelfde omschrijving en waarvan bewezen is verklaard dat veroordeelde daarmee gelden ontving waarvan hij wist dat deze van misdrijf afkomstig waren. Vennootschap 23 heeft genoemde factuur voldaan.

Naast voornoemde factuur is door vennootschap 3 tussen 15 april 2003 en 16 september 2003 kennelijk via drie facturen een bedrag van €345.000 (exclusief omzetbelasting) bij vennootschap 23 in rekening gebracht. Hoewel de onderliggende facturen niet zijn aangetroffen in de diverse administraties volgen deze declaraties uit een overzicht dat in de administratie van vennootschap 3 is aangetroffen. De facturen zijn ook daadwerkelijk betaald. Van werkzaamheden die tegenover deze betalingen staan is niets gebleken.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het aannemelijk dat de bedragen die veroordeelde heeft ontvangen, wederrechtelijk verkregen voordeel betreffen. In ieder geval heeft veroordeelde nagelaten een verklaring te geven waaruit het tegendeel blijkt.

De rechtbank merkt het door veroordeelde ontvangen bedrag van €445.000 aan als wederrechtelijk verkregen voordeel.

In voornoemd arrest van het gerechtshof Amsterdam is ten laste van veroordeelde onder feit 9 bewezenverklaard dat veroordeelde op basis van een valse factuur een bedrag van €25.000,- heeft ontvangen van vennootschap 10 in de vennootschap 6, terwijl hij wist dat dit bedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Op basis van deze bewezenverklaring staat in het kader van deze procedure vast dat veroordeelde een bedrag van €25.000 als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontvangen.

Voorts is, ook onder feit 9, bewezenverklaard dat veroordeelde in de vennootschap 11 op basis van drie valse facturen aan respectievelijk vennootschap 13, vennootschap 12 en vennootschap 14 een bedrag van circa €180.000 heeft ontvangen, terwijl hij wist dat dit bedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Op basis van deze bewezenverklaring staat in het kader van deze procedure vast dat veroordeelde een bedrag van €180.000 als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontvangen.

Met betrekking tot de verbouwing van kantoor Biesbosch 225 te Amstelveen overweegt de rechtbank het volgende. In opdracht van veroordeelde heeft vennootschap 13 een verbouwing verricht aan genoemd kantoor alwaar diverse vennootschappen van veroordeelde gevestigd zijn. Voor deze verbouwing is €65.000 betaald. Over deze verbouwing heeft betrokkene 6 verklaard: ‘(…) veroordeelde heeft inderdaad mij gevraagd de verbouwing van dit kantoor te betalen vanuit het geldpotje van het vennootschap 4. (…) veroordeelde heeft bij mij aangegeven dat hij een factuur van vennootschap 13 wilde hebben voor de verbouwing van het kantoor en veroordeelde wilde daar nog een keer op terug komen. veroordeelde is daar echter nooit op terug gekomen en uiteindelijk is de verbouwing betaald vanuit het geldpotje dat vennootschap 13 had, in dit geval vanuit de 2,1 miljoen Euro die vennootschap 13 van het vennootschap 4 had voor het potje Eurocenter.’ Voorts heeft betrokkene 6 verklaard: ‘(…) in tegenstelling tot wat ik eerder heb verklaard was het veroordeelde zijn idee om deze werkzaamheden op het project Eurocenter te boeken. (…) Het was dus van meet af aan duidelijk dat veroordeelde deze werkzaamheden niet zelf zou gaan betalen.’

De rechtbank acht het gelet op het voorgaande aannemelijk dat veroordeelde met betrekking tot de verbouwing van het kantoorpand Bieschbosch 225 wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, in die zin dat een betalingsverplichting die op veroordeelde rustte op wederrechtelijke wijze is voldaan waardoor geoordeeld moet worden dat veroordeelde door deze handelwijze kosten heeft bespaard.

Het bedrag van €65.000 merkt de rechtbank aan als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Onverklaarbare geldstromen

In de ontnemingsrapportage wordt melding gemaakt van twee onverklaarbare geldstromen.

Het betreft in de eerste plaats de betaling van in totaal €150.000 (exclusief €28.500 omzetbelasting) aan vennootschap 6 door vennootschap 26 op basis van vier facturen met factuurdatum 1 januari 2006 en met als omschrijving dat het gaat om financiële adviezen over 2005, welke facturen vennootschap 6 een dag eerder aan vennootschap 26 heeft verstuurd. Daarnaast gaat het hier om een betaling door vennootschap 26 aan vennootschap 3 van €400.000 (exclusief €76.000 omzetbelasting) op basis van twee facturen.

In de ontnemingsrapportage wordt met betrekking tot deze facturen en de daaropvolgende betalingen opgemerkt dat het bekend is dat vennootschap 26 criminele gelden heeft ontvangen uit projecten Symphony en project 126. Daarnaast is het, in de woorden van het ontnemingsrapport, gelet op de eerder beschreven geldstromen en aangezien is vastgesteld dat vennootschap 26 als doorgeefluik is opgetreden voor de uitbetaling van winstaandelen aan de leden van de criminele organisatie, aannemelijk dat deze geldstromen wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde zijn geweest.

De rechtbank wijst dit onderdeel van de vordering af. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Weliswaar blinken de factuuromschrijvingen niet uit in helderheid en is het zo dat vennootschap 26 als doorgeefluik heeft gefungeerd in verschillende projecten, doch dit laat onverlet dat de aan dit onderdeel van de vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om aannemelijk te achten dat deze betalingen wederrechtelijk zijn verkregen. Veroordeelde is niet vervolgd voor feiten met betrekking tot project Symphony en in project 126 komt veroordeelde überhaupt niet voor. De in het ontnemingsrapport gevolgde redenering lijkt te zijn dat het handelen van veroordeelde en zijn mededaders in de verschillende projecten het aannemelijk maken dat iedere betaling die zij onderling verrichtten, ook in andere projecten, om die reden moet worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel voor de ontvanger van dat geld. Die redenering voert naar het oordeel van de rechtbank te ver.

Veroordeelde heeft zich ten aanzien van deze facturen beroepen op zijn zwijgrecht. Voor zover het Openbaar Ministerie heeft betoogd dat veroordeelde heeft nagelaten te verklaren welke werkzaamheden hij voor deze betalingen heeft verricht, miskent dit dat het in de eerste plaats aan het Openbaar Ministerie is om aannemelijk te maken dat sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. Pas op het moment dat het Openbaar Ministerie daarin slaagt mag van een veroordeelde worden verlangd dat hij feiten en omstandigheden aandraagt die duiden op het tegendeel.

Vervolgprofijt vennootschap 27

De vaststelling dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten rechtvaardigt de conclusie dat vervolgprofijt dat met deze gelden is gegenereerd eveneens wederrechtelijk verkregen is. In de ontnemingsrapportage is de transactie rond vennootschap 27 uiteengezet. vennootschap 28 is 100% aandeelhouder van vennootschap 26. vennootschap 26 is 100% aandeelhouder van vennootschap 27. Op 22 en 23 mei 2002 hebben diverse aandelentransacties plaatsgevonden met betrekking tot de aandelen van vennootschap 27. vennootschap 6 heeft daarbij voor €262.500 25% van de aandelen in vennootschap 28 verkregen. vennootschap 6 heeft deze aandelen betaald met behulp van een lening van €262.500 die zij van vennootschap 19 heeft verkregen.

Vennootschap 6 heeft de aandelen vervolgens op dezelfde dag en voor dezelfde prijs doorverkocht aan vennootschap 25. Op 27 mei 2002 heeft vennootschap 27 voor €6.622.389,43 een kantoorpand gekocht.

Op 27 september 2002 heeft vennootschap 27 dit pand verkocht aan vennootschap 29 voor €12.100.000 waardoor vennootschap 27 binnen enkele maanden een transactiewinst behaalde van €5.477.610,57. Op 20 december 2002 heeft vennootschap 25 haar aandelen in vennootschap 28 verkocht aan vennootschap 19 voor een bedrag van €1.046.116. Na aftrek van de lening heeft vennootschap 25 zodoende een winst behaald van €783.616.

De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde door middel van deze transactie vervolgprofijt heeft gegeneerd met gelden die wederrechtelijk waren verkregen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Vennootschap 6 heeft haar (certificaten van) aandelen in vennootschap 28 kunnen kopen met geleend geld van vennootschap 19. Uit onderzoek is gebleken dat in de periode van deze lening de omzet van vennootschap 19 nagenoeg geheel bestond uit betalingen van notariskantoor vennootschap 7 en vennootschap 2. betrokkene 5 heeft over betalingen uit het depot verklaard dat deze geschiedden op verzoek van partijen (betrokkene 1, betrokkene 2 en veroordeelde) en dat veroordeelde aangaf wanneer een betaling uit het depot kon worden gedaan.

In het depot bevonden zich de opbrengsten van de overeenkomsten die waren gesloten met vennootschap 16 en vennootschap 2 en deze opbrengsten wilden de betrokkenen met elkaar verdelen door middel van poolovereenkomsten waarbij vennootschappen van veroordeelde aanvankelijk ook partij waren. Betrokkene 4 en betrokkene 3 hebben verklaard dat zij overwinst in projecten moesten doorbetalen op instigatie van betrokkene 1, betrokkene 2 en veroordeelde. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat veroordeelde wist dat het geld dat vennootschap 6 ontving op grond van de lening bij vennootschap 19, geld betrof dat door strafbare feiten was verkregen. Dit leidt tot de conclusie dat het geld dat veroordeelde daarmee heeft verdiend als vervolgprofijt moet worden aangemerkt.

Het bedrag van €783.616 merkt de rechtbank aan als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Verjaring

De verdediging heeft aangevoerd dat de diverse facturen die aan de ontnemingsvordering ten grondslag liggen meer dan vijf jaar oud zijn en daarmee civielrechtelijk verjaard.

Bovendien heeft de verdediging aangevoerd dat de facturen zonder protest door de ontvanger daarvan zijn behouden zodat geoordeeld moet worden dat tegenover de facturen werkzaamheden hebben gestaan. Dat nu nog de discussie over de realiteit van de werkzaamheden via het strafrecht wordt gevoerd is in de visie van de verdediging in strijd met het recht, het verjaringsaspect en doel en strekking van de wet.

Voor zover de verdediging met haar stellingen heeft beoogd te betogen dat tegenover de verschillende facturen wel reële werkzaamheden hebben gestaan en dat om die reden van wederrechtelijk verkregen voordeel geen sprake is, is de rechtbank van oordeel dat voor een zeer groot deel van de betalingen geldt dat het tegendeel van deze stelling in het kader van deze procedure vaststaat door de bewezenverklaring van de verschillende strafbare feiten door zowel de rechtbank als het gerechtshof. Voor het overige geldt dat het Openbaar Ministerie in deze ontnemingsprocedure aannemelijk moet maken, en voor een groot deel – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – ook heeft gemaakt, dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Veroordeelde heeft daartegenover op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat er wel reële werkzaamheden zijn verricht. Het enkele feit dat de facturen door de ontvangers daarvan zijn behouden en betaald maakt niet dat er werkzaamheden tegenover de facturen stonden. De rechtbank wijst er in dit verband op dat voor de ontvangers van de facturen geldt dat deze of zijn veroordeeld in de betrokkene betreffende strafzaak in het kader van het onderzoek Klimop dan wel schikkingen hebben getroffen met het Openbaar Ministerie, juist in verband met hun rol bij de diverse betalingen. Het verjaringsaspect speelt in het kader van de onderhavige procedure geen rol. De rechtbank vermag niet in te zien wat de verdediging wil betogen met de stelling dat “de discussie over de realiteit van de facturen nu via het strafrecht wordt gevoerd”. In ieder geval is hier geen sprake van strijd met het recht of met doel en strekking van de ontnemingswetgeving.

Ambtshalve overweging toerekening

Hoewel door de verdediging geen verweer is gevoerd met betrekking tot het feit dat de gelden in aan veroordeelde gelieerde vennootschappen zijn gevloeid, hetgeen de vraag zou kunnen doen rijzen of deze gelden aan veroordeelde in persoon kunnen worden ontnomen, heeft de rechtbank zich ambtshalve over deze kwestie gebogen. Vaststaat dat het overgrote deel van de hiervoor genoemde geldbedragen die de rechtbank heeft aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel zijn gevloeid in aan veroordeelde gelieerde vennootschappen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het wederrechtelijk verkregen voordeel desalniettemin aan veroordeelde in persoon worden ontnomen. In de eerste plaats is daarvoor van belang dat door het gerechtshof bewezen is verklaard dat veroordeelde de strafbare feiten in persoon heeft gepleegd. In zijn bewijsoverweging heeft het gerechtshof immers overwogen dat uit de bewijsmiddelen volgt dat veroordeelde de strafbare feiten zelf heeft verricht en zijn BV’s daarbij heeft gebruikt als middel om de strafbare gedragingen te kunnen plegen. Bovendien moet worden geoordeeld dat veroordeelde feitelijk leidinggevende dan wel in een aantal gevallen (middellijk) aandeelhouder van de desbetreffende vennootschappen was. In die hoedanigheid had veroordeelde gehele, althans in overwegende mate, zeggenschap over deze vennootschappen en kon hij over het vermogen van die vennootschappen beschikken.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.

Draagkracht

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde over onvoldoende draagkracht beschikt. Ter onderbouwing van dit standpunt is namens veroordeelde de administratie overgelegd van een groot aantal van zijn vennootschappen. Voorts is aangevoerd dat, gelet op de gevolgen van de Klimop-zaak, de kans dat veroordeelde in de toekomst weer aan het werk kan nihil is.

De rechtbank overweegt het volgende. Indien vaststaat dat de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van veroordeelde niet toereikend zullen zijn om het te betalen bedrag te voldoen, kan de rechtbank daarmee bij de vaststelling van het te betalen bedrag rekening houden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan echter niet gebleken. In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat uit de overgelegde administratie niet volgt dat sprake is van onvoldoende draagkracht op dit moment. De administratieve bescheiden zijn niet goedgekeurd door een accountant zodat de bewijswaarde van deze stukken betrekkelijk is. Bovendien geven de stukken slechts inzicht in de financiële situatie van de vennootschappen en niet van veroordeelde zelf, terwijl deze stukken voorts slechts betrekking hebben op de jaren tot en met 2011. In de tweede plaats overweegt de rechtbank dat evenmin vaststaat dat veroordeelde ook in de toekomst niet over voldoende draagkracht zal beschikken. Op zichzelf is voorstelbaar dat de gevolgen van de Klimop-zaak met zich brengen dat het voor veroordeelde lastig zal zijn om weer aan het werk te gaan. Daar staat echter tegenover dat de executietermijn voor ontnemingsvorderingen ruim is. Nu te verwachten valt dat de negatieve gevolgen van onderhavige zaak in de loop van de tijd zullen afnemen en veroordeelde bovendien relatief jong en hoog opgeleid is, voert het te ver om reeds in dit stadium te oordelen dat ook in de toekomst veroordeelde niet over voldoende draagkracht zal beschikken. De rechtbank verwerpt het verweer.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF