Art. 12 Sv klacht over niet vervolgen van gemeentelijke handhavers afgewezen

Gerechtshof Amsterdam 12 april 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1240

Volgens beklaagden hebben zij zich als handhaver gelegitimeerd tegenover klager. Toen zij hem wilden bekeuren en klager bij herhaling vroegen om zich te legitimeren, weigerde hij dat. Hij zei wel dat hij ziek was, maar gaf geen details daarover (zoals het dragen van een incontinentieluier).

Volgens klager hebben beklaagden zich niet als handhaver gelegitimeerd; hij dacht te maken te hebben met twee burgervrouwen. Daarom toonde hij hen geen legitimatiebewijs. Wel gaf hij gegevens over zijn ziekte en wees op de incontinentieluier die hij droeg.

Beklaagde heeft het volgende verklaard:

Ik ben nog steeds werkzaam als handhaver en heb als buitengewoon opsporingsambtenaar bepaalde bevoegdheden. Mijn collega naam beklaagde 1 en ik waren in die hoedanigheid op 29 december 2015 belast met algemene taken. Wij waren in burger, maar reden wel in een duidelijk herkenbaar dienstvoertuig. Toen wij aan kwamen rijden, zagen wij dat klager stond te plassen. Toen ik uitstapte, draaide hij zich om. Wij spraken hem aan en legitimeerden ons. Wij zeiden tegen hem dat wij handhavers waren. Klager vertelde ons dat hij ziek was, maar niet wat hij mankeerde. Hij weigerde zijn legitimatie te laten zien, omdat wij niet van de politie waren. Ik heb driemaal het tonen van zijn legitimatie gevorderd en uitgelegd wat een aanhouding inhoudt en wat de gevolgen daarvan zijn. Ik heb klager gewaarschuwd dat ik gebruik zou maken van geweld als hij niet meewerkte. Toen ik zijn arm pakte, werd hij wild tegen mij. Hij werd tegen de muur gezet en geboeid. Ik heb binnen mijn bevoegdheden gehandeld. Als ik had geweten wat hij mankeerde, had ik anders opgetreden en hem gezegd voortaan een winkel in te gaan om daar naar het toilet te gaan. Ik kan mij voorstellen dat in het contact tussen mij en de 75-jaar oude klager een rol speelde dat ik jong ben en dat ik een vrouw ben. In de opleiding leren wij dat wij elkaars cultuur moeten respecteren, maar dat men wel naar ons moet luisteren. Ik heb dit geval met mijn teamleider besproken. Hij heeft de dochter van klager gesproken en alles uitgelegd.

Beoordeling van het beklag

Uit het dossier en het verhandelde in raadkamer komt naar voren dat de herinnering van klager aan hetgeen op 29 december 2015 is gebeurd aanzienlijk verschilt van die van beklaagden.

Het hof leidt uit deze verschillen af dat er sprake is geweest van miscommunicatie op straat. Het zal niet geholpen hebben dat hier opgetreden werd door niet geüniformeerde, vrouwelijke, handhavers tegen een oudere man die zich in een door zijn lichamelijke conditie ongemakkelijke situatie bevond. Het hof was – in dit verband – bepaald niet onder de indruk van de duidelijkheid van het legitimatiebewijs van handhavers, dat door beklaagde (in raadkamer) aan het hof is getoond. Het valt te betreuren dat daardoor kennelijk misverstanden zijn ontstaan. Bij een iets ander optreden van beide kanten zou het verloop van de zaak wellicht anders en voor klager minder belastend zijn geweest.

Het hof heeft niettemin te beoordelen of er in deze zaak voldoende bewijsmateriaal is waarmee de strafrechter aan wie deze zaak zou worden voorgelegd redelijkerwijs tot een bewezenverklaring zou kunnen komen.

Er is onvoldoende bewijs voor een veroordeling. De verklaring van klager vindt immers geen steun in andere bewijsmiddelen.

Er zijn geen aanknopingspunten voor nader onderzoek.

Beklaagden waren aangesteld om handhavend op te treden tegen overtredingen zoals die waarvan klager verdacht werd.

Op grond van artikel 7 van de Politiewet 2012 mag de ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak (en dat geldt in dit geval ook voor handhavers als beklaagden) in de rechtmatige uitoefening van de bediening geweld gebruiken wanneer het daarmee beoogde doel dit rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. De uitoefening van deze bevoegdheid dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

Ingevolge artikel 22 van de Ambtsinstructie kan de ambtenaar een rechtens van zijn vrijheid beroofde persoon ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen als dit noodzakelijk is vanwege vluchtgevaar of gevaar voor de veiligheid van de betrokken persoon, de ambtenaar of derden.

Gelet op hetgeen uit het dossier naar voren komt waren beklaagden bevoegd om klager te bekeuren voor een overtreding. Ook mochten zij klager vragen zich te legitimeren. Toen klager dat weigerde mochten zij hem aanhouden. Op dat moment waren zij in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Toen klager vervolgens wegliep en nadat beklaagde naam beklaagde 2 hem bij de arm had gepakt, een slaande beweging tegen haar schouder maakte waardoor zij hem moest los laten, hebben beklaagden klager tegen de muur gezet om hem te boeien. Klager bleef tegenwerken en beklaagde naam beklaagde 2 zei hem dat hij voor hun en zijn veiligheid geboeid zou worden. Tijdens zijn verzet krabde klager op de hand van beklaagde naam beklaagde 2. Klager is aangehouden voor overtreding van de Wet op de identificatieplicht en voor wederspannigheid.

Hoewel niet uit te sluiten valt dat door een betere communicatie geweldstoepassing voorkomen had kunnen worden, brengen voornoemde feiten en omstandigheden het hof tot de conclusie dat beklaagden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren. Het is, voorts, niet waarschijnlijk dat, als de strafrechter over deze zaak zou moeten oordelen, deze tot het oordeel zou komen dat beklaagden bij de toepassing van het geweld buiten de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit zijn getreden. Er was gewaarschuwd dat geweld zou worden gebruikt en toen klager zich niet naar de aanwijzingen van beklaagden wenste te voegen en zich verzette, stond het vervolgens toegepaste geweld in een redelijke en gematigde verhouding tot het beoogde doel: het aanhouden van klager.

Ook ten aanzien van het boeien van klager en het na een klacht daarover geboeid houden, ziet het hof te weinig materiaal in het dossier dat tot een veroordeling van beklaagden zou kunnen leiden.

Het hof is dan ook van oordeel dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om niet over te gaan tot vervolging van beklaagden op goede gronden is genomen en zal als volgt beslissen.

Het hof wijst het beklag af.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF