Klaagschrift tot inbeslagname van geschriften bij twee advocatenkantoren ongegrond verklaard: redelijk vermoeden van schuld jegens klaagster & sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden

Rechtbank Oost-Brabant 24 april 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:2390 Op 10 april 2014 is klaagster aangehouden op verdenking van (gewoonte)witwassen, valsheid in geschrifte, oplichting en deelname aan een criminele organisatie. De strafzaak tegen klaagster maakt deel uit van een grootschalig opsporingsonderzoek, onderzoek, dat zich richt op verdenking van witwassen, valsheid in geschrifte, deelname aan een criminele organisatie en overtreding van de Wet op de Kansspelen door het illegaal op internet aanbieden van gokspelen.

Klaagster is sinds 1 augustus 2010 als advocate en mede aandeelhouder verbonden aan advocatenkantoor 1. Daarvoor was zij als advocate en compagnon werkzaam bij advocatenkantoor 2. Op 10 april 2014 heeft onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden op advocatenkantoor 1 en advocatenkantoor 2. Daarbij is een aantal geschriften in beslag genomen.

Voorafgaand aan deze doorzoekingen heeft de rechter-commissaris zich bij beslissing van 9 april 2014 uitgelaten over de vraag of het verschoningsrecht inbeslagneming van geschriften in de weg staat. De rechter-commissaris heeft op basis van het proces-verbaal van verdenkingen geoordeeld dat er sprake is van verdenking van ernstige strafbare feiten, waaronder deelname aan een crimineel samenwerkingsverband. Deze ernstige verdenking dient te worden onderzocht en brengt een zwaar onderzoeksbelang mee dat zich ook uitstrekt tot de medeverdachten. Op grond daarvan heeft de rechter-commissaris beslist dat “zich in dit geval uitzonderlijke omstandigheden voordoen die meebrengen dat het belang dat de waarheid aan het licht komt dient te wijken voor het verschoningsrecht”. Naar de rechtbank aanneemt kan deze laatste passage in het licht van de voorgaande overwegingen van de rechter-commissaris niet anders worden opgevat dan als een kennelijke schrijffout en houdt haar beslissing in, dat het verschoningsrecht dient te wijken voor het belang van de waarheidsvinding.

Op 6 oktober 2014 heeft klaagster een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend, gericht tegen de inbeslagneming bij advocatenkantoor 1.

Het klaagschrift is behandeld ter zitting van 21 november 2014 en 3 april 2015, waar klaagster is verschenen, bijgestaan door mr. F.G.L. van Ardenne, advocaat te Rotterdam.

Het standpunt van de officier van justitie

Primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het verschoningsrecht in dit geval niet van toepassing is, omdat klaagster heeft deelgenomen aan het plegen van strafbare feiten.

Subsidiair heeft de officier van justitie het standpunt van de rechter-commissaris onderschreven dat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waaronder het verschoningsrecht moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding. Onder verwijzing naar het raam proces-verbaal van 10 september 2014 en het persoonsdossier heeft de officier een aantal aanwijzingen opgesomd, op basis waarvan sprake is van eerder genoemde zeer uitzonderlijke omstandigheden. Dat de raadkamer van de rechtbank oordeelde dat er geen sprake was ernstige bezwaren, maakt dit niet anders. Voldoende voor het aannemen van zeer uitzonderlijke omstandigheden is een redelijk vermoeden van schuld aan een ernstig misdrijf.

Bij de doorzoeking zelf is de nodige terughoudendheid betracht. Blijkens de processen-verbaal van doorzoeking is selectief in beslag genomen, strikt beperkt tot de betrokkenen bij de zaak onderzoeksnaam.

Voor het geval de rechtbank het primaire en subsidiaire standpunt van de officier van justitie afwijst, zal de rechtbank de vraag moeten beantwoorden of de in beslag genomen geschriften voorwerp van het strafbaar feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend (ook wel corpora et instrumenta delicti genoemd) als bedoeld in artikel 98, tweede lid, Sv. In dat geval vordert de officier van justitie meer subsidiair, dat de rechtbank de rechter-commissaris in de gelegenheid stelt te beoordelen of bepaalde documenten corpora et instrumenta delicti zijn.

De officier van justitie concludeert tot ongegrond verklaring van het beklag.

Het standpunt van klaagster

Klaagster betwist het primaire standpunt van de officier van justitie. Uit niets blijkt dat zij buiten haar taak als advocate heeft gehandeld. De in het proces-verbaal van verdenking genoemde handelingen van klaagster vallen onder de normale beroepsuitoefening van een advocaat met een specialisatie op het gebied van de Wet op de Kansspelen.

Klaagster betwist ook het subsidiaire standpunt van de officier van justitie dat er sprake zou zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor het verschoningsrecht zou moeten wijken voor het belang van de waarheidsvinding. De Nederlandse overheid heeft illegale goksites van internetcasino’s al vele jaren gedoogd. Na haar oprichting in 2012 heeft de KSA dit gedoogbeleid geformaliseerd. Klaagster heeft voor de eigenaar van de sites waar onderzoek onderzoeksnaam betrekking op heeft - bedrijf 3 - een gedoogbrief (letter of comfort) aangevraagd. Deze brief heeft de KSA ook aan bedrijf 3 verstrekt, in afwachting van de nieuwe, geliberaliseerde Wet op de Kansspelen. Er was in die gedoogsituatie dus geen reden voor klaagster om strafbare feiten te plegen.

Voor zover klaagster in haar correspondentie met de KSA onjuiste gegevens heeft vermeld, gaat het om gegevens op basis van informatie en instructies van bedrijf 2, de onderneming die het algemene management van de goksites verzorgde namens bedrijf 3. bedrijf 2 had bij volmacht de bevoegdheid namens bedrijf 3 instructies te geven aan klaagster.

Het gedoogbeleid en de nieuwe wetgeving maakte het noodzakelijk dat de bedrijfsvoering van internetcasino’s zonder vergunning - zoals bedrijf 3 - juridisch en fiscaal transparant moest worden gemaakt. In dat kader heeft klager contracten opgemaakt waarin niets strafbaars werd verhuld, maar alleen de bestaande, gedoogde gang van zaken werd onthuld. De ondernemingsstructuur die contractueel is vastgelegd, is ook niet door klaagster ontworpen, maar bestond al ver voordat klaagster bij de onderneming werd betrokken als juridisch adviseur.

Klaagster ontkent dat zij wetenschap had van een schijnconstructie met buitenlandse contractpartners als lege huls en katvangers als directeur. Er was sprake van een fiscale intra-concernregeling, een vaak voorkomende trustachtige en al lang bestaande fiscale constructie binnen een conglomeraat van vennootschappen. De contracten zijn ook materieel volledig uitgevoerd. Dat uit aantekeningen van besprekingen blijkt dat klaagster juridische adviezen gaf, betekent nog niet dat zij strafbare feiten heeft gepleegd en deel is gaan uitmaken van een crimineel samenwerkingsverband. Het betrof advisering als advocaat op een terrein dat sterk in beweging is. Dat klaagster zich liet uitbetalen via een belastingkantoor en niet rechtstreeks door bedrijf 3 is een niet ongebruikelijke wijze van facturering en was niet bedoeld om strafbare feiten te verhullen. Uit niets blijkt dat klaagster opzet had op de ten laste gelegde feiten.

Klaagster betwist ook het meer subsidiaire standpunt van de officier van justitie dat de in beslag genomen geschriften corpora of instrumenta delicti zijn. In het proces-verbaal van verdenking is dit niet aannemelijk gemaakt en de rechter-commissaris heeft daar in haar beslissing van 9 november 2014 ook geen oordeel over gegeven. Niet gebleken is dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de onjuistheid van het standpunt van klaagster. In dat geval moet haar standpunt dat de in beslag genomen stukken onder haar verschoningsrecht vallen, te worden geëerbiedigd.

Voorts heeft klaagster aangevoerd dat de doorzoekingen disproportioneel zijn en verder gaan dan strikt noodzakelijk was voor de waarheidsvinding. Er is onvoldoende gericht op bepaalde documenten doorzocht. De doorzoekingen waren in feite een fishing expedition. De doorzoekingen hebben inbreuk gemaakt op het recht op privé leven van klaagster en zijn daarom in strijd met artikel 8 van het EVRM.

Klaagster concludeert tot gegrondverklaring van het beklag en vordert teruggave van de in beslag genomen geschriften.

Het oordeel van de rechtbank

Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na de inbeslagneming. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar beklag.

De rechtbank zal hieronder eerst beoordelen of er in dit geval sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op basis waarvan het verschoningsrecht dient te wijken voor het belang van de waarheidsvinding. Daarbij gaat de rechtbank uit van het navolgende in de jurisprudentie ontwikkelde toetsingskader.

Het verschoningsrecht is in zoverre niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken, waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de advocaat als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Dit brengt mee dat bij doorzoeking ter inbeslagneming bij een advocaat diens toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden niet nodig is als deze doorzoeking gericht is op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. De enkele omstandigheid dat een advocaat als verdachte wordt aangemerkt is niet toereikend, maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten. In een dergelijk geval is de bevoegdheid tot doorzoeking en inbeslagneming niet beperkt tot corpora et instrumenta delicti, zodat de vraag of deze geschriften een zodanig karakter hebben niet relevant is. Wel mag in een dergelijk geval de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid.

Het bestaan van zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangenomen indien jegens de advocaat sprake is van een redelijke vermoeden van schuld aan een ernstig strafbaar feit. Daarbij is de mate van ‘stevigheid’ van de verdenking niet van doorslaggevende betekenis bij de beantwoording van de vraag of sprake is van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden.

De rechter die moet oordelen of zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen, mag niet volstaan met een marginale toetsing daarvan, maar moet zich daaromtrent aan de hand van de stukken en het onderzoek in raadkamer een eigen, zelfstandig oordeel vormen.

Ter beantwoording van de vraag of er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, dient allereerst te worden vastgesteld of er een redelijk vermoeden van schuld is aan een ernstig strafbaar feit. Daarbij neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking, zich baserend op het verhandelde ter zitting en het persoonsdossier en het raam proces-verbaal van 10 september 2014 met bijlagen in de strafzaak tegen klaagster.

Klaagster heeft niet betwist dat zij de contracten, gedateerd 21 februari 2012, heeft opgesteld, waarin de rechtsverhoudingen tussen bedrijf 3 en bedrijf 4 en tussen bedrijf 2 en bedrijf 4 zijn vastgelegd. In het contract tussen bedrijf 3 en bedrijf 4 staat dat bedrijf 3, gevestigd te Costa Rica, eigenaar is van websites waarop internet games aan het publiek worden aangeboden. bedrijf 4, gevestigd te Cyprus, neemt het beheer en onderhoud van de websites op zich voor bedrijf 3 en zorgt voor het verzamelen van de inleggelden/ weddenschappen van de deelnemers en het uitbetalen van de winsten. Het contract is getekend door betrokkene 7 als directeur van bedrijf 3 en betrokkene 3 als directeur van bedrijf 4. betrokkene 7 was toen geen directeur meer van bedrijf 3. betrokkene 3 heeft verklaard niets inhoudelijks over het contract te kunnen vertellen. Klaagster heeft tijdens het eerste politieverhoor verklaard betrokkene 3 niet “zakelijk te kennen” en betrokkene 7 nooit te hebben ontmoet of gesproken. Dit laatste is in strijd met de verklaring van betrokkene 7 dat hij in 2009 een brief van het ministerie van justitie had gekregen dat bedrijf 3 moest stoppen met het aanbieden van illegale online kansspelen. Hij had toen gebeld met medeverdachte 1, een van de hoofdverdachten in de onderzoeksnaam zaak, en had daarna hierover contact gehad met klaagster. Voor betrokkene 7 was dit aanleiding te stoppen als directeur van bedrijf 3.

Daar komt bij dat de betrokken contractpartijen (bedrijf 3 en 4) niet aanwezig waren bij de contractbesprekingen. Klaagster heeft ter verklaring hiervan gewezen op het “trustachtige” karakter van bedrijf 3 en 4. De contractueel vastgelegde werkzaamheden betroffen echter concrete bedrijfsactiviteiten en beperkten zich niet tot vermogensbeheer. In dit verband wijst de rechtbank ook op de verklaring van betrokkene 1. Hij bevestigt dat niemand van bedrijf 3 en bedrijf 4 aanwezig was bij de contractbesprekingen. Iedereen die daar wel bij aanwezig was, waaronder klaagster, wist dat men bezig was een constructie te bouwen, aldus betrokkene 1.

De rechtbank merkt hierbij nog op dat uit het strafdossier blijkt dat bedrijf 3 geen licentiehouder was voor het aanbieden van online kansspelen. Costa Rica kent zelfs in het geheel geen licentiestelsel ten aanzien van online kansspelen. Klaagster, specialist op dit rechtsgebied, heeft tegenover de politie verklaard daar niet van op de hoogte te zijn geweest.

Op instigatie van medeverdachte 1 heeft klaagster contact opgenomen met de KSA met het verzoek een gedoogletter van de KSA te ontvangen. In een mailbericht van 29 oktober 2012 aan de KSA schrijft klaagster dat ze is benaderd door de Amerikaanse advocaat van bedrijf 3 over de mogelijkheid van een deal met de KSA. Op 10 december 2012 bericht klaagster de KSA per mail dat zij de Nederlandse advocate is van bedrijf 3. “Bedrijf 3 is gevestigd in Costa Rica. (…) De CEO en beleidsbepaler binnen bedrijf 3 is de heer betrokkene 2. Hij woont in Costa Rica. (…) bedrijf 3 is niet gelieerd aan andere bedrijven die kansspelen aanbieden op de Nederlandse markt.”

Betrokkene 2 betreft mevrouw betrokkene 2, de vriendin van betrokkene 3. Zij was vanaf 9 juli 2012 formeel bestuurder van bedrijf 3. Uit de stukken blijkt niet dat zij voor bedrijf 3 beleidsbepalend is geweest. Tijdens het eerste politieverhoor verklaarde klaagster dat zij betrokkene 2 niet kent en niet weet of het een man of een vrouw is. Tijdens de doorzoeking ten kantore van advocatenkantoor 1 heeft klaagster verklaard dat zij de naam van betrokkene 2 van medeverdachte 1 had doorgekregen. In haar eerste politieverhoor verklaarde zij dat dat “kon kloppen”.

Voorts wijst de rechtbank op aantekeningen die zijn gemaakt bij een vergadering op 30 augustus 2012, waarbij klaagster aanwezig was (naar de rechtbank aanneemt wordt in de aantekeningen met “voornaam” klaagster bedoeld). Deze aantekeningen zijn in beslag genomen tijdens de doorzoeking op het kantoor van bedrijf 2 op 24 mei 2013. Op het aantekenblaadje is genoteerd: “aanbieden = verboden, misdrijf” en “meer substantie/ email verkeer tussenafkorting – bedrijf 4 – bedrijf 3 nodig”. Met name die laatste passage draagt bij aan het vermoeden dat de aanwezigen, waaronder klaagster, wetenschap hadden van het bestaan van een schijnconstructie. Dat de laatste passage slechts zou verwijzen naar het niet nakomen van enkele onbelangrijke, niet materiële rapportageverplichtingen van bedrijf 2/bedrijf 4, zoals klaagster ter zitting heeft betoogd, is uit die passage niet op te maken.

Op 12 mei 2012 heeft een ontevreden klant, betrokkene 4, een mailbericht gestuurd naar de help desk van een online casino van bedrijf 3 (website). Daarin schrijft hij dat hij samen met een journalist gaat uitzoeken wie website is en waarom men “zich verbergt achter tal van zogenaamde bedrijfjes die opereren vanuit Costa Rica”. Medeverdachte 2, een van de hoofdverdachten in het onderzoek onderzoeksnaam, stelt medeverdachte 1 voor dat klaagster hierover contact opneemt met betrokkene 4. Volgens betrokkene 4 is hij inderdaad gebeld door klaagster, die daarbij niet wilde aangeven voor wie zij optrad.

Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking de wijze waarop klaagster haar werkzaamheden voor bedrijf 3 heeft gefactureerd. Klaagster diende de facturen in bij bedrijf 1 Deze stuurde de facturen door naar bedrijf 2. Die betaalde de facturen aan betrokkene 8, waarna deze weer klaagster uitbetaalde. Volgensbetrokkene 8 was dit zo afgesproken, omdat klaagster niet aan bedrijf 3 wilde factureren omdat zij dan geen geld kreeg. bedrijf 2 wilde volgens betrokkene 8 geen factuur van klaagster in zijn administratie hebben. Een medewerker van het belastingkantoor, betrokkene 6, heeft deze gang van zaken bevestigd. Volgens hem had medeverdachte 1 dit met betrokkene 8 afgesproken. Klaagster heeft ter zitting aangegeven dat een dergelijke wijze van factureren via derden niet ongebruikelijk is. Dat verklaart echter nog niet, waarom niet zij, maar medeverdachte 1 namens bedrijf 2 deze wijze van betalen metbetrokkene 8 heeft afgesproken. Ook blijft vooralsnog onverklaard, welk belang klaagster had bij deze betaling via een derde.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden en op basis van de thans beschikbare stukken concludeert de rechtbank dat er een redelijk vermoeden van schuld is jegens klaagster ten aanzien van de in het bevel van bewaring genoemde strafbare feiten.

Vervolgens staat de rechtbank voor de vraag of deze verdenking van dien aard is dat er kan worden gesproken van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht dient te wijken voor het belang van de waarheidsvinding.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het een verdenking betreft van ernstige strafbare feiten. Er is sprake van een zwaarwegend onderzoeksbelang, dat zich ook uitstrekt tot de medeverdachten in de zaak onderzoeksnaam. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit onderzoeksbelang niet op een andere manier worden gediend dan doordat het verschoningsrecht hiervoor moet wijken, waarbij in het bijzonder geldt dat gezien de aard van de strafbare feiten waarvan klaagster wordt verdacht, niet met uit openbare bronnen verkregen gegevens of bescheiden kon worden volstaan.

Klaagster heeft aangevoerd dat de inbeslagneming ongericht (een ‘fishing expedition’) en disproportioneel is en dat daarom het in artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op een privé leven is geschonden.

Ten aanzien van de doorzoeking bij advocatenkantoor 2 stelt de rechtbank vast, dat gericht in beslag is genomen. In het proces-verbaal van 5 juni 2014 is gerelateerd dat bestanden op externe gegevensdragers zijn geselecteerd op basis van een steekwoordenlijst. De steekwoorden houden direct verband met betrokkenen bij het onderzoek onderzoeksnaam. Blijkens het proces-verbaal van doorzoeking van 22 april 2014 is verder doorzocht op basis van door de zaaksofficier ter plaatse opgegeven zoekwoorden. Ook deze hebben rechtstreeks verband met het onderzoek onderzoeksnaam.

Ten aanzien van de doorzoeking bij advocatenkantoor 1 stelt de rechtbank vast, dat blijkens het proces-verbaal van 9 mei 2014 de doorzoeking heeft plaatsgevonden aan de hand van een door de rechter-commissaris samengestelde lijst met dossiernummers. Blijkens het proces-verbaal van doorzoeking heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat “voldoende is gewaarborgd dat enkel de digitale dossiers en e-mail berichten zijn gekopieerd die betrekking hebben op het onderzoek onderzoeksnaam”.

Uit de wijze van doorzoeken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de doorzoeking niet de door klaagster gestelde ongerichte fishing expedition is geweest, maar selectief heeft plaatsgevonden in direct verband met het onderzoek onderzoeksnaam. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van klaagster dat de inbeslagneming disproportioneel is. Het daarop voortbouwende beroep op artikel 8 van het EVRM faalt derhalve eveneens.

Ter zitting heeft klaagster nog gesteld dat de inbeslagneming bij advocatenkantoor 1 onrechtmatig is, omdat er zich bij de stukken geen beslissing van de rechter-commissaris tot doorzoeking bevindt. De rechtbank constateert dat deze beslissing wel bij de stukken zit, zij het per abuis gevoegd bij de stukken betreffende de doorzoeking van de woning van klaagster.

Op grond van de voorgaande overwegingen concludeert de rechtbank dat er sprake is zeer uitzonderlijke omstandigheden, waardoor het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De rechtbank acht dan ook de inbeslagneming rechtmatig en zal het beklag ongegrond verklaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF