Klaagschrift strekkende tot teruggave van door klager aan het OM verstrekte verzegelde enveloppen met gegevens ongegrond verklaard

Rechtbank Noord-Nederland 28 november 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:7364

De officier van justitie heeft op 26 maart en op 31 mei 2013 op grond van artikel 126nd Sv en artikel 25 lid 9 van de Wet op het notarisambt (Wna) van klager gegevens gevorderd met betrekking tot een zestal in de vorderingen nader aangeduide leveringen van onroerend goed, waarbij gebruik is gemaakt van de door klager als notaris aangehouden bijzondere rekening.

Klager heeft de gevorderde gegevens verstrekt, zij het dat hij ten aanzien van een aantal gegevens heeft aangegeven dat deze in zijn visie vallen onder zijn notariële beroepsgeheim. Deze gegevens heeft hij aan het OM verstrekt in een verzegelde envelop, onder gelijktijdige indiening van het onderhavige klaagschrift. Het gaat daarbij om de volgende onderdelen:

  • de namen, adressen, woonplaatsen en specifieke rol van alle gevolmachtigden, woordvoerders en contactpersonen die betrokken zijn bij (de financiële afwikkeling van) de in de vorderingen aangeduide leveringen, ook indien zij niet in de akte van levering of de kadastrale gegevens zijn vermeld (punt 5 van de vordering van 31 mei 2013, aanvullend punt 1 van de vordering van 26 maart 2013); en
  • de gegevens van ondertekende schriftelijke volmachten betrekking hebbende op door de koper aangewezen gevolmachtigden binnen en buiten het notariskantoor van klager (punt 7 van de vordering van 31 mei 2013, aanvullend punt 3 van de vordering van 26 maart 2013).

Namens klager is in een voorafgaande schriftelijke toelichting en ter zitting van de raadkamer betoogd dat de hierboven bedoelde gegevens buiten het bereik van het bepaalde in artikel 25 lid 9 Wna vallen.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het klaagschrift. Zij heeft zich in reactie op de toelichting door en namens klager op het standpunt gesteld dat onder meer uit de wetsgeschiedenis volgt dat artikel 25 lid 9 Wna wel degelijk op de door haar gevorderde gegevens van toepassing is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 22 lid 1 Wna is de notaris tot geheimhouding verplicht ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheid als zodanig kennis neemt, tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald.

De Hoge Raad heeft in het verleden in zijn jurisprudentie tot uitdrukking gebracht dat het ambtsgeheim van de notaris van zodanig gewicht is dat de plicht tot geheimhouding alleen doorbroken kan worden, hetzij door de geheimhouder zelf, hetzij door de rechter, indien uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen dat het belang van de waarheidsvinding prevaleert boven het belang van geheimhouding. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de notaris zelf verdachte is van ernstige strafbare feiten die de kern van zijn functie raken.

In de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging waarbij de informatieplicht van artikel 25 Wna is ingevoerd (Tweede Kamer, vergaderjaar 201-2011, 32 700, nr. 3) wordt onder meer overwogen dat de jurisprudentie van de Hoge Raad in de praktijk tot gevolg heeft gehad dat, in die gevallen waarin er geen sprake is van een verdenking jegens de notaris zelf, diens ambtsgeheim veelal een beletsel vormt voor de verkrijging van informatie, met als maatschappelijk onwenselijk gevolg dat geldstromen die verband houden met fiscale fraude of andere (ernstige) financieel-economische criminaliteit aan het oog onttrokken worden zodra de betrokken partijen een notaris inschakelen.

De Memorie van Toelichting maakt duidelijk dat artikel 25 lid 8 en lid 9 Wna bedoeld zijn om dit laatste te voorkomen, door de Belastingdienst en de opsporingsautoriteiten de mogelijkheid te geven om informatie van een notaris te vragen met betrekking tot het gebruik van diens bijzondere rekening, ook in die situaties waarin niet direct sprake is van het soort uitzonderlijke omstandigheden waarop de jurisprudentie van de Hoge Raad ziet.

Door de uitzondering op de notariële geheimhoudingsplicht te beperken tot gegevens die betrekking hebben op de bijzondere rekening wordt, zo stelt de Memorie van Toelichting, de inhoudelijke kant van de notariële dienstverlening buiten beschouwing gelaten en de vertrouwelijkheid van de relatie tussen de notaris en diens cliënt zoveel mogelijk ontzien.

Uit de redactie van artikel 25 lid 8 Wna blijkt dat de informatieplicht van de notaris aan de Belastingdienst restrictief van aard is, nu in dit artikellid wordt bepaald dat alleen informatie kan worden gevraagd met betrekking tot een beperkt aantal gegevens ten aanzien van specifiek aangeduide transacties of betalingen met betrekking tot de bijzondere rekening. De plicht van de notaris tot het verstrekken van informatie aan opsporingsambtenaren, de officier van justitie of de rechter-commissaris, zoals neergelegd in artikel 25 lid 9 Wna, is minder restrictief omschreven. In dit artikellid wordt in algemene zin gesproken over “de gegevens met betrekking tot de bijzondere rekening”. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat dit verschil uitdrukkelijk zo is beoogd. Daarbij wordt onder meer overwogen dat de omvang van de hier bedoelde informatieplicht aansluit bij “de aard en de reikwijdte van de specifieke opsporingsbevoegdheid die in een concreet geval wordt uitgeoefend” en dat met deze ruimere verplichting beoogd wordt recht te doen aan “het zeer zwaarwegende belang van een effectieve bestrijding van financieel-economische criminaliteit”.

De vraag is nu of de door de officier van justitie gevorderde gegevens (in de punten 5 en 7 van de vordering van 31 mei 2013 en in de aanvullende punten 1 en 3 van de vordering van 26 maart 2013) onder de informatieplicht van artikel 25 lid 9 Wna vallen, zoals de officier van justitie heeft gesteld en klager heeft bestreden.

Vooropgesteld moet worden dat het ook bij de (ruimere) informatieplicht van artikel 25 lid 9 Wna alleen kan gaan om gegevens die betrekking hebben op de bijzondere rekening die door de notaris wordt aangehouden. De Memorie van Toelichting maakt afdoende duidelijk dat uitdrukkelijk voor deze fundamentele beperking is gekozen om het ambtsgeheim van de notaris voor wat betreft zijn inhoudelijke dienstverlening intact te laten.

Naar het oordeel van de rechtbank houdt het voorgaande echter niet in dat de officier van justitie alleen de gegevens zou mogen vorderen van diegenen die rechtstreeks betrokken zijn geweest bij een financiële handeling waarbij gebruik is gemaakt van de bijzondere rekening van de notaris, zoals wel het geval is bij de informatieplicht neergelegd in artikel 25 lid 8 Wna, en niet ook van diegenen die op de achtergrond (bijvoorbeeld als opdrachtgever) bij deze transactie betrokken waren. Een dergelijke uitleg zou immers geen recht doen aan de bedoeling van artikel 25 lid 9 Wna, namelijk te voorkomen dat door de inschakeling van een notaris de criminele aard van bepaalde financiële transacties verhuld zou blijven en het mogelijk maken van een effectieve bestrijding van financieel-economische criminaliteit, waartoe ook behoort de opsporing van de personen die daarbij (direct of indirect) zijn betrokken.

Uit de toelichting die de officier van justitie op haar vorderingen heeft gegeven, blijkt genoegzaam dat zij hiermee inderdaad beoogt om zicht te krijgen op mogelijke andere personen die bij de aangeduide transacties (die via de bijzondere rekening van klager zijn gelopen) betrokken waren dan de personen wier naam in de betreffende aktes staat vermeld. Deze gegevens vallen naar het oordeel van de rechtbank binnen de aard en reikwijdte van de opsporingsbevoegdheid die in dit concrete geval wordt uitgeoefend (artikel 126nd Sv) en maken, gegeven de aard van het onderzoek (dat zich richt op de opsporing van omvangrijke financiële criminaliteit) waarbinnen deze vorderingen zijn gedaan, ook overigens geen disproportionele inbreuk op klagers ambtsgeheim.

Uit het voorgaande volgt dat de onderdelen van de vorderingen van de officier van justitie waartegen het klaagschrift zich richt, niet vallen onder klagers geheimhoudingsplicht als notaris, zodat er geen reden is om te oordelen dat de officier van justitie daarvan geen kennis zou mogen nemen. Het klaagschrift is daarom ongegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF